Onderzoek Turks-Nederlandse studenten (1)

‘Pas nu kan ik knallen, sparren. Haal ik jaren in’

Ze vormen een zeer heterogene groep, maar hebben enkele dingen duidelijk gemeen. Turks-Nederlandse studenten praten over hun studiekeuze, de worstelingen met hun ouders, religie en, natuurlijk, het Turkije van Erdogan.

Medium hh 2809833
Een huiskamer in Hillesluis, Rotterdam, van een gemengd gezin, moeder is Nederlands, vader Turks © Arie Kievit / HH

Wie aan het tumult over de gerichtheid van Turkse Nederlanders op hun land van herkomst de indruk heeft overgehouden dat het leven van universiteitsstudenten met een Turkse migratieachtergrond zich beperkt tot studie, vrienden (Turkse natuurlijk), familiezaken en het volgen van de Turkse politiek zit er behoorlijk naast. Van de vroege morgen tot de late avond hebben ze het razend druk met juist een keur aan andere zaken. Naast de studie doen ze vrijwilligerswerk, hebben bijbanen, vaak meer dan één, sporten, bezoeken lezingen en debatten, nemen deel aan universitaire uitwisselingsprogramma’s en zijn politiek actief. En heel soms is er tijd voor een reisje naar Turkije of Thailand, een voetbalwedstrijd in Londen of een stedentrip naar Parijs.

Ahmet (26, UvA) werkt onbezoldigd als Turkije-medewerker voor een internationale mensenrechtenorganisatie. Zeynep (24, VU) is peer educator bij een organisatie die lessen verzorgt op middelbare scholen om taboe-onderwerpen bespreekbaar te maken. Daarnaast verdient ze geld voor de taalcursus die ze deze zomer in de Verenigde Staten gaat volgen. Kerem (22, VU) reist (op die ene tentamenweek in elk studieblok na) van stad naar stad om namens verschillende groeperingen deel te nemen aan debatten en workshops om de negatieve beeldvorming over minderheidsgroepen te slechten. Hij heeft bestuursfuncties bij meerdere non-profitorganisaties. Zuhal (21, UvA) is net terug van een Erasmus-uitwisseling. Ze studeerde vijf maanden aan een universiteit in Engeland.

Ismail (28, UvA) vertrekt binnenkort naar Zuid-Afrika. Timur (23, UvA) doet twee studies en bezoekt in zijn schaarse vrije tijd debatten en lezingen – het liefst in een Italiaans maatpak. Hij is lid van het Forum voor Democratie van Thierry Baudet. Hüseyin (26, VU) is actief lid van een nieuwe politieke partij, werkt in de autorijschool van zijn broer en is in de avonduren koerier van een toonaangevende pakketvervoerder. Verder klust hij bij als privé-chauffeur. Metin (32, UvA) crosst als fietsbezorger door Amsterdam. Halim (24, UvA) is vrijwilliger bij een rechtswinkel. En Nermin (26, UvA) is onder meer actief lid van de studentenverenging Amsterdam United. Net als Kerem rent ze ‘elke dag als een gek van de ene naar de andere locatie’, haar centrale onderwerp is diversiteit.

De afgelopen maanden spraken we twee keer uitgebreid met veertien studenten met een Turkse achtergrond; we vroegen ze ook gedurende een week de activiteiten te noteren die ze ondernamen. Wat ze met elkaar gemeen hebben is dat ze ieder op zijn of haar eigen wijze open minded zijn, als er iets nieuws op hun pad komt, zeggen ze zelden nee. Nermin: ‘Ik besloot alles aan te nemen toen ik begon met studeren. Ik wilde nadrukkelijk laten zien dat ik meer was dan mijn achternaam.’ Ze verbinden op geheel eigen wijze ‘Nederland’ met de tradities en het geloof van het land van herkomst die hun ouders doorgaven. Als je jong bent, neig je meer naar de Turkse kant, licht Halim toe. ‘Je omgeving zegt dat Nederlanders vreemd zijn, Turken zijn beter. Je wilt dan niets weten van een andere cultuur.’ Nu hij wat ouder en hoogopgeleid is, denkt hij: ‘Als je je er de hele tijd druk over maakt dat je Turk bent en wilt dat anderen dat accepteren, dan ga je niet veel bereiken.’

Ook diegenen die hechten aan een sterke band met hun ouders maken eigen keuzes en vormen zelfstandige oordelen. Ismail: ‘Familie is voor mij belangrijk en ook als ik niet meer thuis woon, wil ik een hechte band met mijn familie.’ Tegelijk peinst hij er niet over een traditioneel bestaan met een traditionele gezinssamenstelling op te bouwen. Enes (28, VU) is op een andere manier kritisch: ‘Voor Turken is hun Turks-zijn belangrijker dan hun moslim-zijn. Als er bijvoorbeeld een bruiloft wordt gegeven, wordt er gigantisch veel geld aan gespendeerd.’ De drijfveer is volgens hem het showen hoeveel je je wel niet kunt veroorloven. Dat stuit hem tegen de borst, het is niet islamitisch: ‘Je waardeert iemand niet omdat die zoveel geld kan uitgeven.’

De focus op Turkije, Turks-Nederlandse gemeenschappen en hun familie gaat niet noodzakelijkerwijs ten koste van de gerichtheid op Nederland. Ali (24, VU), voor wie het moslim-zijn de kern is van waaruit hij leeft: ‘Ik voel me in grote mate wel op mijn plek in de Nederlandse samenleving.’ Zuhal: ‘Ik beweeg me wel altijd tussen twee culturen. Ik hoor niet helemaal bij de Turkse cultuur maar ook niet helemaal bij de Nederlandse. Uiteindelijk voel ik me meer verbonden met de Nederlandse cultuur.’

Allemaal willen ze uiteindelijk graag in Nederland of tenminste een westers land hun leven vervolgen. Ahmet: ‘Ik ben hier geboren en getogen. Ik ga misschien wel voor kortere of langere tijd weg, maar ik keer terug naar Nederland.’ Tegelijk beschikken ze over een gezonde portie realiteitszin over hun kansen op de arbeidsmarkt. Zeynep: ‘Als niet-westerse migrant zit ik in een nadelige positie. Ik moet meer mijn best doen. Zo ervaar ik het.’ Toch is er in het algemeen geen sprake van verbittering, eerder van hoop en optimisme. Hüseyin: ‘Je kunt de maatschappij wel de schuld van alles geven, maar daar schiet je uiteindelijk zelf niks mee op. Kijk kritisch naar jezelf. Als je wat wil veranderen in de maatschappij, dan moet je bij jezelf beginnen.’

Het zijn uitspraken die haaks staan op het alarmistische beeld dat uit recente onderzoeksrapporten en de media opstijgt over de meerderheid van de Turks-Nederlandse jongeren: onder hen zou een diepgeworteld gevoel van uitsluiting bestaan. Tegelijk is er een sterke binding en betrokkenheid met de eigen groep. Hun vrienden hebben een Turks-Nederlandse achtergrond, evenals hun huwelijkspartner. De afstand tot de Nederlandse samenleving is de laatste jaren sterk gegroeid en de jongeren ervaren dat ook zo. Met als resultaat dat ze zich meer en meer afsluiten van de rest van de Nederlandse samenleving en de verbondenheid met Turkije groeit.

Het is ontegenzeggelijk waar. Net als die andere realiteit: door de recente ontwikkelingen in Turkije – de poging tot een staatsgreep midden vorig jaar en de massale zuiveringen onder de criticasters van het huidige AK-bewind in Turkije – is niet alleen de polarisatie daar, maar ook in de Turks-Nederlandse gemeenschappen verder vergroot. Zeynep: ‘Ik had een Turks-Nederlandse jongen leren kennen die ik erg leuk vond. Het ging goed tussen ons. Ik had niet gezegd dat ik met de beweging van de Turks-islamitische prediker Fethullah Gülen sympathiseerde. Toen ik het hem vertelde, werd ons contact geschiedenis.’ Maar het is niet het enige wat jongeren van Turkse origine in Nederland bezighoudt. Parallel daaraan zijn er andere trends en ontwikkelingen te bespeuren. Zeker de hoger opgeleide jongeren met een Turkse migratieachtergrond hebben hun handen vol aan de maatschappelijke inhaalslag die ze tegelijkertijd maken.

‘Een universiteit met veel Turks-Nederlandse studenten werkt verstikkend. Ik wil zelf mijn identiteit ontwikkelen’

Voor menigeen die we spraken fungeerden de recente maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in Turkije eerder als een wake-up call. Metin vervreemdde van zijn herkomstland, waar hij recent enkele jaren verbleef om zijn zieke vader bij te staan die was geremigreerd. ‘Het is spijtig om te zien wat daar plaatsvindt. Een man die eerst autoritair opereert en daarna een dictatuur instelt. Dat gaat mij aan het hart.’ Hij vermijdt het om naar de Turkse televisie te kijken. ‘Ik vind het zelfs niet fijn om over de Turkse politiek te praten.’

Süreyya (23, UvA) nam ondanks een negatief advies van haar universiteit na de zomer toch deel aan de Erasmus-uitwisseling. Ze studeerde vijf maanden aan de Sabanci-universiteit in Istanbul. ‘Ik probeerde me zo neutraal mogelijk op te stellen, maar mijn Turkse medestudenten hadden het constant over politieke issues.’ Haar vader is een fervent aanhanger van de regerende AK-partij van president Erdogan. Hij toont zich trots dat de couppoging afgelopen zomer door ingrijpen van het Turkse volk werd afgewend. In de maanden erna ervoer zij dat decanen werden ontslagen en de academische vrijheid werd ingeperkt. ‘Dat is de reden dat ik niet in Turkije wil studeren, maar daar kan ik niet met hem over praten. Volgens mijn vader is alles de schuld van het Westen.’

Ali slikt sinds de coupnacht zijn kritiek op Turkije juist in. ‘Voor die tijd lette ik op alles: bijvoorbeeld hoe de alevieten werden gediscrimineerd, de manier waarop de Koerdische bevolking werd behandeld. Na de coup let ik daar minder op.’ Het algemene Turkse belang stijgt volgens hem nu boven dat van individuen en minderheidsgroeperingen uit. ‘Blijkbaar is er wat aan de hand in Turkije. Zet de mensen die betrokken zouden zijn bij de coup voorlopig maar op non-actief, tot is uitgezocht of ze schuldig zijn.’ Voor anderen bevestigde het een eerder inzicht. Zeynep: ‘Toen ik jonger was, was ik heel erg met de Turkse politiek bezig, meer dan met de Nederlandse. Maar het is beter voor je mentale gezondheid om dat niet te doen. De Turkse politiek gaat over extremen, bepaalt met wie je omgaat. Je gaat mensen over één kam scheren. Daarom volg ik het Turkse nieuws niet meer elke dag.’

De studenten, die we via de sneeuwbalmethode leerden kennen, vertegenwoordigen de voorhoede binnen hun gemeenschappen in Nederland. Ze zitten in de bachelor- en masterfase van hun studie en studeren Europese studies, rechten, scheikunde, bestuurskunde, sociologie, economie, politicologie, accountancy and control of religiewetenschappen en bedrijfskunde. We wilden van hen horen hoe de studiekeuze tot stand kwam, over de worstelingen met hun ouders, de binding met de eigen etnische en religieuze groep en de manier waarop de huidige migratietijdgeest daar invloed op heeft. Ze vormen geen uitzondering op het algemene beeld: onderwijs is behalve de motor van zelfverheffing ook een stimulans om kritisch na te denken over de waarden en de gemeenschap waarin ze leven. Met als gevolg dat ze er op onderscheidende gronden meer en minder afstand van nemen.

Ismail: ‘Ik zou bijvoorbeeld nooit zo’n huwelijksfeest willen hebben als mijn zus waarbij zoveel familie aanwezig is en de ouders een zo dominante rol spelen. Ik zou graag in kleiner gezelschap trouwen. Maar ik vind dat bepaalde tradities, zoals gezamenlijk eten en je familie uitnodigen, er wel bij horen. Dat zijn wel weer je roots.’

We kozen voor de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit omdat de universiteiten onderscheidende posities innemen in het actuele debat over de inclusieve, diverse universiteit. De VU, met haar protestantse achtergrond, wil graag zo’n universiteit zijn waar diversiteit wordt gezien als rijkdom. De seculiere UvA worstelt met de eis dat de universiteit een afspiegeling moet zijn van het pluriforme Nederland. Zo concludeerde de commissie diversiteit onder leiding van professor Gloria Wekker vorig jaar in haar eindrapport dat het bij de UvA ontbreekt aan een consistente aanpak. De UvA is met veertien procent studenten met een niet-westerse achtergrond een stuk minder divers dan de VU (22 procent). Collegevoorzitter van de UvA Geert ten Dam beaamde in Trouw dat het ‘regelmatig schuurt en wringt’, de UvA doet het niet goed genoeg.

De keuze van ‘onze’ Turks-Nederlandse studenten voor de VU dan wel de UvA is ideologisch en pragmatisch van aard. De belangrijkste scheidslijn is het wel of juist geen behoefte hebben aan een zichtbare Turkse en moslimgemeenschap op de universiteit. De eerste groep koos bewust voor de VU. Enes volgde gastcolleges op de UvA en zag dat studenten er behoorlijk op afstand van elkaar bleven. ‘Gelijkgestemden zitten bij gelijkgestemden en ik vond de sfeer er kil.’ Dat ervaart hij niet op de VU. ‘Iedereen groet hier iedereen, dat is belangrijk voor mij.’ Mutlu (22, VU) denkt dat op de UvA vooral studenten zitten die bij het corps gaan: ‘Van die studentenverenigingen waar de elite op zit. Mensen die het echte studentenleven willen leiden, en op kamers wonen.’ Dat speelt volgens hem minder op de VU: ‘De studenten daar, zeker de Turkse Nederlanders, wonen veelal nog thuis en gaan niet drie keer per week tot diep in de nacht uit.’ Ook voor Ali is het belangrijk dat er op de VU best veel mensen rondlopen die op hem lijken. Ook speciale faciliteiten zoals halal catering en gebedsruimten spreken hem aan: ‘Ik kan hier zonder problemen van de ochtend tot de avond blijven zonder dat ik tussendoor naar een moskee moet om te bidden of dat ik ergens in een wc mijn rituele wassingen moet verrichten.’

De meer vrijzinnige studenten die expliciet voor de UvA kozen (of expliciet niet voor de VU) willen juist niet nadrukkelijk worden geconfronteerd met de Turkse gemeenschap en andere moslimmigranten. De monocultuur thuis ervoeren ze als een vorm van geestelijke verdorring. Ze willen uitgedaagd worden, hebben een sterkte behoefte aan pluriformiteit. Ze willen deelgenoot zijn van een kring van mensen met verschillende ideeën. Nermin: ‘Een universiteit met veel Turks-Nederlandse studenten werkt verstikkend. Ik wil de ruimte om zelf mijn identiteit te ontwikkelen.’ Ismail koos voor de UvA omdat het een seculiere universiteit is. Maar hij is ook kritisch: ‘De laatste tijd laait ook hier de discussie op over de noodzaak van stilteruimtes. Daar ben ik niet tegen, maar ik wil wel dat de UvA seculier blijft. Ik wil studeren op een plek waar religie geen rol speelt.’

Ahmet had op zijn achttiende het idee dat de UvA nog steeds het activistische karakter van ’68 bezat: ‘Een universiteit die voorop loopt, bereid is zowel linkse als rechtse dogma’s ter discussie te stellen.’ Ook hij heeft moeite met de stilteruimtes waar in feite gebeden wordt: ‘Het behoort niet tot het mandaat van een universiteit om dat te faciliteren.’ En hij windt zich in toenemende mate op over wat hij aanduidt als ‘de mind van de sociale wetenschappen aan de UvA’. ‘De islam wordt niet kritisch benaderd en salafistische groepen worden verdedigd. Volgens mij is het de taak van wetenschappers om religieuze dogma’s te bekritiseren. Als ze dat niet doen gaat er een zekere precedentwerking van uit.’ Süreyya hekelt het gebrek aan daadwerkelijke diversiteit aan de UvA: ‘De meeste studenten komen nooit in aanraking met iemand met een migratieachtergrond.’ En ze merkt dat er weinig kennis is van en begrip voor de positie waarin migrantengemeenschappen zich bevinden. Ze heeft zich op de UvA aangesloten bij de University of Colour, die daar verandering in probeert te brengen. Ook Nermin vindt dat het curriculum zou moeten veranderen.

‘Ik wil wel dat de UvA seculier blijft. Ik wil studeren op een plek waar religie geen rol speelt’

Achter de keuze voor de UvA gaat soms ook een complexe relatie met hun ouders schuil. Amsterdam, de universiteit en de eigen kamer fungeren als een toevluchtsoord. Om verschillende redenen kunnen ze niet voldoen aan de verwachtingen en wensen van hun ouders, en in een aantal gevallen van hun meer religieus-conservatieve broers en zusters. Ze zoeken nieuwe grenzen op. Zo creëren ze afstand van thuis en vinden ze de vrijheid om hun eigen leven in te vullen. In het eerste studiejaar gaan ze nog bijna elk weekend trouw naar huis, vaak een voorwaarde voor toestemming van hun ouders om in Amsterdam op kamers te gaan – je gaat immers pas uit huis als je trouwt –, maar geleidelijk worden de tussenpozen groter.

Medium hh 21184718
© Marco Hillen / HH

De wrijvingen thuis en de drijfveer om voor een universiteit in Amsterdam te kiezen, waren voor een aantal van de studenten die we spraken ook versterkt door hun homoseksualiteit. Het is het meest persoonlijke en gevoelige onderwerp dat tijdens de interviews ter sprake kwam, zowel onder UvA- als VU-studenten. Menigeen kan hier onmogelijk met zijn of haar ouders over praten, laat staan op instemming rekenen. Dat is de belangrijkste reden om er tegenover hen over te zwijgen, er zelfs glashard over te liegen. Dat dubbelleven leidt jarenlang tot stress, vermoeidheid, spanningen thuis, en moeilijk kunnen opstaan in de morgen.

Kerem: ‘Ze kwamen er drie jaar geleden achter.’ Zijn broer keek in zijn telefoon en spotte een gesprek met zijn beste vriend. Daaruit viel af te leiden dat hij homoseksueel is. ‘Bij ons is privacy een lastig issue. Mijn broer vermoedde het en wilde het weten. Hij wist dat als hij het me zou vragen ik geen antwoord zou geven. Ik zou liegen.’ De ontdekking werd doorgebriefd aan zijn zusters. ‘Tegen mijn ouders vertelden ze dat ik verslaafd was aan wiet. Daarom wilden die me aanvankelijk niet naar Amsterdam laten gaan.’ Hij leidt inmiddels zijn eigen leven, maar tegenover zijn ouders ontkent hij zijn geaardheid nog altijd glashard. ‘Daar houd ik pas mee op als ik financieel op eigen benen kan staan.’ Angst houdt hem nu nog tegen.

Hij sluit niet uit dat als het bekend wordt hij in elkaar wordt geslagen door familie die de AK-partij van Erdogan aanhangt. ‘Heel intelligente mensen: een is advocaat, de ander heeft een succesvol bedrijf.’ En hij vreest de reactie van zijn broer en zussen: ‘Ook zij zijn hoogopgeleid, maar er zit iets in de Turkse cultuur dat ze dit niet aanvaarden. Het kan niet in de eigen familie voorkomen.’ Hij vreest dat een coming out tot een definitieve breuk in de familie leidt: ‘Als ik het ga zeggen, weet ik dat ik er echt een tijdje alleen voor sta. En dat is best een angstig idee als je zoals ik uit een grote familie komt.’

Ook anderen zwijgen, gaan geen relaties aan, mede omdat ze nog thuis wonen en nauwlettend in de gaten worden gehouden. Ze komen pas met hun seksuele geaardheid op de proppen als ze mentaal met de rug tegen de muur staan. Bij Halim begon het met vragen waarom hij niet begon met zoeken naar een huwelijkspartner. Hij ging binnen twee jaar immers trouwen. ‘Als je dat zo vaak te horen krijgt, dan denk je op een gegeven moment: nu moet ik het wel vertellen.’ Bij weer anderen weten hun ouders het, maar wordt er om wille van de lieve vrede over gezwegen. Na de zoveelste ruzie is stilzwijgend besloten het onderwerp te negeren. Ze zullen toch nooit in het hokje van hun ouders passen. Op hun beurt weten hun vader en moeder dat hun kinderen andere keuzes maken, maar ze willen er niet mee geconfronteerd worden. Nermin: ‘We hebben mijn coming out besproken toen ik achttien was. Dat was een grote bom.’ Over de worsteling met wie je bent en wat je wilt zijn, praten ze met gelijkgestemden in hun nieuwe, vrijere leefwereld. Ze experimenteren, zijn met diversiteitskwesties in de weer en stellen zich ook in dat debat kritisch op. Nermin: ‘Mensen die diversiteit afwijzen omdat moslims homofoob zouden zijn, zijn zelf net zo weinig tolerant als de groep die ze bekritiseren.’ Ze weigert in hokjes te worden gestopt die door anderen zijn gecreëerd.

Ook al zijn er harde woorden gevallen, door hun ouders, henzelf, en niet zelden hun broers en zusters, zonder uitzondering zoeken ze na verloop van tijd naar manieren om de keuze voor hun eigen leven te combineren met een zekere vorm van contact met de familie. De leugens en de huichelarij blijven, evenals de koppigheid, maar ze vallen hun ouders niet af. Kerem: ‘Ik praat nu wel heel negatief over mijn ouders, maar mijn liefde voor hen moet toch ergens vandaan komen. In de basis zijn het heel warme mensen.’ Er straalt zelfs iets als positieve trots uit die zoektocht, hoe onwennig en pijnlijk die ook is.

Nermin liep op haar achttiende van huis weg met het idee dat ze haar ouders nooit meer zou zien. ‘Dan breek je echt met ze. Maar van binnen voelde dat slecht, alsof ik was losgekoppeld.’ Ze probeerde het goed te maken. ‘Je wijst een deel van hun waarden en normen, hun tradities, misschien wel af, maar niet alles wat zij doen en geloven is slecht. Ze hebben ook mooie dingen doorgegeven.’

De studenten die redelijk tot goed met hun ouders kunnen opschieten vinden hun instemming belangrijk, maar hun stem is niet doorslaggevend. Ahmet: ‘Ik praat met ze over mijn beslissingen, maar uiteindelijk hak ik zelf de knoop door.’ Hüseyin vertelt dat hij in gesprekken met zijn vader niet wordt geacht de grenzen op te zoeken, naar hem moet luisteren. ‘Als ik met hem discussieer zeg ik wel eens: je bekijkt alles vanuit één kant. Vaak zegt mijn broer dan: laat maar zitten. Je kunt hem toch niks wijsmaken. Maar vaak luistert mijn vader wel naar mij. Hij weet dat ik heb gestudeerd. Hij neemt me serieus. Behalve als het over de Turkse politiek gaat. Dan houd ik het gesprek kort.’

‘In de Turkse optiek heb je vier toekomstopties: je wordt arts, advocaat, diplomaat of je mislukt’

Naarmate de studie vordert, vertrouwen ouders hun kinderen steeds meer en geven hun meer vrijheid. Dat geldt met name voor de studenten die op kamers wonen. Hun ouders bellen niet meer dagelijks. Maar dat wil niet zeggen dat ze de universiteit zien als een plek waar jonge mensen nadenken over de grote levensvragen, een opstap om later zinvol werk te kunnen doen of een betekenisvol leven te leiden. Zonder uitzondering schuilt achter de ambities voor hun kinderen het verlangen naar succes, een prestigieuze baan en geld verdienen. Timur studeert zowel economie als politicologie. ‘Mijn vader, een huisarts, zei: “Jongen, wat kun je nou met jouw studies doen?” In de Turkse optiek heb je vier toekomstopties: je wordt arts, advocaat, diplomaat of je mislukt.’

Ook Halim ervoer dat zijn carrière feitelijk al was uitgestippeld. Zijn ouders wilden dat hij arts werd: ‘Heel standaard en cliché.’ Hij koos voor rechten omdat hij goed is in taal. ‘Wel heb ik me tot het tweede jaar ook steeds ingeschreven voor geneeskunde. En dan maar hopen dat je wordt uitgeloot. Dat gebeurde gelukkig. Heel debiel, maar ja, mijn ouders wilden het zo graag.’

Ook de familie van Ahmet begreep jarenlang niet waarom hij zoiets vreemds en zweverigs als Europese studies deed. ‘Als je al de mogelijkheid hebt om naar de universiteit te gaan, dan studeer je medicijnen om bijvoorbeeld arts te worden, of rechten om als advocaat het grote geld binnen te harken. Ze waren dan ook opgelucht toen ik er rechten naast ging doen.’

Die druk, niet altijd expliciet uitgesproken maar elke Turks-Nederlandse jongere weet wat er van hem of haar wordt verwacht, is niet bij iedereen even groot. Kerem: ‘Mijn ouders ondersteunen me eigenlijk in alles waar ik op studiegebied voor kies.’ Ook is er begrip voor die eenzijdige kijk op hun carrière. Hun ouders hebben het moeilijk gehad in Turkije, ze waren straatarm.

Mutlu: ‘Ze willen dat hun kinderen het goed hebben. Studeren wordt gezien als een manier om vooruit te komen. Het geeft uitzicht op een goede baan, op zekerheid.’ Hij denkt dat ze niet blij waren geweest als hij Engels, Nederlands of filosofie had willen studeren. ‘Ze zouden vragen: “Is dat wel verstandig? Wat voor werk zou je kunnen doen?” Economische zekerheid is belangrijk, maar ook het feit dat je na je studie niet onder aan de ladder begint. Dat je een achtergestelde positie hebt.’

Zeynep deed eerst maatschappelijk werk en dienstverlening op hbo-niveau. ‘Toen ik me inschreef vonden mijn ouders dat heel spannend. Ik ben de eerste die ging studeren. Mijn ouders zijn nauwelijks opgeleid. Mijn vader spreekt geen Nederlands.’ Hoewel hij haar steunde, was hij ook heel zenuwachtig. Hij vroeg in zijn omgeving wat zijn dochter daarmee zou kunnen bereiken. ‘Een oom zei dat ik werkloos zou worden. In laagopgeleide Turkse kringen is lerares voor een meisje de ideale baan.’ Haar vader probeerde haar er maandenlang van te overtuigen om zich in te schrijven aan de pabo. ‘Toen ik na het eerste jaar besloot om naar de universiteit te gaan, was hij heel blij. Hij zei: “Dan kom je later overal binnen.”’

Medium hh 57979568
Amsterdam-Oost © Katrien Mulder / HH

Dat idee van hun ouders is behoorlijk gedateerd, weten de Turks-Nederlandse studenten. Het perspectief op sociale stijging is sterk afgenomen in de afgelopen decennia, zeker na de financiële crisis in 2008. Ook goed opgeleiden moeten zich de arbeidsmarkt op vechten. Na de universiteit volgt vaak een lang traject van trainee-baantjes. Het vinden van een vaste aanstelling is geen sinecure. Zeker niet voor migrantenkinderen die tegen discriminatie en negatieve beeldvorming op de arbeidsmarkt aan lopen. Ze moeten zich nog meer bewijzen en sprokkelen gedurende hun studie een extra goed cv bijeen. De noodzaak daarvan is voor een ieder helder die we spraken. Timur hoopt na zijn bachelor een master te doen op een prestigieuze universiteit in het buitenland. Om toegelaten te worden speelt maatschappelijke en bestuurlijke ervaring mee, maar hij heeft een nog vrijwel blanco cv. ‘Dat probeer ik nu op te vullen door te solliciteren naar bestuursfuncties bij de Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen of Room for Discussion, een platform met spraakmakende gasten.’

Als onze gesprekspartners terugkijken op hun jeugd, dan geldt voor vrijwel iedereen dat het doorgeven van de islam, de Turkse islam, in de loop van de jaren belangrijker werd voor hun ouders. De Nederlandse samenleving is geseculariseerd en geïndividualiseerd, maar het geloof van hun ouders verdiepte zich en werd betekenisvoller. Ook in hun kleding en eten. Zuhal: ‘Binnen mijn familie is religie niet zoiets als een keus. Je wordt ermee opgevoed, het wordt aan je meegegeven. Dit is ons geloof, dit is het goede. Hoewel ze ons niets opleggen, mijn zusters en ik vasten niet, laten ze wel blijken dat ze het fijn vinden als we volgens de Turkse islam leven.’

‘Bij meer conservatieve moslims voel ik me niet thuis. Dat eeuwige gepraat over het geloof: dit mag wel, dit mag niet’

Een meerderheid heeft in de jonge jaren koranonderwijs gevolgd, enkelen zowel bij een moskee van Diyanet, het Turkse directoraat voor godsdienstzaken in Nederland, als op internaten van de Suleymanci-beweging, een meer orthodoxe, Turks-soennitische stroming. De lessen daar zouden instructiever zijn dan bij Diyanet. De ouders van één student spraken expliciet de verwachting uit dat hij en zijn broer in de voetsporen van hun vader zouden stappen en imam zouden worden. Enes: ‘Ik ben uiteindelijk op een internaat van de Suleymanci-beweging terechtgekomen, maar de rebel in me bleef. Na een clash met mijn mentor ben ik gestopt.’ Hij licht toe dat hij nog steeds een fundamentalistische gelovige is: ‘Ik hang de tradities aan, maar tegelijkertijd ben ik superkritisch.’ Hij studeert nu religiewetenschappen. ‘Pas nu kan ik knallen, sparren. Haal ik jaren in.’

Naast zijn studie zet hij zich in om islamitische radicalisering en polarisering tegen te gaan. Hij weigert in een Diyanet-moskee te bidden, ook al identificeert hij zich met de Turkse president Erdogan en zijn AK-partij. ‘Door de tegendruk van het Westen is mijn sympathie voor hem gegroeid, maar ik wil in een apolitieke moskee bidden.’ Ook een andere student negeert de Diyanet-moskee sinds kort. Metin: ‘Ik vind het niet prettig om voor het vrijdaggebed naar een Turkse staatsmoskee te gaan. Het is een raar idee dat er in Nederland überhaupt Turkse staatsmoskeeën zijn. Dat realiseer ik me pas nu ik wat ouder ben.’

Anderen blijven dicht in de buurt van hun religieuze opvoeding en de levensstijl van hun ouders. Mutlu: ‘Ik noem mezelf conservatief. Mijn religie bepaalt hoe ik leef, en hoe ik me gedraag. Niet dat ik op zoek ben naar een heel zuivere vorm van religie. Ik zou eigenlijk vaker moeten bidden. Maar ik weet wel precies wat wel en niet mag van mijn geloof.’ Voor Ali was zijn moslim-zijn de reden om niet bij een van de vier grote accountantsfirma’s in Nederland aan de slag te gaan. ‘Dat is zo’n beetje het gedoodverfde lot van een student fiscaal recht.’ Tijdens de dagen die deze firma’s voor studenten organiseren, zag hij dat er weinig ruimte is om de vijf dagelijkse rituele gebeden te verrichten. ‘En als het al zou worden toegestaan, dan zou het niet in de bedrijfscultuur passen.’ Een aantal maanden geleden heeft hij het aanbod geaccepteerd om naast zijn studie als hoofd van de administratie aan de slag te gaan bij een beginnend bedrijf. ‘Het is een Nederlands bedrijf met Turkse aandeelhouders en een Turkse bedrijfspartner, die de Europese markt op wil.’ Hij kwam met hen in contact via de jongerenafdeling van de moskee in zijn woonplaats waarvan hij voorzitter is.

Ook voor anderen, waaronder degenen die in hun jeugd geen koranonderwijs volgden omdat ze in provinciesteden opgroeiden zonder een moskee, maakt religie deel uit van hun dna. Timur ging af en toe met zijn opa mee naar de moskee. Enkele jaren geleden leerde hij zichzelf de rituelen van het gebed nadat hij door zijn studie geïnteresseerd was geraakt in de Turkse politiek. ‘De massale politieke rally’s van Erdogan fascineerden me, evenals het Turkse volkslied. Vooral het laatste couplet: het is het recht voor mijn God-erende volk om vrij te zijn. Ik stelde mezelf de vraag: “Wat betekent dat voor mij?” Ik vast gedurende de ramadan, maar wat moet ik daar achter zoeken?’ Hij heeft het nu geïnternaliseerd, zegt hij. Als er bijvoorbeeld een ambulance met gierende sirenes door de straat scheurt, zegt hij een schietgebedje: hopelijk komt het goed. ‘Datzelfde doe ik als ik een vliegtuig binnenstap, of voor een tentamen. Dat Allah mij mag sterken.’ Hij gelooft dat er een God is en dat het goede wordt beloond. Aan de andere kant ziet hij religie ook als iets functioneels. ‘Het geeft je rust, het verdrijft stress. Dat zal wel te maken hebben met iets als overgave.’ Mutlu verwacht niet dat zijn religieuze overtuiging hem later parten zal spelen op de arbeidsmarkt: ‘Als je weet waar je mee bezig bent en je bent bereid uit te leggen wie je bent en waar je voor staat, dan verwacht ik dat dat zal worden geaccepteerd.’

bij anderen stookte de denkkracht die ze op de universiteit ontwikkelden het vuurtje verder op onder het idee dat ze niet het voorbeeld van hun ouders willen volgen. De islam bestaat voor hen uit strikte regels; de studenten gaan er losser, individualistischer mee om. En en passant neemt een enkeling afstand van de religieuze groep waar hun ouders zich toe rekenen. Die groepsidentiteit werkt verstikkend, meent Zeynep, en leidt tot een zekere vorm van conservatisme. ‘Ik selecteer nu scherper met wie ik vrienden word. Bij meer conservatieve moslims voel ik me niet thuis. Dat eeuwige gepraat over het geloof: dit mag wel, dit mag niet. Ik heb daar gewoon geen interesse meer in.’ De islam vormt voor haar de inspiratie voor haar idealen: de gelijkheid van man en vrouw en dat niemand het recht heeft om over anderen te oordelen. ‘Dat is wat ik uit religie heb gehaald. Anderen dat je vijf keer per dag moet bidden.’

Eén student is zijn respect voor geloofszaken kwijt. Hij is niet meer gelovig maar praat daar niet met zijn ouders over. Halim: ‘Ik vind het niet relevant dat te uiten. Ze merken wel dat ik niets meer doe met religie, terwijl ik zelfs Arabisch heb gestudeerd om de bronteksten te kunnen begrijpen. Ik weet er in de familie het meeste van af.’

De constante in de andere verhalen is dat de religie uit hun jeugd zich niet weg laat drukken. De nestgeur blijft aan hen trekken en kleurt hun identiteit. Ook voor degenen die met hun familie overhoop liggen over hun seksuele geaardheid. Kerem: ‘Ik doe momenteel best weinig met mijn geloof. Ik vast als ik bij mijn ouders ben gedurende de ramadan, maar feitelijk is mijn band met God verwaterd. Toch geloof ik wel in iets, naar de islam neigend. Ik vind het moeilijk om mijn geloof helemaal los te laten.’

Nermin is op zoek naar een meer diverse islam. ‘Hoe kan ik die islam vinden? Door er naar op zoek te gaan, en daar de tijd voor te nemen.’ Ze merkt dat ook meer en meer migrantenstudenten in haar omgeving de islam bestuderen en herdefiniëren. ‘Het pakketje islam dat onze ouders ons hebben meegegeven, is te krap. Dat kunnen we evenwel niet aan hen vertellen. Dan zeggen ze: “Denk je nou echt dat je je eigen islam kunt maken?”’

Anderen doen dat bewust wel. Op een gegeven moment moet je verkennen wat er in je omgaat, hoe je tegen dingen aankijkt, redeneert Ismail. ‘Je moet je ouders, broers en zussen daarin meenemen, anders blijven dingen onbesproken. Dat wekt frustratie en onbegrip op. Op die manier krijg je meer begrip voor elkaar en hoef je je niet noodzakelijkerwijs van je ouders te distantiëren. Ze leggen zich uiteindelijk neer bij de realiteit dat jij anders bent dan zij graag zouden willen.’

Dit is het eerste deel van een tweeluik over de diverse denk- en leefwereld van Turks-Nederlandse studenten aan de UvA en de VU. Op verzoek zijn vrijwel alle namen gefingeerd.


Dit artikel kwam tot stand dankzij steun van Fonds 1877