Parijse geheimen

Hoe men Le paysan de Paris van Louis Aragon in 1926 gelezen heeft, is moeilijk meer voor te stellen; nu is het hooguit een schoolvoorbeeld van een surrealistische tekst, een document. In het eerste deel, ‘De passage de l'Opéra’, vindt men beschrijvingen van de winkels, cafés, uitdragerijen, het badhuis, de hoerenkasten, enzovoort, en in zoverre had het boek een gids kunnen zijn voor een historische plek in Parijs die op het punt stond te verdwijnen. Maar Aragon wilde eigenlijk niets weten van beschrijvingen; het surrealisme was immers wars van realisme. Breton was in staat om leden te royeren als ze ervan verdacht werden met een roman bezig te zijn. Aragon hield zich keurig aan die spelregels: zodra de tekst romanachtige vormen aannam, kapte hij dat af door van register te wisselen of een betoog af te steken en de lezer rechtstreeks aan te spreken.

En zo hij al een gids wilde schrijven, dan een van de geheimen van Parijs, van de door vroegere goden verlaten plaatsen waar zich nieuwe wonderen voordeden - zij het dat die alleen zichtbaar waren voor lieden die zich van hun burgerlijke oogkleppen hadden ontdaan en het wonder in het alledaagse wisten te onderkennen. Dat laatste is een passend woord voor het streven naar een ‘zintuiglijk denken’. Aragon demonstreerde wat de surrealisten onder 'dichterlijk leven’ dachten te verstaan: niet het schrijven van poëzie, zeker niet alleen maar; poëtisch leven hield een mentaliteit in, een blik, een ontvankelijkheid voor de roes van het moderne leven. Een demonstratie daarvan is de tweede tekst, waarin Aragon met Breton en Marcel Noll ’s nachts door het park Buttes-Chaumon dwaalt, een van de Parijse parken die uit vuilnisbelten zijn ontstaan. Die wandeling wordt gevolgd door 'de droom van de boer’: de boer toog naar Parijs omdat hij sinds het land door de goden verlaten werd zijn terrein naar de stad moest verleggen; hier is hij op zoek naar een moderne mythologie, een 'mobiele mythologie’. Modern was het nieuwe tempo, reclameborden, het stadsleven dat weer hetzelfde was als het onbewuste en dat was weer een ander woord voor natuur. De boer is ook een ziener die welgemoed oreert over concreet, abstract, metafysisch, mythe, roes: 'Het beeld is de wet in het domein van de abstractie’, enzovoort. Aragon filosofeerde graag, al komt dat vooral neer op gegoochel met begrippen. Hij had wel geleerd dat de ratio te beperkt was en de verbeelding vrij spel moest krijgen. Dat gaf hem tevens de vrijheid om begrippen naar eigen willekeur te gebruiken; zijn doel leek vooral voor de kring van ingewijden het nieuwe wereldbeeld van de surrealisten in kaart te brengen. Als het boek een schoolvoorbeeld is, dan vooral van hun hooggespannen verwachtingen. Het is daarom nuttig dat de vertaler in zijn nawoord op nuchtere toon vertelt in welke context het boek indertijd geschreven is. Hij verheelt ook niet dat de volgzaamheid van Aragon ten opzichte van Breton een voorafspiegeling was van zijn trouw aan de communistische partij, waarin hij decennia lang als dogmatische voorman fungeerde. Dezelfde man die in 1926 nog de lof zong van de verbeelding, schreef vier jaar later het gedicht 'Rood Front’ met een ode aan de GPOE: 'Ik bezing de noodzakelijke Gepeoe van Frankrijk/ Ik vraag om een Gepeoe om het eind van een wereld voor te bereiden.’