Het islamdebat in Marokko

‘Pas geletterden grijpen niet onmiddellijk naar Flaubert’

Volgens Mohammed-Sghir Janjar, vooraanstaand islamoloog in Marokko, heeft zijn land te maken met ‘de paradox van de modernisering’. Kees Beekmans verwondert zich over deze paradox. Hoe kan de religiositeit zo opleven terwijl Marokko zichtbaar moderner wordt?

1.
HET VERHAAL wil dat lang geleden, in de tijd van Mohammed, vrouwen die zich ’s avonds nog buiten de stadspoorten van Medina bevonden daar regelmatig werden lastiggevallen. Deze vrouwen beklaagden zich hierover, waarop een groepje echtgenoten de kwestie met de profeet opnam. Niet veel later zou soera XXXII, 59 aan Mohammed zijn geopenbaard, waarin moslima’s wordt aangeraden zich te bedekken met een sjaal, zodat zij als moslima’s zouden worden herkend en bijgevolg ook worden gerespecteerd, zelfs buiten de stadspoorten, in het duister van de nacht.
Bovenstaande komt uit het in januari verschenen boek Penser le Coran van Mahmoud Hussein, een pseudoniem waarachter de auteurs Baghat Elnadi en Adel Rifaat schuilgaan, in Frankrijk wonende islamologen van Egyptische afkomst. Eerder publiceerden zij onder andere Al Sîra, Le Prophète de l’islam raconté par ses compagnons (2007), een biografie van Mohammed in twee delen. Penser le Coran gaat over de omstandigheden waaronder de ruim zesduizend verzen die het heilige boek bevat aan Mohammed werden geopenbaard. Zonder die achtergrondkennis, menen de auteurs, kun je die verzen niet interpreteren, dus niet op de juiste manier begrijpen.
Een jonge vrome moslima, zo kan men verder in dit boek lezen, toonde zich geschokt door de hierboven aangehaalde anekdote: hoe durfden de auteurs te beweren dat de profeet een zo gewichtige kwestie als de dracht van de hoofddoek om zulke triviale redenen had verordonneerd! De auteurs wezen de vrouw erop, zo schrijven ze zelf, dat ze zich toch op de meest orthodoxe bronnen hadden gebaseerd, maar dat het de jonge moslima natuurlijk vrij stond te bepalen of soera XXXII, 59 alle vrouwen ter wereld tot aan het einde der tijden verplicht een hoofddoek te dragen, of dat dit vers kan worden gelezen als ‘oplossing’ voor een zeer concreet probleem, nauw gelieerd aan omstandigheden die vandaag de dag dépassé zijn.
2.
DEZE KWESTIE van het ‘interpreteren’ van de Koran, izjtihad in het Arabisch, ligt gevoelig. Hervormers als het duo Mahmoud Hussein zijn van mening dat de moderne maatschappij om interpretatie van de eeuwenoude verzen vraagt – in de geest van de Koran – aangezien het merendeel ervan, aldus die hervormers, nauw aan tijd en plaats gebonden is, zoals de soera over de hoofddoek. Islamisten en andere aartsconservatieven beschouwen izjtihad als regelrechte blasfemie: het woord van God is tijdloos en altijd en overal toepasbaar, laat zich alleen letterlijk lezen, en zeker niet interpreteren of ‘aanpassen’ aan moderne tijden.
Een andere hervormer is Abdellah Tourabi, als wetenschapper verbonden aan Sciences Po in Parijs. In dezelfde maand waarin Penser le Coran door het onafhankelijke, moderne weekblad Le Journal werd besproken, publiceerde Tourabi een essay in het even onafhankelijke en moderne TelQuel, waarin hij zich de vraag stelde of de Koran werkelijk altijd en overal toepasbaar is. De vraag stellen is hem beantwoorden: niet dus. Komt de Koran in sommige gevallen niet zelf terug op eerder geopenbaarde verzen om die als het ware bij te stellen? Hoe zit het dan, aldus Tourabi, met de eeuwigheidswaarde van die eerdere verzen? In andere gevallen spreekt de Koran zichzelf regelrecht tegen – en welk vers is dan het goddelijke? En daar waar het bijvoorbeeld het erfrecht betreft, of het voorschrift niet meer dan vier vrouwen te trouwen, meent Tourabi dat de Koran duidelijk aan herziening toe is, aan ‘interpretatie’. Leidraad voor die interpretatie zou dan moeten zijn ‘de geest van het betreffende vers’, oftewel wat Mohammed in de tijd waarin hij leefde heeft willen veranderen. Net als Mahmoud Hussein vindt Tourabi dat moslims, door de omstandigheden te bestuderen waaronder de Koran is ontstaan, de essentie van de heilige verzen kunnen doorgronden, en de verzen zo kunnen herinterpreteren naar de eisen van de moderne tijd. In weer andere gevallen zijn de soera’s domweg achterhaald, bijvoorbeeld die over de slavernij, een door de Koran nog gesanctioneerd verschijnsel.
Om het wat concreter te maken vat ik hieronder samen wat Tourabi in zijn essay schrijft over Koran & erfrecht, Koran & polygamie, en Koran & slavernij. Louter om herhaling te voorkomen vermeld ik slechts spaarzaam ‘volgens Tourabi’ of ‘aldus de wetenschapper’. Maar het onderstaande (3) is dus geheel en al Abdellah Tourabi’s betoog.

3.
DE PROFEET MOHAMMED leefde in een door mannen gedomineerde, sterk tribale maatschappij, waarin zaken als trots, moed en bravoure, het uitstralen van superioriteit, hogelijk werden gewaardeerd. Een maatschappij ook waarin de verschillende stammen hun rijkdom dankten aan wat ze op andere stammen of passerende karavanen hadden buitgemaakt. In deze pre-islamitische context van permanente oorlog werden vrouwen en kinderen gezien als handicap. Ze droegen niets bij aan de economie, en hadden evenmin ‘militaire waarde’. Een gezegde uit die tijd dicteerde dat alleen degenen die ‘een paard bestijgen en buit binnenhalen’ aanspraak konden maken op erfrecht. De ‘transmissie van rijkdom en bezittingen’, schrijft Tourabi, voltrok zich dus geheel buiten vrouwen om.
Dit was de context waarin de islam opkwam. Nu werd de nieuwe godsdienst van het begin af aan ondersteund door vrouwen – de eerste persoon die zich tot de islam bekeerde was Khadija, de vrouw van de profeet. Dus Mohammed was wel geneigd iets voor ze te doen. Bovendien predikte de islam de gelijkheid van alle moslims in het aangezicht van God – iets wat gold voor mannen én vrouwen. Vroeg dat principe er niet om dat er ook iets werd gedaan aan de sociale en economische achterstelling van vrouwen in het dagelijks leven?
Zo verhaalt een hadith (de Hadith zijn overleveringen over het leven van Mohammed) van een weduwe die zich er bij de profeet over beklaagde dat haar zwager zich alle bezittingen van haar overleden man had toegeëigend. Waar moesten zij en haar twee dochters nu van leven? Het vers in de Koran dat aan vrouwen een erfdeel toekent, zou zijn geïnspireerd op dit soort sociale kwesties. Het bedoelde vers werd overigens pas zestien jaar na de geboorte van de islam aan Mohammed ‘doorgegeven’, wat volgens Tourabi veel zegt over de verankering van oude tradities in de toenmalige maatschappij. Het is voor Tourabi duidelijk dat genoemde soera’s in de moderne tijd zó geïnterpreteerd moeten worden dat de achterstelling van de vrouw geheel wordt opgegeven. Bij de laatste wijziging van de Marokkaanse familiewet of Moudawwana gebeurde dat niet: nog altijd hebben zoons in Marokko recht op een twee keer zo groot erfdeel.
Een ander voorbeeld behelst de polygamie. In Mohammeds tijd kon een man zo veel vrouwen trouwen als hij wilde en er daarnaast ook nog talloze slavinnen op nahouden, met wie hij eveneens seksuele betrekkingen kon hebben. Mannen waren er trots op veel vrouwen te hebben want daarmee toonden ze zich viriel. Een ander belangrijk voordeel was dat men via huwelijken banden kon smeden met andere clans en stammen. Het hebben van zoons die de wapens op konden nemen, en het beschikken over machtige allianties via echtgenotes, waren in die periode, aldus Tourabi, een soort levensverzekering.
In een tijd dus waarin mannen soms wel twaalf echtgenotes hadden, beperkt de Koran, in principe geen voorstander van polygamie, dat aantal tot vier. Het heilige boek stelt tevens als voorwaarde dat men zijn vrouwen gelijk behandelt. De Koran, schrijft Tourabi, kan in dit opzicht revolutionair worden genoemd. Maar de Arabische wereld, schrijft hij verder, was zo stevig verankerd in machismo en patriarchie, en door de succesvolle veroveringen werden sommige mannen zo rijk, dat polygamie zeer populair bleef en men er gewoon slavinnen bij nam als men al vier echtgenotes had. Tourabi wijst er verder op dat negentiende-eeuwse islamitische hervormers als sjeik Mohammed Abdou polygamie zelfs onmogelijk wilden maken als aan de voorwaarde van een gelijke behandeling niet kon worden voldaan. Deze hervormers, aldus Tourabi, hadden de moed de Koran te interpreteren – waarom zouden wij dat nu niet doen en polygamie afschaffen?
Dan de slavernij, een volkomen geaccepteerd en wijdverbreid verschijnsel in Mohammeds sterk hiërarchische maatschappij. Slaven, gebruikt als werkkrachten, vormden ook een belangrijke pijler van de economie. Slavernij wordt door de Koran dan ook nergens verboden, maar het heilige boek gebiedt de moslim wel zijn slaven goed te behandelen, en verbiedt uitdrukkelijk het misbruiken van slaven voor doeleinden als prostitutie. De Koran rechtvaardigt slavernij door erop te wijzen dat de fundamentele ongelijkheid tussen mensen nu eenmaal de wil van God is. Het boek roept de gelovige overigens wel op zijn slaven vrij te maken, als het even kan, zeker als die slaven zich tot de islam hebben bekeerd. Ook dit waren voor die tijd vergaande ideeën, hoe achterhaald ze inmiddels ook mogen zijn. Maar wie zal nu nog willen beweren dat de betreffende verzen letterlijk moeten worden genomen?
4.
WONEND IN MAROKKO is het niet moeilijk vast te stellen dat boeken als Penser le Coran en publicaties als Tourabi’s essay in TelQuel deel uitmaken van wat je een religieuze heropleving zou kunnen noemen. De tekenen zijn overal: een islamistenpartij, PJD, die sinds twee jaar officieel de op een na grootste politieke partij van het land is, vooral sterk vertegenwoordigd in de steden; een radicale islamistenbeweging – de sekte van sjeik Yassin, door de koning verboden – die nog veel meer aanhangers telt dan de PJD. Andere tekenen: bijna wekelijks berichten media over het ‘oprollen’ van terroristennetwerkjes door de geheime dienst. De gevangenissen zitten propvol salafisten. Nog weer andere tekenen: tijdens de ramadan zie je geen bikini’s meer op het strand, vrouwen ‘mogen’ in die maand niet baden, terwijl ze dat in de jaren zeventig nog massaal deden. Tijdens de ramadan gingen de drankwinkels altijd al dicht, maar ze sluiten de laatste jaren steeds eerder: drie jaar geleden drie dagen voor de ramadan, twee jaar geleden een week ervoor, en vorig jaar tien dagen voor het begin van de vastenmaand. Steeds minder restaurants mogen tijdens de ramadan nog drank (voor toeristen) schenken. Dat alles is omdat de koning, zeggen de mensen, de islamisten niet wil ‘provoceren’. In de volkse stad Salé, bijna een miljoen inwoners, de zusterstad van het chiquere Rabat, is geen drankwinkel meer te vinden. Ook die zouden zijn verdwenen ‘onder druk van de islamisten’. En de hoofddoek natuurlijk, die de laatste jaren een ongehoorde populariteit geniet.

5.
MOHAMMED-SGHIR JANJAR is een van de meest vooraanstaande islamologen van Marokko. Hij zal tegen de vijftig lopen en is hoofdredacteur van de driemaandelijkse revu Prologues, die haar burelen in Casablanca heeft. In dit tijdschrift staan lange, doorwrochte artikelen, rijkelijk voorzien van noten, doorgaans van de hand van wetenschappers, met titels als Islam et mondialisation, Les islamistes en Tunesie entre l’affrontement et la participation, Dialogue pour un nouveau langage religieux. Janjar zou de man moeten zijn, is mij van verschillende kanten gezegd, die mijn vragen kan beantwoorden, vragen als: waar komt die religieuze heropleving vandaan? Waarom nu dat debat over de modernisering van de islam?
Ik open het gesprek door de ‘tekenen van religiositeit’ op te sommen, zo ongeveer als ik hierboven heb gedaan, en zeg daarna dat die heropleving mij verbaast, aangezien Marokko toch juist moderner begint te worden? Is een en ander niet in tegenspraak met elkaar?
Het is waar, begint Janjar, dat Marokko moderniseert. Ik was naar hem toe gekomen met de idee dat we dat als feit konden aannemen, maar Janjar vindt het belangrijk goed naar die modernisering te kijken en noemt verschillende cijfers op. Zo gaat tegenwoordig negentig procent van de kinderen van zes jaar naar school, en hebben vooral de meisjes een inhaalslag gemaakt. ‘Twintig jaar geleden werd de helft van het aantal meisjes nog thuisgehouden, nu volgt zestig procent van hen zelfs een middelbare-schoolopleiding.’ Weliswaar kan 47 procent van de Marokkanen nog altijd niet lezen – analfabetisme is vooral op het platteland nog wijdverbreid – maar voorspeld wordt, aldus Janjar, dat het ‘zichtbare analfabetisme’ over vijftien jaar uit Marokko zal zijn verdwenen. ‘Dan tref je het alleen nog aan in afgelegen streken op het platteland, of onder ouderen.’
Tot zo ver de passage à l’écrit van brede lagen van de bevolking. Een andere belangrijke moderniseringsfactor is volgens Janjar het dalende geboortecijfer: ‘Marokkaanse vrouwen krijgen gemiddeld nog maar 2,43 kinderen, terwijl dat er in 1960 nog zeven waren. In dat jaar trouwden meisjes nog op zeventienjarige leeftijd, nu trouwen ze tien jaar later.’ Een derde belangrijke factor is de vrouw die gaat werken, en volgens Janjar doen Marokkaanse vrouwen dat tegenwoordig massaal: ‘38 procent van de Marokkaanse beroepsbevolking is vrouw. En er emigreren tegenwoordig zelfs meer vrouwen dan mannen.’ En als laatste van de moderniseringsfactoren noemt Janjar de trek naar de stad: ‘Nu al woont de helft van de Marokkanen in steden, maar in 2025, als ook het zichtbare analfabetisme zal zijn verdwenen, zal zeventig procent van de Marokkanen daar wonen.’
Het effect van al deze veranderingen, aldus Janjar, is onder meer een religieuze heropleving: ‘Omdat analfabete boeren die geletterde stedelingen worden als eerste de heilige teksten gaan lezen. Die grijpen niet onmiddellijk naar Flaubert. Net als bij de uitvinding van de drukpers: dan wordt als eerste de Bijbel gedrukt. Het religieus engagement neemt dus toe. Maar dat engagement wordt tegelijkertijd moderner, individueler. In de jaren zestig bijvoorbeeld was het nog maar een minderheid van de bevolking die bad, al dan niet vijf keer per dag. Nu is dat ongeveer zeventig procent. En toch is het geen terugkeer naar vroeger, omdat de religieuze praktijk, die communautair was, is geïndividualiseerd. Marokkanen wonen het vrijdagmiddaggebed nog altijd massaal bij, zeker, maar ze kiezen nu zélf waar ze dat doen. Ze gaan niet mee naar die ene moskee omdat hun oom daar ook heen gaat, maar ze kiezen een moskee waar de toiletten schoon zijn en een goede imam preekt.’
Zo is het volgens Janjar ook met de hoofddoek: de vrouw die ’m draagt is niet meer die van vroeger: ‘De kans is groot dat die gehoofddoekte vrouw werkt, moeder is van maar twee kinderen, een eigen bankrekening heeft en een eigen bankpas. Die vrouw is religieus, dat valt niet te betwisten, maar ze is even onbetwistbaar modern.’ Volgens Janjar wordt dit ‘de paradox van de modernisering’ genoemd.
De islamoloog benadrukt ten slotte dat ik niet moet denken dat de religieuze heropleving louter het gevolg is van een bevolking die leert lezen, maar net zozeer van de overige moderniseringsfactoren: ‘Die zetten de organisatie van de familie onder druk. Vroeger had je de extended family, gestructureerd rondom een almachtige patriarch. Nu is er het kerngezin, man, vrouw, twee kinderen – en de vrouw werkt. Het is in dit opzicht veelzeggend dat de islamistenpartij PJD voor het merendeel uit mannen ouder dan vijftig bestaat.’ Mannen, begrijp ik, met heimwee naar het verleden.

6.
MAAR HET GAAT uiteraard verder dan heimwee. Een bevolking die gedwongen afscheid neemt van eeuwenoude samenlevingsvormen, daarbij ook het platteland verlaat en in de stad gaat wonen, raakt een deel van haar identiteit kwijt, voelt zich mogelijk zelfs enigszins verloren, en krijgt de neiging sterker te leunen op wat wél behouden blijft, de islamistische identiteit. Terugvallen op het geloof – ‘ik ben voor en ondanks alles moslim’ – biedt houvast, en datzelfde geloof kan ook antwoord geven op vragen als ‘hoe nu te leven?’ – antwoorden die men nu zelf in de Koran kan opzoeken. Een en ander, maar dit tussen haakjes, zou ook moeten opgaan voor veel van de tweede-generatie-Marokkanen in Nederland, die in korte tijd ongeveer dezelfde veranderingen hebben doorgemaakt als veel Marokkanen in Marokko en dus ook onderhevig moeten zijn aan de paradox van de modernisering.
Ondertussen is het onvermijdelijk dat in een steeds modernere maatschappij veel van de voorschriften van de Koran steeds anachronistischer aandoen. Voor wie in een spagaat komt te zitten, staan twee wegen open: een islamistenpartij als de PJD kiest voor een terugkeer naar het verleden en wil de maatschappij weer in overstemming brengen met de Koran: polygamie, erfrecht (de zoon krijgt een dubbele portie), het seksuele verkeer (alleen binnen het huwelijk), verstoting van de echtgenote, het moet allemaal blijven zoals het vroeger was. Hervormers als het duo Mahmoud Hussein en Abdellah Tourabi – die zelf zeggen gelovige moslims te zijn – proberen het tegenovergestelde: de Koran in overeenstemming brengen met de moderne maatschappij, door de vrijheid te nemen de goddelijke verzen ‘naar de geest van de Koran’ te interpreteren, izjtihad. Dat dat bij de conservatieven niet in goede aarde valt, dat die bij de letterlijke tekst willen blijven, is wel begrijpelijk, want het toestaan van interpretatie betekent accepteren dat ze nooit meer terug zullen krijgen wat ze hebben verloren – hun macht over de vrouw.