Afghanistan en het eenzijdige verhaal

Pas op voor de schoonmaker

De westerse media lieten hun beeld van Afghanistan de afgelopen decennia vooral inkleuren door westerse generaals, politici en diplomaten. Alsof het Afghaanse volk alleen uit de Taliban en al-Qaeda bestaat.

Luister naar dit artikel

22 november 2008. Een Afghaanse man kijkt toe hoe een Nederlands ISAF-voertuig passeert, van Kamp Holland op weg naar de Chora-vallei © Jeroen Oerlemans / De Beeldunie

De naar zijn eigen schatting zeventigjarige Mualim Rahmatullah zat kalm en geïnteresseerd aan de hoge tafel in het hotel, wit tafellaken, porseleinen borden en op de hoek een grijs-witte zijden stof in een tulband gedraaid. Welkom in Kabul, zei de man die ik wilde spreken omdat hij in 2001 president Karzai mede aan de macht had geholpen. Het was zes jaar later en ik was voor het eerst alleen in Afghanistan, om onderzoek te doen voor mijn boek over die machtswisseling. Mualim Rahmatullah was zelfverzekerd en gastvrij. Hij trakteerde me op Kabuli palauw, een rijstschotel die in Afghanistan veel wordt gegeten, zodat ik kon ‘aansterken na de lange reis’, zoals mijn vader dat ook kon zeggen. Na het eten spraken we uren over wat er in 2001 met hem en Karzai was gebeurd.

Het geduld en de openheid waarmee Mualim Rahmatullah mij wilde uitleggen hoe Afghanistan in elkaar stak zou exemplarisch zijn voor het land. Want waar ik ook ging, elke keer ontmoette ik Afghanen die als het ware het theatergordijn opentrokken waarna ik het podium op mocht en van dichtbij hun levens kon documenteren. Heb je een slaapplek nodig? Kan ik je ergens naartoe rijden? Ik moest zelfs oppassen bij een Afghaanse vrouw niet te zeggen dat haar oorbellen mooi waren, want voordat ik het wist kreeg ik ze.

Dit Afghanistan gaf me geen andere keus dan mijn koffers te pakken en er te gaan wonen. De afgelopen vijftien jaar heb ik keer op keer geprofiteerd van deze openheid om zo goed mogelijk verslag te doen van wat er al die tijd in Afghanistan gebeurde. Na 9/11 was Afghanistan lange tijd verrassend gemakkelijk voor journalisten.

Zelfs na 2014 toen het qua veiligheid ingewikkelder werd, namen mijn Afghaanse bronnen, zoals de tolken die ik nodig had omdat ik de taal niet spreek, steeds weer het risico om mij te woord te staan.

Ik weet niet meer exact wie meer uren heeft uitgetrokken voor interviews. Net als veel van mijn internationale collega’s heb ik nooit te klagen gehad over de bereidheid van navo-ambassadeurs, kolonels in militaire kampen of VN-ambassadeurs om mij hun kant van het verhaal te vertellen. Maar toch was ik altijd weer onder de indruk van hoeveel tijd en moeite de Afghaanse bronnen namen. Dagen trokken ze soms voor me uit. Bijvoorbeeld Afzal Khan, bibliothecaris in de bibliotheek met het grote krantenarchief. Hij vond mijn onderzoek fantastisch en zonder dat ik hem ooit betaalde zocht hij alle Taliban-kranten die ik nodig had en leerde me tussendoor wat Pasjtoe. Of neem Ahmad Issa, zoon van een belangrijke zakenman in de omgeving van Kandahar, die ik nodig had voor mijn tweede boek over Taliban-leider mullah Omar. Toen ik hem vroeg naar de moskee waar mullah Omar de Taliban als het ware had opgericht, reed de zoon mij er enthousiast naartoe. Ahmad was opgeleid als arts en had een passie voor de ook volgens hem nog te weinig onderzochte Afghaanse geschiedenis. Belangeloos reed hij me van hot naar her. ‘Welkom, welkom hier, ik vind het gaaf om onderdeel van je onderzoek te zijn.’

Zelfs Taliban van het eerste uur, zoals de oud-minister van Financiën Mutasim Agha Jan, de oud-minister van Gezondheid Mullah Abbas of de oud-minister van Justitie Shahabudeen Delawar, bleken ook na de val van hun regime bereid om met mij te praten over mijn boek, maar vertelden ook uitgebreid over hun ideeën over de Afghaanse actualiteit.

Ik weet nog hoe verbaasd ik was over de toegankelijkheid van de Afghanen. Want eigenlijk was ik doodsbang toen ik voor het eerst tegenover Rahmatullah zat. Terwijl hij in alle rust met mij praatte, dacht ik: heeft hij niet een terrorist meegenomen? Misschien om mij te ontvoeren. Terwijl hij mij groene thee bijschonk, bleef ik wantrouwig. Ik weet nog dat ik in dat chique restaurant mijn helm uit mijn tas wilde halen, om goed voorbereid te zijn op mogelijk gevaar.

Toch was het niet zo vreemd dat ik de Afghanen niet vertrouwde. Afghanistan was na 9/11 in de internationale media steeds meer beschreven als het land van de terroristen, die staan voor alles waar wij niet voor staan, zoals de Amerikaanse president George Bush dat verwoordde. Afghanistan was in dat beeld het land waar 9/11 was bedacht en voorbereid. Ook de internationale fotojournalistiek toonde vooral een onheilspellend Afghanistan. Zelden zag je iets anders dan slachtoffers van geweld, bij voorkeur gefotografeerd in zwart-wit. Net als veel internationale collega’s had ik mij dat angstige beeld eigen gemaakt. Het was vooral het beeld van de militairen. Ik herinner me nog hoe een Nederlandse kolonel die mij op Kamp Holland in Uruzgan rondleidde ineens tegen me schreeuwde dat ik niet te dicht bij het toilet moest komen, omdat ik er rekening mee moest houden dat de Afghaanse schoonmaker zich elk moment zou kunnen opblazen.

Het contrast tussen het angstaanjagende beeld van Afghanistan en wat ik gaandeweg zelf over het land ontdekte door met Afghanen te praten deed me sterk denken aan een ted Talk uit die tijd. Daarin vertelde de Nigeriaans-Amerikaanse auteur Chimamanda Ngozi Adichie over ‘the danger of a single story’.

Door gesprekken met Afghanen kreeg ik al snel twijfels over het bestaan van de terroristische dreiging

Het is het verhaal over hoe zij, jaren nadat Nigeria onafhankelijk was geworden, op school de geschiedenis van haar land nog steeds vanuit het perspectief van de voormalige Britse kolonisator leerde. Teksten over een land vol spectaculaire natuur en exotische wilde dieren en vreemd uitgedoste mensen die onderling onbegrijpelijke oorlogen voerden en eigenlijk zaten te wachten op redding van buiten. Pas jaren later ervaart ze een ‘mental shift’ als zij zelf kennis maakt met Nigeriaanse schrijvers die een heel ander verhaal vertellen over haar geschiedenis en cultuur.

Zo werd mij duidelijk dat veel internationale media wat betreft de interventie in Afghanistan ook gevangen zaten in een single story. Langzaam maar zeker maakte mijn angst over Afghanen plaats voor vertrouwen in ook hun verhaal. Dat zorgde ervoor dat mijn beeld over Afghanistan en de interventie steeds verder weg dreef van wat er door mijn internationale collega’s werd beweerd.

Provincie Helmand, 7 maart 2010. Een man, boos op de regering, klaagt tegen president Hamid Karzai tijdens zijn bezoek aan de stad Marja nadat deze veroverd is op de Taliban © Moises Saman / Magnum / ANP

Zo was er het verhaal over dat de Taliban weliswaar verrassend snel waren verdreven, maar zich hadden verschanst in grensgebieden als Tora Bora, samen met het al-Qaeda van Osama bin Laden, en dus klaar om onmiddellijk weer terug te slaan zodra de internationale militaire steun voor de nieuwe Afghaanse president Hamid Karzai zou verslappen.

De strijd werd met volle kracht voortgezet in de vorm van een ware klopjacht op iedereen die verdacht werd van betrokkenheid bij 9/11. In een paar maanden tijd werden duizenden vermeende al-Qaeda-strijders en Taliban-sympathisanten achter slot en grendel gezet. Vaak in geheime gevangenissen waar marteling was toegestaan, zoals in Polen, Egypte en de meest beruchte: Guantánamo Bay op Cuba.

Tegelijkertijd gaven de Amerikanen vorm aan de nieuwe regering van Hamid Karzai. Gouverneurs en politiecommandanten werden vooral geselecteerd op hun militaire kwaliteiten. Het waren vooral oude bestuurders die slechte reputaties hadden opgelopen in de verwoestende burgeroorlog van begin jaren negentig en die in 1994 door de Taliban werden verdreven. Zij maakten in het nieuwe Afghanistan nu de dienst uit, gesteund door de internationale interventiemacht die zich overal in het land in grote militaire bases verschansten tegen de aanhoudende dreiging van de terroristen.

Door gesprekken met Afghanen kreeg ik al snel twijfels over het bestaan van de terroristische dreiging. De snelle val van de Taliban kwam niet alleen door militair ingrijpen, maar ook door het aanhalen van contacten, door een beroep te doen op oude stamloyaliteiten die in Afghanistan vaak een belangrijke rol spelen. Met name Karzai, die een aantal jaren eerder nog opteerde voor het VN-ambassadeurschap namens de Taliban-regering, wist deze contacten aan te halen en te gebruiken. Na het gewelddadige begin, waarbij de Taliban kansloos waren, werd in Kandahar een bloedbad voorkomen. In hun eigen bolwerk besloten de Taliban hun wapens neer te leggen en de strijd te staken. Karzai beloofde dat, in tegenstelling tot de Arabische strijders van al-Qaeda, er amnestie zou zijn voor de Taliban.

Nadat Karzai over deze overgave van de Taliban persoonlijk de grote internationale persbureaus had geïnformeerd, werd hij vanuit Washington D.C. gecorrigeerd. Met name minister Donald Rumsfeld van Defensie wilde van geen overgave weten. Hij maakte bekend dat hij Karzai had gebeld en hem had gezegd de overgave niet te accepteren. ‘Al-Qaeda en de Taliban blijven onze vijanden. We blijven troepen sturen.’ Karzai liet zich door dit machtsvertoon het zwijgen opleggen en de overgave verdween binnen 24 uur volledig uit beeld.

Hiermee kreeg de militaire interventie al snel steeds meer het karakter van een oorlog zonder vijand. Vooral gedreven door het gevoel dat 9/11 moest worden gewroken, werden Afghanen bij ook maar de geringste verdenking van connecties met de Taliban en al-Qaeda opgepakt. Meestal was voor zo’n verdenking een tip uit de kringen van de nieuwe Afghaanse machthebbers genoeg. Zulke tips werden voor die bestuurders de manier om voor andere, voor hen belangrijkere zaken gehoor te vinden bij de Amerikanen. Ze probeerden voordeel te behalen, of een oude vete met rivalen te beslechten. Ze zeiden tegen de westerlingen wat zij wilden horen: het is Taliban/al-Qaeda.

Ik hoorde over tientallen gevallen waar de schuld direct bij Taliban/al-Qaeda werd gelegd, zonder deze tips te checken. Zo was er een verhaal van een Franse VN-medewerkster in Ghazni die door een sluipschutter was gedood. Op gezag van de Verenigde Naties beschreef de internationale pers de moord als een ‘Taliban orchestrated attack’. Op basis daarvan werd zelfs besloten dat de VN zich tijdelijk uit dat gebied terug zouden trekken, omdat de dreiging van de Taliban te groot was.

Jaren later hoorde ik dat in 2003 heel diplomatiek Kabul al wist dat het zeer waarschijnlijk was dat het verhaal van de VN-medewerkster complexer lag. Ze was de minnares van een van Karzai’s machtige bestuurders, Asadullah Khaled, die tot 2021 een nauwe bondgenoot van de Amerikanen bleef, maar ook bekend stond om het geven van valse tips over de vijand. Khaled zou nog een VN-konvooi aanvallen in Kandahar, dat zijn drugsvelden wilde bezoeken, en zei vervolgens tegen de pers dat het om een Taliban-aanval ging. Ook vonden Noorse special forces zelfmoordvesten in zijn huis in Ghazni, waaruit bleek dat hij meer aanslagen in scène zette en naar de terroristen wees. In het geval van de Française werd verdoezeld dat het eigenlijk ging om de eer van de familie. De bedrogen echtgenote van Asadullah zou een sluipmoordenaar hebben gestuurd. In plaats van een ‘Taliban orchestrated attack’ ging het waarschijnlijk om een crime passionel.

Veel gevallen van false reporting zouden nooit de media halen. Zo was er het verhaal van de taxichauffeur Delawar die met drie passagiers langs het Amerikaanse kamp in Khost reed toen daar een raket insloeg. Op aanwijzing van hun lokale informant Jan Baz Khan arresteerden de Amerikanen Delawar en de drie passagiers als verdachten van de aanslag. Een walkie-talkie op de achterbank van de taxi was voldoende bewijs om Delawar naar de martelgevangenis in Bagram buiten Kabul te sturen en de drie passagiers naar Guantánamo Bay. Later zou een Amerikaanse bron naar The New York Times lekken dat de VS al snel hadden uitgevonden dat Delawar en zijn passagiers niets met de raketaanslag te maken hadden. De Amerikanen wisten dat hun informant Jan Baz Khan zelf de raket had gelanceerd en de taxichauffeur en zijn drie passagiers had aangewezen als daders om de riante premie voor het aangeven van terroristen te incasseren. Toch overleefde Delawar de ‘verhoren’ in martelgevangenis Bagram niet. The New York Times schreef dat zijn benen zo waren verbrijzeld dat het leek of er een bus overheen was gereden. De drie passagiers werden jaren later zonder aanklacht weer vrijgelaten.

Als laatste voorbeeld in een lange reeks vergelijkbare incidenten was er de Amerikaanse luchtaanval op een konvooi in de provincie Paktia dat onderweg was naar Kabul. De aanval was ingezet op basis van informatie van Pacha Khan Zadran die zich in de burgeroorlog begin jaren negentig een reputatie als meedogenloze krijgsheer had verworven. Hij vertelde de Amerikanen dat de Toyota’s in het konvooi vol zaten met strijders van de Taliban en al-Qaeda. De luchtaanvallen waren een groot succes. Niemand bleef in leven. Ook hier werd later duidelijk dat er geen sympathisant van welke terreurgroep dan ook in de auto’s had gezeten. De Amerikanen hadden zich laten gebruiken voor het beslechten van een familievete.

Door deze verhalen werd ik des te bezorgder over hoe gemakkelijk de Amerikanen en andere westerse organisaties zich door valse info op sleeptouw lieten nemen. Voor Bush was de wereld na 9/11 heel overzichtelijk. ‘You are with us, or you are against us.’ Je kon in Afghanistan alleen bij de ‘good guys’ horen, en dus bij hen, of bij de ‘bad guys’, en dus bij Taliban/al-Qaeda.

In de behoefte van de Amerikanen om zich te wreken was de drempel om iemand als terrorist te beschouwen erg laag

Daarmee ontging het de Amerikanen dat het dagelijks leven van de gemiddelde Afghaan om heel andere dingen draaide. Voor de meeste Afghanen was 9/11 een ver-van-mijn-bed-show, waarvan velen pas maanden later hadden gehoord en die voor hen nauwelijks relatie had met hun eigen leven. Dat naar aanleiding van 9/11 internationale troepen naar Afghanistan kwamen om de schuldigen te pakken was voor de meeste Afghanen geen bedreiging. Die paar schuldigen waren immers vooral de Arabieren van al-Qaeda, want volgens veel Afghanen hadden zelfs de Taliban geen weet gehad van de plannen van Osama bin Laden. Voor veel Afghanen was het de vraag of de Arabieren nog wel in het land waren of dat ze zich hadden verstopt in het grensgebied met Pakistan. Ze hoopten zelfs dat de komst van de Amerikanen goede dingen zou brengen naar hun land, waar het leven in de jaren ervoor zo zwaar was geweest. Per slot van rekening werd het machtige Amerika gezien als een droom met goede bedoelingen. Sommigen wisten zeker dat de straten van New York van goud waren en iets van die voorspoed zou ook naar hun land komen, was de hoop.

Die hoop werd niet ingelost. In plaats van Afghanistan economisch te helpen, lag de focus van de Amerikanen bijna volledig op de jacht naar al of niet schuldige ‘terroristen’. Aan de armoede van de gemiddelde Afghaan veranderde niet veel. Integendeel. De Amerikaanse terroristenjacht leidde niet zelden tot collateral damage onder onschuldige mensen. Wel ontstond er rond de internationale troepen een oorlogseconomie. Informanten, tolken, bestuurders, bewakers kregen steeds beter door wat de Amerikanen van hen wilden, en dat ze daar goed voor betaald werden.

Kabul, 4 augustus. Tijdens een bomaanslag op het huis van de minister van Defensie, Bismillah Khan Mohammadi, overleden acht burgers. De minister was niet aanwezig © Sayed Mominzadah / Xinhua / ANP

Zij werden voor de Amerikanen de ‘good guys’ die meer werden vertrouwd dan de rest. Daarbij hadden de Amerikanen nauwelijks oog voor de eigen agenda’s van deze mensen. Omdat er vaak simpelweg geen terroristen waren, maar wel interesse in de hoge premies voor terroristen, stimuleerde dit veel aangiften. In de behoefte van de Amerikanen om zich te wreken was de drempel om iemand als terrorist te beschouwen erg laag. De bestuurders wisten zich snel aan te passen aan wat de Amerikanen wilden en de waarheid zo te draaien dat ze konden meeprofiteren van de jacht op de zogenaamde vijand. Je hoefde de Amerikanen maar te zeggen ‘daar zit er een’ en ze gingen erop af. Vaak waren de slachtoffers van ‘false reporting’ concurrenten in diezelfde oorlogseconomie, in plaats van Taliban of al-Qaeda.

Ex-officier Mike Martin beschreef dit proces van binnenuit, als cultureel adviseur en Pasjtoe-spreker van het Britse leger. Ook hij zag hoe de Britten ten strijde trokken tegen vermeende Taliban, terwijl hij constateerde dat het rivalen van de tipgever waren. Verblind door hun obsessie met de Taliban zagen de Britten niet dat ze zich lieten gebruiken door de profiteurs van de oorlogseconomie.

In zijn boek The Intimate War beschrijft Martin dit mechanisme als een historisch patroon. Ook in de negentiende eeuw intervenieerde Engeland militair in Afghanistan zonder oog voor de dynamiek van lokale belangen. Ook toen verloren de Britten de strijd. En volgens Martin gebeurde hetzelfde tijdens de Koude Oorlog, toen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie hun ideologische strijd in Afghanistan uitvochten.

Het zou dan ook niemand moeten verbazen dat de Taliban na een afwezigheid van ongeveer vijf jaar weer terugkeerden. Rond 2005 begonnen ze zich weer te organiseren. Taliban vertelden me hoe gemakkelijk het was om nieuwe groepen Afghanen te rekruteren. ‘We hoefden eigenlijk niets te doen, het verzet kwam als paddenstoelen uit de grond.’ Daarmee kwam een vicieuze cirkel op gang waarin steeds meer internationale troepen naar Afghanistan werden gestuurd om de groeiende Taliban te pareren. En zo kregen de Amerikanen alsnog de vijand die ze wilden.

Het is dezelfde vijand waarvoor de Amerikanen nu na een jarenlange strijd op de vlucht slaan. Ondanks vele honderden slachtoffers in eigen gelederen maar vooral honderdduizenden onder de Afghaanse burgerbevolking hebben de Amerikanen en hun bondgenoten in deze war on terror niets bereikt, alle bezweringen van president Joe Biden ten spijt. De waarheid is dat waarschijnlijk alleen de Taliban kunnen voorkomen dat Afghaans grondgebied ooit weer als uitvalsbasis voor een terreurdaad à la 9/11 zal worden gebruikt.

Intussen lijkt de kans op een verzoenende houding van de Taliban een stuk kleiner dan na hun genegeerde overgave in 2001. Er waren de afgelopen weken veel gruwelijke berichten over wraakacties tegen mensen die met ook maar de geringste dienstverlening aan de internationale troepenmacht konden worden geassocieerd. Twee decennia oorlogsgeweld waarin ontelbare onschuldige Afghanen werden gedood of voor het leven verminkt zijn geraakt, zorgden voor een nieuwe generatie Taliban-strijders die er niet voor terug lijkt te deinzen dat leed met gelijke munt te betalen.

Ik schrijf deze zinnen met tranen in de ogen. Natuurlijk zijn het in de eerste plaats de Amerikaanse regering en haar internationale bondgenoten de zich na 9/11 lieten leiden door wraakzucht en blind van woede van Afghanistan een strijdtoneel maakten zonder enige compassie met of kennis van de geschiedenis, cultuur of de eeuwenoude dagelijkse gewoonten van de bevolking. Maar mijn jarenlange journalistieke betrokkenheid en aanwezigheid op dat strijdtoneel heeft me ook steeds weer gedwongen te vragen naar de rol die de internationale media, en dan vooral de grote Amerikaanse en Europese persbureaus, televisiestations en kranten, hebben gespeeld.

Want wat als zij al die jaren de bronnen voor hun oorlogsverslaggeving wat minder eenzijdig bij de generaals en diplomaten en andere vertegenwoordigers van de war on terror hadden gezocht? Wat als ze wat vaker de moeite hadden genomen met de altijd bereidwillige Afghanen te spreken die hun hadden kunnen laten zien dat hun land zoveel meer was dan een broedplaats van terroristen? Wat als zij de aanwijzingen dat de Taliban zich al heel snel hadden overgegeven wel serieus hadden genomen en tegenover de internationale war on terror de kansen van een binnenlandse Afghaanse politieke agenda hadden onderzocht die erop gericht was de verslagen Taliban in te sluiten en de vluchtende al-Qaeda-strijders te isoleren? En wat als in die internationale media in die eerste jaren niet elke aanslag in Afghanistan automatisch aan de Taliban was toegeschreven, zonder lokale bronnen naar de werkelijke toedracht te vragen?

Wat de internationale pers heeft gedaan, lijkt veel op de Nigeriaanse geschiedenis die Chimamanda Ngozi Adichie tot zich nam toen ze jong was. De westerse nieuwsconsument kreeg eenzelfde ‘single story’ te lezen. Ngozi Adichie waarschuwt dat ‘stereotyping’ alle waardigheid wegneemt van de mensen. Stereotypering benadrukt hoe verschillend we zijn en niet hoe gelijk. Het drijft mensen uit elkaar, het creëert misverstand en conflict. Als er één land is dat dit nu ervaart, dan is het Afghanistan.


Van 2009 tot 2014 werkte Bette Dam als journalist in de Afghaanse hoofdstad Kabul. In 2019 publiceerde ze Op zoek naar de vijand*, waarin ze verslag doet van haar speurtocht naar Taliban-leider mullah Omar. Op dit moment werkt ze als docent aan Sciences Po in Parijs en doet ze promotie-onderzoek aan de Vrije Universiteit in Brussel*