Ger Groot

Pasmunt

Letters zijn de pasmunt van de schrijver. En toch, zo betoogde Hans Maarten van den Brink afgelopen maandag in zijn Kellendonk-lezing, «dient de zintuiglijke ervaring en zelfs de literatuur er af en toe van te worden bevrijd». Zijn voordracht was een verborgen discussie met Mystiek lichaam, Kellendonks laatste roman, die wegens vermeend anti semitisme fel werd aangevallen. Op dat verwijt ging Van den Brink niet in, al stond hij ongewild aan de bron ervan. In een interview, vlak voor verschijnen van deze symboolzwangere roman, had hij de schrijver toelichting gevraagd. Met diens voorkomende zelf- exegese waren de beren los geweest.

Het debat is geschiedenis, maar niet Van den Brinks kritische vraag of Kellendonk door een overmaat aan beeldspraak zelf geen interpretatieoorlog over zijn boek afriep. Had hij «zich niet moeten bevrijden uit het web dat hij van symbolen zo goed weven kon»? Van den Brink meent van wel: «Ik denk dat het woord zich in dienst moet durven stellen van het beeld.» Dat wil zeggen: van de directe zintuiglijkheid.

Daarmee lijkt Kellendonk, die zich in zijn meditaties over Vondels Altaergeheimenissen al danig katholiek gecharmeerd had betoond, door zijn commentator alsnog rooms te zijn ingehaald. Net als in diens boek Geschilderd eten speelde het dogma van de transsubstan tiatie de afgelopen maandag een hoofdrol. Het woord moet vlees worden, aldus Van den Brink, en dat is méér dan een spel met teksten en symbolen.

Dat brengt een schrijver direct in moeilijkheden. Hoe maakt hij werkelijkheid van woorden, het enige materiaal waarover hij beschikt? De taal moet in het schrijven en het lezen oplossen om plaats te maken voor iets anders, dat echter heet te zijn. Zo’n bovenmenselijke opgave redt het niet zonder theologie.

Kellendonk moet dat werkelijkheids verlangen ook zelf hebben gevoeld. Broer Leendert is in Mystiek lichaam een gewezen kunstrecensent voor wie mooi synoniem is met echt, door hem steevast omschreven als «onbeschrijflijk» en «onbetaalbaar». Dus niet beschreven; wanneer het erop aankomt, verdampt de taal én de maat van het geld. Broer zelf ziet dat maar half. Van criticus wordt hij kunstspeculant, totdat ook deze windhandel vervluchtigt. Berooid ontdekt hij wat zijn zus al eerder hun aartsgierige vader toevoegde: «Geld heeft geen waarde; het drukt die hoogstens uit.»

Een eeuw geleden vergeleek Anatole France taal al met pasmunt en hij was bij lange na de eerste niet. Woorden circuleren en slijten daarbij even hard af als ze rijkdom genereren. Hun betekenis wordt een cliché maar hun associaties worden almaar overvloediger. Het resultaat is de schat van idioom en literatuur inéén, maar een katholiek heimwee blijft terugverlangen naar een oudere economie, waarin nog niet alles monetair inwisselbaar was. Het wil niet langer tekens of symbolen maar grondstof en bruto ervaring.

Of er zoiets bestaat als een nog niet door woorden te gelde gemaakte werkelijkheid wordt door filosofen op goede gronden betwijfeld. Maar het verlangen ernaar blijft. De schrijver die toegeeft aan dat contra reformatorische verzet tegen het alleenzaligmakende Woord stuit niet alleen op de literair-theoretische argwaan van intertekstualiteit en Schriftuur. Hij maakt zich willens en wetens tot een woekeraar in syllabes waarvan hij de waarde slechts ontleend weet aan iets wat onnoembaar blijft. Onbetaalbaar blijft de ervaring; de literatuur vormt daarvoor een schamel Ersatz.

En toch schrijft hij. Als een literaire oplichter verkoopt hij zijn woorden voor echt en geeft hij papier uit voor het volle leven. Ook Van den Brink gaat die hang tot compromisloos realisme ten slotte te ver. Wie levensechtheid zoekt, gaat beter direct de straat op, zo valt hij Kellendonk bij. Manicheïsme eindigt ook in de literaire economie nu eenmaal in ketterij. Óf-óf is een protestantse koppigheid die haar eigen fictie voor de waarheid aanziet.

Het woord moet vlees worden, maar houdt daarmee niet op woord te zijn. De schrijver woekert en schept meerwaarde, maar blijft een godgewijde schrijver. Stof en betekenis zijn niet gescheiden: dat is — zegt Van den Brink — de betekenis van transsubstantiatie. Oprecht én geveinsd ontwaren katholieken in die windhandel al sinds eeuwen hun heilzaamste sacrament. Het brood wordt lichaam, wanneer het door de priester in de mis wordt opgelicht.