Zomerschrijvers: Op naar Emmen

Paspop met roze polo

In Emmen loop je zo van de Hypotheker naar de dierentuin. Of De Vlinder, ‘het grootste overdekte winkelcentrum van Noord-Nederland’. En tóch is Emmen uitgeroepen tot minst prettige grote gemeente van Nederland.

Medium hh 17138387

‘Emmen ligt vlak bij Moskou. En sinds de val van de Muur zijn er wel wat miljardairs bij gekomen, daar in Rusland, maar weinig vrouwen, hoor. En het blijft ver weg, amper Europa. In ieder geval niet Nederland.’

Enthousiast is mijn vriend Jan niet te noemen.

Het blijkt mee te vallen: Emmen ligt gewoon in Drenthe, volgens Google Maps op 188 kilometer van Amsterdam. Dat is zo’n twee uur rijden, afhankelijk van het verkeer.

‘Bovendien gaat het morgen regenen. Ik heb geen zin daarna de natuur in te gaan.’

Ik ga dus in m’n eentje.

Het regent niet. Nog niet. Wel hangt er een nevel boven het land vlak buiten de stad, en is de lucht grijs. De flatgebouwen van Diemen zijn slecht zichtbaar. Tot en met het Gooi luister ik naar Radio 1. Prins Willem-Alexander schaamt zich ervoor dat hij op Koninginnedag met een wc-pot heeft gegooid. De organisator van het wc-pot gooien krijgt de gelegenheid te reageren. Hij heeft niets gemerkt van schaamte bij de prins. ‘Het was puur enthousiasme. Maar dat werd ook mede door zijn broers ingegeven.’

‘Maar goed, even naar de inhoud’, zegt de presentator. ‘Begrijpt u iets van zijn schaamte achteraf, als waterprins?’

Ik besluit wat muziek op te zetten.

Arkemheen, Eemland. De afrit Eembrugge. Hier begint het ‘echte’ Nederland, het open land met vee erin. Gigantische boerderijen met graansilo’s. Weilanden met schapen. Aan het water langs de snelweg zitten vissers in hun tentjes. De achterkleppen van hun auto’s open. De laatste weilanden en visvijvers van Nederland zullen langs de snelweg liggen, omdat dat de laatste plek is waar mensen willen wonen.

Ja, ik vind Nederland vol. Sinds een jaar of tien mag je dat niet meer zeggen, omdat idioten het ook zeggen, maar idioten bestellen ook brood bij de bakker, en daar heb ik de intellectuelen niet mee horen ophouden. Bovendien: met een bevolkingsdichtheid van vierhonderd mensen per vierkante kilometer is Nederland ook vol (we staan wereldwijd op plaats 27, enkele eilanden, stadstaten, Palestina en Zuid-Korea voor ons).

Bij Amersfoort doemen weer de Praxis, de Phone House en de McDonald’s op. Ik neem de A28, richting Nijkerk. Ik haal de eerste jeeps van de landmacht in. Ze zijn onderweg naar ’t Harde.

En, ineens, achter een geluidswal, de woonwijk die daar uit de grond wordt gestampt. ‘Nog enkele appartementen beschikbaar’ staat er in koeien van letters te lezen. Het zijn de eerste koeien die ik vandaag zie.

Het echte Nederland. Woonwijken in de lage landen.

Hierna begint de Veluwe, het grootste natuurgebied van Nederland en het grootste laaglandnatuurterrein van Europa. Een groot deel van mijn familie woont er. Links en rechts staan naalddragende bomen. De middenberm loopt er ook vol mee. Ik rijd over mijn lievelingsstuk snelweg vlak voor en na de afrit richting Elsspeet en Nunspeet – vlak, rechtdoor, goede kleur asfalt, met bomen die het beeld van de tegenliggers ontnemen.

Voorbij Epe, ‘mijn’ afslag, heb ik even het gevoel dat ik in de natuur rijd. Tot een grote opslagplaats voor spoorwegmaterieel verschijnt.

Ik kom bij de afslagen Wezep en Apeldoorn, Kampen, Emmeloord. De industrieterreinen zijn terug in het landschap. Overal is wel cement en staal te vinden, binnen een straal van een kilometer, of dan toch maximaal twee. Wie in Nederland woont, zei mijn grootvader, weet niet wat natuur is. Wat wij natuur noemen zijn parken. Betwiste parken, overbevolkte parken, te veel gebruikte parken: door te veel mensen, met te diep uitgesleten paden. Heel Nederland is een stadspark geworden.

Ik rijd de IJssel over bij Zwolle, twee bruggen aan mijn rechterhand. De eerste is de IJsselbrug, een verbinding tussen Zwolle en Hattem, die in 1947 door ir. Hein Vos, minister van Openbare Werken en Wederopbouw, werd heropend. Er woonden toen nog geen vijftig­duizend mensen in Zwolle. De IJsselbrug was in de oorlog twee keer vernietigd: eerst in 1940, door de Nederlanders, om de Duitsers te stuiten, de tweede keer door de Duitsers, in 1945, om de geallieerde troepen te vertragen. Daarnaast ligt de Hanzeboog, een nieuwe spoorbrug. Zwolle is nu een stad met meer dan 120.000 inwoners en tachtigduizend arbeidsplaatsen. De stad is na Utrecht en Amersfoort het grootste spoorwegknooppunt van Nederland.

Hoge kantoorgebouwen groeten de passant. ABN Amro. Essent. Deloitte. En, iets verderop: Zilveren Kruis|Achmea. De Haan Advocaten. En 120.000 consumenten, dus. Alles wat de ondernemer nodig heeft.

Ik ben in Drenthe. Voor het eerst mag ik 130 rijden. Ommen. Hoogeveen. Assen. Hier lijkt het land weer even leeg. Emmen staat voor het eerst op de borden. Onder Meppe (D). Ik heb er nog nooit van gehoord, Meppe.

Er zijn in Nederland ook zat gemeenten waarvan ik nog nooit heb gehoord. Nederland telt 415 gemeenten. Elk jaar worden de vijftig grootste daarvan met elkaar vergeleken. Dat zijn allemaal gemeenten met meer dan zeventig­duizend inwoners. Emmen stond dit jaar voor de tweede keer op rij op de laatste plaats (nou ja, van de vijftig: er zouden natuurlijk ook andere gemeenten op plek 51 en 52 kunnen staan, maar daar heeft niemand het over). Het is volgens de Atlas voor gemeenten ‘de minst aantrekkelijke grote gemeente van Nederland’, gekeken naar ‘cultuur en culinair aanbod, werk, bereikbaarheid, veiligheid’ en een 35-tal andere punten. Alle media namen het persbericht over. In 2008 werd de gemeente nog verkozen tot ‘beste vrijetijdsgemeente van Nederland’. Hoe dan ook: ik had er natuurlijk wel van gehoord, maar was er nog nooit geweest, Emmen.

De vroegste vermelding van Emmen staat op een oorkonde van een zekere bisschop Andreas, uit 1139: ‘Een hof te Emne’. ‘Empne’ werd ook wel gezegd. Het woord betekende wellicht ‘de vlakte’ of ‘het lage land’.

Op de rondweg van Emmen begint het zacht te regenen. Ik rijd langs een groot bord: ‘Delftlanden. De nieuwe woonwijk van Emmen’. Het wordt de achtste grote woonwijk rondom Emmen. Weer een weiland dat verdwijnt. Een open plek die wordt ingevuld. Nederland als een onderneming: groeien, groeien, groeien. En wat parken ter verstrooiing.

Even later staat er langs de weg een kleiner bord. ‘Welkom in Emmen!’ Met een uitroepteken ja, zoals er duizenden van dit soort welkomstborden zijn in Nederland.

Ik rijd door Noordbarge. Geen rijen nieuwe of nostalgische nieuwbouw, maar mooie, vrijstaande woningen in veel groen. Ik kom langs een Chinees-Indisch restaurant.

Ik ben dichter bij het centrum beland, in Bargermeer. Een woonwijk met aanpalend het grootste industrieterrein van Noord-Nederland, aldus de vrouw in het tankstation. Duizend hectare ondernemerschap. Dat zijn tweeduizend voetbalvelden.

Ik rijd over de Hondrugseweg, vernoemd naar een rug die ontstond in de voorlaatste ijstijd en die van Emmen naar Groningen loopt. De weg bestaat uit twee rijbanen, een middenberm met op kniehoogte de straatnaamborden erin (door het hoge gras amper te lezen), en nog een keer twee rijbanen. Ik kom op de Ermerweg. Voor het grootste bedrijventerrein van Noord-Nederland is de signalering slecht.

Een welkomstbord, maar anders: ‘Dit bedrijventerrein wordt beveiligd’. Daarnaast de eerste winkels: Teak en Grenen Meubelen. Een showroom staat zichzelf aan te prijzen: ‘Te koop’. Op de hoek een telecomwinkel met de onvermijdelijke reclame van het meisje met de headset op.

Reclame voor de ondernemer van de ondernemer. Boodschap: Nederland is klantvriendelijk. Dat is goed voor de groei.

Ik ga na de spoorwegovergang naar rechts, door de hele straat hangen de oranje vlaggetjes. Bargermeer is klaar voor het EK.

Een vrouw loopt met opgetrokken schouders tegen de regen naar een rode Volvo. Ze heeft geen jas aan. Het is na twaalven. Achter haar zie ik een horecaslagerij, die weer in de schaduw van een grote plasticfabriek staat. Overal staan keurig geparkeerde grijsmetallic Volkswagens, Fords, Peugeots. De eerste koe in de vorm van een koe die ik vandaag zie, is een stenen koe. Hij is grijs en staat op een grote stapel geelbruine stenen voor de slagerij. Achter de koe staat een gloednieuwe, zwarte Audi. De velgen glimmen.

Ik kan me niet voorstellen dat die mevrouw uit de slagerij ‘voor al uw horeca’ komt: ze ziet er veel te sportief uit. Dan zie ik een bord staan: ‘Boeddhafit – onbeperkt fitness voor 17,50’. Maar de ingang blijft onzichtbaar. Midden op het industrieterrein zie ik ineens enkele volkstuintjes, natgeregend, vol verzakte, zwarte schuren. Donkere aarde. Tuinbouwplastic. Er is niemand aan het werk.

Bargermeer is een industrieterrein zoals zovele in Nederland. Lelijk, maar ‘functioneel’. Er staan tientallen, nee honderden van dit soort ‘dozen’ op de Bargermeer: meubelstunters, keukencentra, dieseltechniekwinkels, milieu­techniekbedrijen, beveiligingsdiensten (lijkt mij een gevalletje vraag/aanbod): alle mensen die advocaten, accountants en verzekeringen nodig hebben. Een houthandel. Een kringloopwinkel. Het Goed. Een goede naam.

De winkel is van binnen geschilderd in hippe, felle kleuren. Tegen de muren is wrakhout geschroefd. Er hangen parasols op de muur. Madonna klinkt over de speakers. De vrouwen winkelen: ze rommelen in de rekken vol spijkerbroeken, blouses en hemdjes. Volgens de verkoopster is het elke middag zo druk. ‘Ook vóór de crisis, hoor’, zegt ze erbij.

De mannen zitten met elkaar bij de boekenafdeling. Ze lezen wat. Een enkeling staat bij de elektronica. ‘Is het wat?’ vraagt er een. ‘Alleen maar ouwe troep’, antwoordt zijn vriend.

De kasten zijn van donker hout, met bruin glas in de deuren. De banken zijn modellen die vijf of acht jaar terug trendy waren. Een jongen – leeftijd: student – probeert ze één voor één uit. Verderop is het eetgedeelte. Vrolijk gekleurde houten stoeltjes, op een houten vloer. ‘Warme pistolet kipkerrie of bieslookroomkaas: €3,50’.

Ik loop terug, naar de boekenkasten. Bij de afdeling Engels staat een exemplaar van The Guns of August, de klassieker van Barbara Tuchman over het ontstaan van de Eerste Wereld­oorlog. Ik kijk in de kaft: € 1,25, staat er, met potlood geschreven. De eerste klant voor mij betaalt nog minder: € 1. Wat ze koopt, zit al in een plastic zak. Het ziet er groot uit. De tweede klant legt vijftig cent meer neer; hij neemt vijf breinaalden mee naar huis.

Na mij komt niemand, dus ik vraag de vrouw achter de kassa of ze in de buurt woont.

‘Twaalf, dertien kilometer hier vandaan’, zegt ze. ‘Met de auto. Geen file.’

‘Hoe ziet die route eruit?’ vraag ik.

‘Langs de Gamma, de Praxis, de Intratuin. Voorbij de woonboulevard. Heb je die gezien? Hij is prachtig.’

Ik heb honger gekregen door de geur van opgewarmde ovenpistoletjes en vraag buiten de weg naar het centrum.

Ik parkeer mijn auto in het centrum. Kosten: minder dan twee euro per uur. Ik heb alleen maar twee-euro-muntstukken. Het apparaat geeft twee mogelijkheden: geld terug of betalen.

Ik loop langs de wegwerkzaamheden in de winkelstraat. De parkeerhavens worden verwijderd. De bomen hier zijn hoger dan de gebouwen. Een kenmerk van een provinciestadje. In de verbouwde huizen zitten naast elkaar: snackbar De Berehap, kinderdagverblijf Villa Kwebbel, H Computers. Iets verderop zitten de eerste ketens: Scapino en de Action.

Ik loop dieper het centrum in. Bij een snackbar met een bord ‘Op uw gezondheid! Milkshakes!’ aan de ene kant en een aanbieding voor een patat en kroket of frikandel aan de andere, staat een jongen onder de luifel. Een groepje jongens komt langs gelopen. De jongen onder de luifel is jonger dan de jongens uit de groep, een jaar of veertien, vijftien en hij draagt een dun, zwart snorretje.

‘Hé, wat doe jij hier?’ roept een jongen uit de groep. Hij draagt een lang, wit T-shirt en zijn jas hangt open. Hij heeft een hoog, wit voorhoofd.

‘Spijbelen’, antwoordt de jongen met het snorretje.

‘Wat doe je hier dan?’

‘Weet niet. Ik ga nou maar weer naar school.’

‘Ga snel dan.’

Voordat de jongen begint te lopen, vraagt de jongen met het T-shirt: ‘Waar is eigenlijk je broer?’

‘Thuis’, zegt de spijbelaar. ‘Aan het stinken.’ En weg is hij.

Ik kom langs een pannenkoekenhuis, bij de ingang van de dierentuin. Je loopt in Emmen zo van de SNS Bank en de Hypotheker naar de dierentuin. Het dierenpark is de enige grote dierentuin van Noord-Nederland en met meer dan een miljoen bezoekers per jaar de trekpleister van Emmen. Eind 2010 ging het park bijna failliet, maar de gemeente sprong bij. In 2015 verhuist de dierentuin naar ‘een locatie buiten het stadscentrum’. Deze locatie is nu al met een loopbrug bereikbaar. Ik loop erheen. Het is iets meer dan vijf minuten lopen.

Hoe kleiner de stad, hoe kleiner het centrum, en hoe kleiner de opvattingen van ruimte en afstand, vaak. Dat geldt ook voor Nederland, denk ik: Emmen ligt al gauw bij Moskou.

Het nieuwe park wordt een ‘belevenispark’, een ‘all weather attraction’, met een theater, nog meer dierentuin, horeca, wat groen. In het gemeentehuis zijn maquettes te zien. Emmen moet met het park een slag maken. De bezoekersaantallen zullen weer stijgen.

Ik kijk op mijn telefoon naar het programma van De Muzeval, nu nog het theater van Emmen. Ik zie staan: Daniel Lohues, het Noord-Nederlands Toneel, Haantjes, Cloaca. Wat namen uit het cabaret.

Bij de toeristeninformatie vraag ik naar het winkelcentrum. Dat moet er zijn. De mevrouw achter de balie knikt en wijst me de weg. Het is vijfhonderd meter lopen, naast de passage naar de nieuwe dierentuin. Ze zegt: ‘Het is het grootste overdekte winkelcentrum van Noord-Nederland. Alles wat jullie in de Kalverstraat hebben, hebben wij hier ook.’

Paspoppen voor de winkels. De mannelijke paspop draagt een gifgroene broek met roze polo erboven, en een groene trui achteloos om de hals geknoopt. De vrouw draagt hetzelfde, maar haar broek is roze, de polo donkerblauw-groen-gestreept, een roze trui over haar schouders.

Ik sta op een plein voor winkelcentrum De Vlinder. Ik zie verder nog een H, een V, een iCentre, een Xenos, een Manfield.

Alles wat de ondernemer de consument te bieden heeft. Alles wat je op de Oude Gracht in Utrecht ook hebt, of aan de Groest in Hilversum. Alles wat in de open vlakten is verrezen. Natuur is bij ons geen ondernemingsgoed.

De straten hier – passages – zijn naar schilders vernoemd. De Cézannepassage heeft wel een accent, de Dalípassage niet. Er staat Dalipassage. Ik vraag me af hoe Cézanne of Dalí winkelcentrum De Vlinder op doek zou zetten.

Twee mannen buiten de anwb-winkel (Kleding – Kaarten – Boeken – Gidsen – Reizen – Verzekeringen – Pechhulp – Creditcards) praten met elkaar. ‘Op Schiphol, hè? Dan komen die mannen langs en dan tikken ze op je ruit en zeggen ze: “Je moet weer doorrijden.”’ Hij schudt het hoofd. ‘Je mag daar nog geen kwartiertje staan.’

De honger knaagt weer. In lunchroom De Heren van de Wit spreekt een gast Duits tegen de uitbater. ‘Was ist das, café verkeerd?’ vraagt ze. ‘Milchkaffee’, antwoordt de uitbater geroutineerd. Een ouder echtpaar komt binnen. Wat opvalt: de meeste echtparen zijn ouder. Het is een veldonderzoek slechts gebaseerd op enkele honderden waarnemingen, maar ik weet het zeker: Emmen vergrijst. Net als Nederland.

Zij draagt een blauw overhemd, het zijne is blauwwit gestreept. Eronder is een kleine buik zichtbaar. Ze hebben allebei een bril op. Synchroon als schoonzwemmers zetten ze hun ellebogen op tafel en vouwen de handen voor de mond. Duimnagels tegen de lippen. Als ze besteld hebben, vraagt de uitbater aan de man: ‘En wilt u die uitsmijter op volkoren- of witbrood?’ De man haalt zijn lippen langs zijn duim, zijn vrouw kijkt hem aan. ‘Witbrood’, zegt hij.

Achter mij komt een vrouw binnen. Ze is aan de telefoon en praat hard.

‘Oké, dan ben ik thuis.’

‘Kwart voor vijf bij mij.’

‘Oké, goed. Groetjes.’

In Emmen eet men zijn uitsmijters, maakt zijn afspraken en koopt zijn spullen.

Het nieuws dat Emmen de minst prettige gemeente is om te wonen, lijkt niet echt te zijn ingeslagen. Gelukkig. Want sta je in het centrum van Emmen, dan sta je ook in het centrum van Nijmegen, Arnhem (dat zullen ze niet graag horen), Almelo, Dordrecht, Ede, Venlo, Amstelveen, Assen, Hilversum, Zoeterwoude, Rijswijk, Den Helder, Heerhugowaard. Maar je staat ook in de Kalverstraat, zonder de grachtengordel eromheen. Het zijn variaties op uniformiteit, op het concept van de Nederlandse provinciestad. Sta je in het centrum van Emmen, dan sta je midden in Nederland.

De verbouwde boerderijen van Noordbarge hadden net zo goed vlak buiten Epe of Den Bosch kunnen staan. De klinkers van de winkelstraat hebben dezelfde vorm en kleur als die in Wassenaar, en waarschijnlijk ook als in Waalwijk en Vlagtwedde. Winkelcentrum De Vlinder is ook in Naaldwijk te vinden, maar heet daar De Tuinen. Mijn Ierse oom noemt het ‘the Dutch urban sprawl’. Welke stad heeft aan de rand geen Chinees-Indisch restaurant? Geen bord in een weiland: hier verschijnt een nieuwe woonwijk? Geen theater waar Stef Bos optreedt?

Is Emmen de minst prettige grote gemeente van Nederland om te wonen, dan is dat op duizendsten van een punt. De stad verschilt van de meeste andere grote gemeenten zoals pakken op een begrafenis van elkaar verschillen: het zit ’m in de details. En wie niet voor de Atlas van gemeenten werkt, ziet het verschil niet. Heel Nederland is dezelfde Blokker-winkelstraat, een woonwijk met oranje vlaggetjes, een industrieterrein vol gevelbelettering. Met wat park eromheen. Of dat aanleiding is voor stille wanhoop, weet ik niet. Wat ik wel weet: in Nederland komt de schaamte altijd achteraf. Ik heb zin in de natuur te zijn.

Moskou ligt overigens niet ver van Emmen, maar het ligt nog dichter bij Drachten. Het is een buurtschap vlak bij Donkerbroek (gemeente Ooststellingwerf), waarschijnlijk zo genoemd omdat aan de overkant van de Opsterlandse Compagnonsvaart een buurtschap genaamd Petersburg ligt.

Ik besluit erheen te rijden, met een omweg. De regen slaat zo hard tegen mijn ruit dat er bijna niet tegen aan te wissen is. Onder Emmen ligt een prachtig veengebied waar ik eens wandelde. Vincent van Gogh verbleef er in 1883 enkele maanden. De schilder vond er zijn eigen toon: een donkere voorgrond tegen een lichtere achtergrond. Boven Emmen schijnen schitterende bossen te liggen. Daar wil ik nu eerst eens gaan kijken. Er zijn hunebedden te vinden, op loopafstand van het centrum.


Zomerschrijvers 5

Zes jonge schrijvers trokken op verzoek van De Groene Amsterdammer het land in. We vroegen ze geen verhaal, maar een literaire reportage die inzicht geeft in het Nederland van nu. Deze week Philip Huff, die dit jaar debuteerde met de roman Niemand in de stad. Hierna volgt nog Franca Treur.


Beeld: Kees van de Veen / Hollandse Hoogte