Het Groene-debat over geweld

Pasend geweld

Terwijl de geweldstatistieken dalen, roept de burger om meer bescherming en de politie om meer bevoegdheden. Wat mankeert ons eigenlijk? In een scherp Groene-debat laten vier betrokkenen hun licht schijnen over passend geweld in Nederland anno 2000. ‘Zo’n Van der Aa, die zouden we eens op zijn bek moeten slaan.’

‘HET STERFT VAN de wapens in Amsterdam. Daarom is zo’n inzamelingsactie geweldig, maar…’


‘Ach Jelle, hou toch op.’


‘…maar vooral symbolisch.’


‘Die inzameling stelt niks voor. Echt, dat is fetisjisme.’


‘Dat zeg ik, Frits; het is symboliek.’


‘O, dus we zijn het eens!’


Terwijl de hoogleraar joviaal op zijn schouder slaat, steekt de korpschef nog een Caballero zonder filter op. Een tevreden glimlach rimpelt om zijn mond. Het is niet de eerste keer dat hij de gevreesde linkse van Christiaan Frederik ‘Frits’ Rüter pareert. In 1989 bracht de hoogleraar strafrecht (UvA) een geruchtmakend rapport uit over wangedrag van de Amsterdamse politie. Jelle Kuiper, toen nog commissaris, diende hem krachtig van repliek. Maar in de loop van ons gesprek over geweld, strafrecht en de aanzwellende roep om meer bevoegdheden voor de politie blijken hun standpunten soms dicht bij elkaar te liggen.


Plaats van handeling is café Havelaar in de Amsterdamse Voetboogsteeg, in het hart van de ‘geweldvrije zone’, tegenover de plek waar Joes Kloppenburg op 17 augustus 1996 werd doodgeslagen. De locatie ontlokt de deelnemers opvallend weinig commentaar. De term ‘zinloos geweld’ valt niet één maal. Toch voelt Hubert Smeets (43), geboren Amsterdammer en voormalig correspondent in Rusland voor NRC Handelsblad, zich hier onveiliger dan in Moskou.


Smeets: ‘Het is een psychologische kwestie. Natuurlijk ben ik in Moskou wel eens in elkaar geslagen, net als in Amsterdam. Maar in Moskou was wel sociale controle en je kon er altijd iets bereiken met humor. Toen ik in 1994 terugkwam in Amsterdam miste ik dat. Het lijkt of overal geweld schuilt, het is niet meer zichtbaar waar het vandaan komt.’


Kuiper: ‘Gisteren zag ik op Teletekst weer zo’n serie incidenten voorbijkomen: een steekpartij op school, iets in een trappenhuis, een benzinestation. Vroeger had je ongure plekken waarvan je zelf kon uitmaken of je erheen wilde gaan, nu niet meer. Het gekke is dat de gevoelens van onveiligheid toenemen, terwijl het geweld in mijn regio al acht jaar achtereen afneemt. Bij sommige onderzoeken naar veiligheid ligt het antwoord natuurlijk besloten in de vraag. En de uitslag beïnvloedt weer de manier waarop burgers over veiligheid denken.’


Coskun Cörüz, jurist en gemeenteraadslid in Haarlem (CDA), vindt dat Kuiper de burger tekortdoet. Cörüz: ‘Wij hebben ook keiharde politiegegevens waaruit blijkt dat de criminaliteit in bepaalde wijken afneemt. Toch hoeft er maar íets te gebeuren, bijvoorbeeld een beroving in een seniorenwoning, en alle ouderen voelen zich op slag onveilig. Die gevoelens mag je niet bagatelliseren. Mensen zijn bang omdat ze maatschappelijke verbanden zien verdwijnen. Op straat hoef je niet meer op hulp van je medemens te rekenen. Onze normen vervagen. Toen ik gastdocent in Japan was, stonden de fietsen voor de universiteit niet op slot. Dat zou in Amsterdam onmogelijk zijn. En hoe kan dat? Omdat men in Japan nog leert dat je van elkaars spullen afblijft.’


Kuiper: ‘Toen ík in Japan was, ben ik ternauwernood ontsnapt aan een aanslag met sarin-gas in de metro. Als ik mag kiezen, heb ik liever dat ze mijn fiets jatten.’


Rüter: ‘De overheid heeft het gevoel van onveiligheid aangewakkerd. We hadden jarenlang een minister van Justitie van het CDA, Hirsch Ballin, die riep dat het hier vreselijk was. Dat zo’n man een gestoorde relatie met de werkelijkheid heeft is tot daaraan toe, maar als hij er vervolgens niets aan kan doen, kan hij beter zijn mond houden. Als politici roepen dat het geweld uit de hand loopt, voelen burgers zich vanzelf onveilig.’



DE CONCRETE AANLEIDING tot het debat is dat Kuiper in zijn nieuwjaarsrede vroeg om nieuwe bevoegdheden. Andere korpschefs gingen veel verder en kwamen met wilde eisen of plannen om kindagenten de straat op te sturen. In Amsterdam is de politie gewend na te denken alvorens iets te roepen. Waarom wil Kuiper meer bevoegdheden terwijl de misdaad afneemt? Kuiper: ‘Mensen kunnen steeds minder leven met tegenslagen. Er mogen geen vliegtuigen meer uit de lucht vallen, een millenniumbug mag niet bestaan. In het maatschappelijk verkeer accepteren we minder dan vroeger dat problemen niet worden opgelost. Welnu, als je met bepaalde verschijnselen zoals wapenbezit niet meer wilt leven, kun je niet zomaar tegen ons zeggen: “Doe er eens wat aan.” Er is een verhouding tussen onze kans op succes en de mogelijkheden die je ons biedt. Dus moet je nieuwe controlemogelijkheden bedenken en afwegen tegen andere belangen zoals privacy. Maar dat is niet mijn hele verhaal. Ik zie ook systeemfouten in de strafrechtelijke keten. In mijn regio is de recidive vijftig procent.’


Rüter: ‘Dat is geen fout in de strafrechtelijke keten.’


Kuiper: ‘Als je mensen straft en het blijkt niet te helpen, dan mag je toch van een fout in de strafrechtelijke keten spreken.’


Rüter: ‘Het strafrecht kán niet zo veel. Het werkt zelden preventief. Dat is geen fout, dat is een beperking die inherent is aan het systeem. De narigheid is dat mensen denken dat die beperking verdwijnt als je er meer agenten en bevoegdheden inpompt. Het strafrecht pakt enkel normen uit de maatschappij op, zoals “Gij zult niet doden”. Als door omstandigheden de kracht van de norm afneemt, kan het strafrecht die niet in ere herstellen.’


Kuiper: ‘Dat ben ik niet met je eens. De norm bestaat bij de gratie van het feit dat je hem bewaakt.’


De laatste tijd opperen juristen dat het strafrecht die taak wel móet overnemen omdat instituties als gezin, kerk en school geen normen meer opleggen. Kuiper is het daarmee eens. Rüter veert op: ‘Een geschifte opvatting. Het strafrecht is geen primair handhavingsmechanisme. Dat zou betekenen dat je iemand een fiets geeft en zegt: Houd die raceauto bij!’


Kuiper: ‘Maar het is waar dat allerlei structuren wegvallen. Het ouderlijk gezag neemt af, het toezicht op school ook, maar onze normen zijn niet veranderd. Net als veertig jaar geleden vinden we nog steeds dat je niet in elkaar moet prikken. Hoe vang je het gebrek aan controle dan op?’


Cörüz: ‘De normen verschuiven wel degelijk. Tegenwoordig staan omstanders erbij te kijken en doen niks.’


Kuiper: ‘Het is maar de vraag of het vroeger anders was. Ik denk dat Nederlanders zich veertig jaar geleden op straat niet normerender gedroegen dan nu.’


Rüter: ‘Het strafrecht is het noodzakelijke gevolg van ons besluit om de misdaadbestrijding over te laten aan de overheid. Het zorgt ervoor dat de overheid niet zomaar alles mag. De mannen van Kuiper doen elke dag wat God verboden heeft: ze nemen dingen af, ze nemen mensen mee, ze gebruiken geweld. Zolang ze zich aan de regels houden, genieten ze de bescherming van de wet, maar ze mogen de regels niet oprekken. Tijdens die fouilleeractie in de Millinxbuurt is het Rotterdamse korps aan grote risico’s blootgesteld. De actie was onrechtmatig, alle betrokkenen wisten het. Als ik zo’n ambtenaar die mij tegenhoudt en wil fouilleren, met passend geweld verwijder, dan zit ik goed en zit hij fout. En als hij ongelukkig ten val komt, is dat een uitvloeisel van het feit dat hij onrechtmatig bezig is. Denk maar niet dat die ziektekosten vergoed worden.’


Kuiper (lachend): ‘Dat is een zwaar overdreven voorstelling.’


Rüter: ‘Als hotemetoten onrustig worden omdat ze een buurt jarenlang hebben laten gettoïseren onder leiding van de huidige minister van Binnenlandse Zaken, destijds burgemeester van Rotterdam, en ze kiezen voor een onrechtmatige aanpak, dan hoort een korpschef zijn mensen daar niet aan bloot te stellen. De gevolgen blijven namelijk altijd aan de politie hangen. Dat hebben we gezien in de IRT-affaire. Jullie hebben de vruchten geplukt van het feit dat Amsterdam toen zei: wij doen niet mee.’


Kuiper: ‘Daar hebben wij mooie vruchten van geplukt, dat is waar.’


Rüter: ‘Omdat je “nee” hebt gezegd.’


Smeets: ‘Maar zo komt de politie in een onmogelijke positie. Het politieke en justitiële gezag heeft die Millinxbuurt-actie gestart onder het motto: ook al verliezen we, dan winnen we toch. Als we in de rechtszaal verliezen, hebben we een politiek verhaal en als we winnen, hebben we een juridisch verhaal. Stel dat de Rotterdamse politie haar medewerking had geweigerd. Dan had iedereen geroepen: sinds wanneer maakt de politie de dienst uit?’


Rüter: ‘Maar het bevoegd gezag kan de politie niet dwingen de wet te overtreden.’


Smeets: ‘Het probleem ligt bij het openbaar bestuur dat op alle borden tegelijk schaakt en geen verantwoordelijkheid wil dragen. Op tal van terreinen zie je dat politici hun verantwoordelijkheid overlaten aan de rechter. De wetgever is niet in staat te formuleren wat hij wil, en wacht op tweede-kanswetgeving door de rechter.’



RÜTER TWIJFELT NOG steeds aan Kuipers recept. Veel straatgeweld kan worden aangepakt met de huidige bevoegdheden.


Rüter: ‘Elk weekeinde wanneer de kroegen op het Rembrandtplein uitgaan, heb je daar het getierelier in de glazen. Welke extra bevoegdheden heb jij nou nodig? Die mensen zijn starnakelbezopen, en openbare dronkenschap is nog altijd een heterdaadje.’


Kuiper: ‘Tegenwoordig moet je wel ontzettend dronken zijn om onder het strafrecht te vallen. Dronkenschap is een medisch probleem, daar komt een dokter aan te pas, aangepaste cellen. Ik voel mij tegenwoordig buitengewoon onhandig met dronken mensen.’


Rüter: ‘Je wilt gewoon niet met lastige klanten worden opgezadeld.’


Kuiper: ‘Wij moeten die mensen overdragen aan hun eigen zorgkader, sta je daar wel eens bij stil?’


Smeets: ‘Hun wat?’


Kuiper: ‘Hun eigen zorgkader.’


Rüter: ‘Ja, dat zorgkader werkt natuurlijk van negen tot vijf en maakt een lunchpauze van twee uur. Maar jij hoeft die dronken mensen niet te verzorgen. Je haalt ze van straat omdat ze rotzooi trappen.’


Kuiper: ‘Wacht even, Frits, nou rek je zelf de wet op. Dronkenschap is in dit land geaccepteerd. Ik kan je de aanschrijvingen van Justitie laten zien: “Het is niet de bedoeling dronken mensen te criminaliseren.” Heus, als je bepaalde problemen op straat wilt aanpakken, dan moet je meer “Vermeend” in het strafrecht stoppen. In het belastingrecht is men voortdurend bezig ongewenste nevenverschijnselen te tackelen met regelgeving. Als je als wetgever wilt dat bepaalde problemen worden opgelost, dan moet je met beweeglijke regelgeving komen.’


Rüter: ‘Maar als het strafrecht niks oplost, kun je dat net zo goed laten.’


Kuiper: ‘Wat is het alternatief? In de driehoek van politie, justitie en bestuur blijkt telkens dat de bestuurder moeite heeft maatschappelijke problemen aan te pakken. Bestuurders kunnen eindeloos filosoferen over de oorzaken van criminaliteit. Het heeft te maken met achterstand, met normvervaging, gebroken gezinnen, van alles en nog wat. Voordat we dat opgelost hebben, duurt het wel even. Intussen wordt er in zo’n Millinxbuurt elke dag geschoten. Wat moet je daaraan doen? Of neem nu Osdorp. Daarvan weten we dat het binnen vijf jaar een probleemwijk wordt, dat zie je aan de leeftijdsopbouw.’


Cörüz: ‘Als je dat nu al weet, dan moet je investeren in die wijk.’


Kuiper: ‘Natuurlijk, maar wie doet dat? Onze wethouder Van der Aa ziet dat de schooluitval verdubbelt en wat doet hij? Hij zegt: daar ga ik niet over en ik lig er niet wakker van. Dan zie ik aankomen dat de politie straks weer de laatste remedie is.’


Smeets: ‘En waarom zegt Van der Aa dat? Omdat Van der Aa niet één school meer bestuurt. Alles is gedecentraliseerd en uit handen gegeven.’


Cörüz: ‘Dat hebben we zelf gewild.’


Smeets: ‘Natuurlijk, we hebben jarenlang op verkeerde partijen zoals de jouwe gestemd. Het gevolg is dat het laatste restje maatschappelijke maakbaarheid op de schouders van de politie rust.’


Rüter: ‘De verwachtingen ten aanzien van strafrecht en politie stijgen tot gigantische hoogte. Dat verhindert dat de verantwoordelijkheid wordt gelegd waar hij thuishoort. Wat er eigenlijk zou moeten gebeuren is dat we zo’n Van der Aa eens goed op zijn bek slaan. Volgens mij is dat passend geweld.’



DE STEMMING ZIT erin, maar de enige politicus in het gezelschap laat zich niet kisten. Cörüz: ‘Jullie accepteren veel te makkelijk dat mensen wapens dragen. Moeten we dan hekken om het Rembrandtplein zetten?’


Kuiper: ‘Dat gebeurt al in het uitgaanscentrum van Eindhoven.’


Cörüz: ‘Ik wil naar een voortraject waarin het niet zo is dat mensen met een wapen lopen. Als politicus moet ik vijftien jaar vooruitkijken. Ik zie een enorme verruwing in de samenleving en dáár wil ik iets aan doen. Ik wil een discussie over waarden en normen, over wat er in gezinnen gebeurt, over geweld op tv.’


Kuiper: ‘Als jij aan de slag gaat, levert dat over vijftien jaar vast en zeker een betere samenleving op. Intussen zit ik met problemen die vijftien jaar geleden zijn ontstaan.’


Rüter: ‘Meneer Cörüz, dat voortraject van u is buitengewoon veelbelovend en buitengewoon vaag. Wie weet — god staat voor niets, zeker in uw partij — komt er iets van terecht. Intussen is het buitengewoon onprettig om tegen de politie te moeten zeggen: “Doet u maar niets”.’


Kuiper: ‘Als alles mislukt, kijkt men namelijk weer naar ons. Heus, ik zou geen extra bevoegdheden vragen als men die eisen niet zou stellen. Ik heb te maken met een overheid die meer veiligheid voor haar gulden eist en de rekening bij mij neerlegt.’


Rüter: ‘Laten we een proefje doen. Jelle, welke bevoegdheden wil jij er precies bij hebben? Laten we ze opsplitsen naar de twee soorten strafrecht die we hebben. Het materiële strafrecht bepaalt welk gedrag strafbaar is, het formele strafrecht bepaalt hoe de overheid dat gedrag moet aanpakken. We beginnen bij het materiële. Wat moet er vandaag strafbaar worden gesteld zodat jij beter kunt werken?’


Kuiper: ‘Eigenlijk alleen het bezit van slag- en steekwapens. We zijn in Nederland heel streng op vuurwapens, maar bij zo’n inzamelingsactie gaat het nota bene om allemaal legale spullen. Dan zeg ik: als we bezwaar hebben tegen het bezit daarvan, stel het dan strafbaar.’


Rüter: ‘En welke formele bevoegdheden mis je om het geweld op straat te kunnen aanpakken?’


Kuiper: ‘Geen. Ik zou alleen meer controlebevoegdheid willen voor een beperkte plaats en tijd — daar waar explosieve emotionaliteit en wapenbezit bij elkaar komen.’


Rüter: ‘Dus alles wat jij wilt, is een noodverordening voor een beperkt gebied en een beperkte tijdsduur. Ik denk inderdaad dat we zoiets dringend nodig hebben, mits de overheid er zeer terughoudend mee is. Ten eerste omdat zulke controles agressie oproepen en ten tweede omdat ze worden gebruikt om verdachten te pesten. Als een agent aan het kortste eind trekt, gaat hij zijn bevoegdheden namelijk oneigenlijk gebruiken. Hij mag, zeker als er publiek omheen staat, voor zijn gevoel niet verliezen.’


Cörüz: ‘Als we Kuipers benadering overnemen, wordt Nederland op den duur één groot noodgebied. Hij verplaatst de problemen.’


Kuiper: ‘Nee, ik zeg alleen: als je geen wapenbezit wilt, stel ons dan in staat op bepaalde plaatsen en tijdstippen te controleren. Daarmee verplaats je de narigheid niet naar andere delen van de stad. Je haalt alleen op plekken waar emoties, dronkenschap en wapens bij elkaar komen die beroerde wapens weg. Dan gaan ze ouderwets op de vuist en daar weten wij wel raad mee.’


Cörüz: ‘Maar waarom dragen mensen die wapens? Dat is een kwestie van normen. Uit onderzoek blijkt dat er een relatie is tussen religiositeit en de mate waarin mensen de wet overtreden. Mensen met een religieuze achtergrond scoren laag op de criminaliteitslat.’


Kuiper: ‘Als je kijkt naar fraude of incest, dan weet ik dat zo net niet. Het is heel gevaarlijk om te denken dat één groep meer of minder criminogeen is dan een andere.’


Cörüz: ‘Ik constateer dat mensen die serieus met hun geloof bezig zijn bepaalde normen en waarden in hun dagelijks leven hanteren.’


Rüter: ‘Dat is mooi meegenomen, maar het aantal mensen dat nog bij een geloofsrichting hoort is vrij gering.’


Cörüz: ‘Juist, die verbanden zijn weggevallen.’


Rüter: ‘Het feit dat de geweldbereidheid toeneemt, kan wel eens te maken hebben met het feit dat we dicht op elkaar leven.’


Smeets: ‘Maar ook met het feit dat de individuele maakbaarheid in het zenit staat. We denken dat alles realiseerbaar is, dus als je iets niet kunt realiseren, is dat je eigen schuld. Succes is een morele categorie geworden. Mensen die falen, moeten hun succes op een andere manier afdwingen. Het trefwoord is “respect”. En “respect” betekent tegenwoordig geweld.’



EÉN DING WORDT gaande het debat duidelijk: de calculerende overheid treft minstens zo veel blaam als de calculerende burger. Kuiper: ‘Als je ziet dat het schoolgeweld in Amsterdam verdubbelt, vind ik het opmerkelijk dat organisaties die daar vroeger iets aan deden te klein zijn geworden. We hebben het geld er niet voor over.’


Smeets: ‘Intussen privatiseren we het GVB, we verzelfstandigen de NS en we laten de onderwijsinspectie zich alleen bemoeien met de leerlingenadministratie vanwege de inkomsten. We hebben de hardware van de staat afgeschaft. Dat draai je niet zomaar terug.’


Kuiper: ‘Het heeft weinig met privatisering te maken. Het zit hem in de manier van denken. Tegenwoordig denken bestuurders dat alles rendabel moet zijn. Nu gaat de NS weer het personeel op kleine stations vervangen door automaten. Dat is vragen om agressie.’


Rüter: ‘We dachten de controlemogelijkheden uit onze jeugd te kunnen missen omdat iedereen toch wel netjes in de pas zou blijven lopen. Als we nu miljarden teruggeven aan mensen die het niet nodig hebben, terwijl we verzuimen die controles weer in te stellen, dan zijn we in dit schatrijke land op ons achterhoofd gevallen.’


Kuiper: ‘Waarom duurt het zo lang voordat GVB-directeur Testa die poortjes voor de metro installeert? Omdat het tien miljoen kost. En dan het gezanik dat je met een strippenkaart niet meer in de metro terecht kunt. Waarom zoekt de politiek daar niet een oplossing voor?’


Cörüz: ‘Dat verbaast mij ook.’


Rüter: ‘Omdat het vele malen goedkoper is om Jelle een noodverordening te geven dan meer controle op straat te brengen.’


Kuiper: ‘Ook de reclassering is iets anders gaan doen. Ik weet niet wat ze doet, maar wie nu uit de gevangenis komt, staat ontheemd in de samenleving. Vroeger besteedden we aandacht aan zo iemand, maar welzijnswerkers hebben tegenwoordig als hoofdtaak het verwerven van subsidie.’


Cörüz: ‘Die uitspraak slaat nergens op.’


Kuiper: ‘Kom nou toch! Ze worden projectgefinancierd. En het maakt niet uit of hun projecten iets opbrengen, dat is toch niet meetbaar.’


Cörüz: ‘Dat wordt wel degelijk gemeten.’


Rüter: ‘Geen sprake van. Het is een verwilderde groep subsidie-eters die van half tien tot half vijf in een kantoor rondhangt. Ook al zitten er vast een paar goeden tussen.’


Kuiper: ‘Wij hebben in dit land controlesystemen wegbezuinigd en nu gaan we ze vervangen door camera’s, de allerslechtste oplossing. Er is niets zo pro-actief als de aanwezigheid van mensen, en wat doen we? We zetten de diender achter een beeldscherm.’


Smeets: ‘En waarom zijn die controlesystemen afgeschaft? Omdat hun rendement per definitie lager is dan het rendement van het Emergent Market Fund van ING. De overheid denkt in rendementstermen.’


Rüter: ‘Nee, ze zijn afgeschaft omdat we dachten dat de mensheid blijvend beter was geworden. En nu we ontdekken dat ze toch nodig waren, hebben we het geld er niet voor over. We schuiven risico’s af. Het GVB schuift zijn verantwoordelijkheid door naar de politie of naar die rare interventiejongens. Albert Heijn slaat het risico hoofdelijk om over zijn klanten. Maar er zijn weer ouderwetse controles nodig om de mensen die uiteindelijk de norm moeten neerzetten, de ouders, te ondersteunen. Dan heb ik het niet over fouilleren, maar gewoon iemand die erop let dat je niet in een park staat te pissen.’


Kuiper: ‘Daar kleeft niets Stasi-achtigs aan, terwijl ik dat gevoel wél krijg van camera’s op de openbare weg. Ik snap niet dat we ons daardoor niet in onze privacy voelen aangetast, maar wél door een agent die op bepaalde plekken en tijdstippen in iemands zak kijkt.’


Smeets: ‘De hamvraag is of u, als u die paar bevoegdheden krijgt, niet gaat aandringen op nog meer bevoegdheden.’


Kuiper: ‘Die spiraal wil ik juist voorkomen. Stel dat het EK 2000 uit de hand loopt. Als korpschef blijf ik volhouden dat het één groot feest wordt, want ik wil geen rampen over me afroepen. Maar als ik niet tijdelijk extra bevoegdheden krijg, dan liggen de compensatiemodellen al klaar. Er komen controle-ringen rond de stad. Daar wordt de douane bijgehaald, want die heeft bevoegdheden die ik niet heb. En de rijksdienst voor het wegverkeer, want die mag weer iets wat de douane niet mag.’


Rüter: ‘Jelle, doe er niet aan mee, want je gaat onderuit, net als tijdens de Eurotop.’


Kuiper: ‘Ik moet wel. Daarom vraag ik een noodverordening die niet voor eeuwig in het strafrecht wordt verankerd. Ze wordt gebruikt zolang de gemeenteraad vindt dat er aanleiding toe is en daarna verdwijnt ze weer.’


Cörüz: ‘De kern van de zaak blijft dat de acceptatie van geweld normaal is geworden. Vertel mij eens waarom jullie zelf vroeger geen wapens droegen.’


Kuiper: ‘Omdat mijn ouders dat niet wilden.’


Rüter: ‘Het kwam niet in me op.’


Cörüz: ‘Zijn we dan totaal andere mensen geworden?’


Rüter: ‘Ja, op een of andere manier wel.’


Smeets: ‘En het bestuur laat het afweten. We hebben een wethouder Openbaar Vervoer, Köhler, die over de taxi-oorlog zegt: “Ik doe er niks aan, die wet heb ik niet verzonnen”.’


Kuiper: ‘Een ander verschil met vroeger is dat een politieman niet meer vanzelfsprekend draagvlak heeft. Het feit dat Patijn iets zegt, is niet genoeg. Het feit dat er regels zijn, helpt ook niet. Je moet je eigen draagvlak organiseren.’


Smeets: ‘Maar “draagvlak” is een puur politiek begrip. De korpschef is noodgedwongen politicus geworden.’


Kuiper: ‘En organiseer je dat draagvlak niet, dan schoppen zelfs oudere omstanders je in je rug. Cörüz heeft gelijk dat mensen zich afzijdig houden, maar niet wanneer de politie optreedt. Als agenten een boef pakken en ze hebben het even niet goed gezien, dan moeten die dienders voor hun leven knokken.’


Smeets: ‘Maar dat draagvlak zouden bestuurders moeten creëren. Dit is een buitengewoon pijnlijke diagnose van ons openbaar bestuur.’


Kuiper: ‘Dat is het inderdaad.’