Nieuw leven voor het linkse project

Passie als leidraad

Waarom is links in Europa niet in staat een vuist te maken? Volgens de Belgische politiek-filosoof Chantal Mouffe kunnen progressieve politici nog wat leren van de extreem-rechtse uitdagers. We hebben een populisme op links nodig.

‘Jullie laten je de kaas van het brood eten, kameraden! Dat is de indruk die ik krijg als ik zie wat er nu in Frankrijk gebeurt. Wat het Front National heeft bewerkstelligd, is precies wat links had moeten doen.’

In een sobere tv-studio oreert Pablo Iglesias met felle armgebaren over het falen van de linkse politiek in Europa. In hoog tempo analyseert hij de uitholling van de sociaal-democratie en hekelt hij de onderdanigheid van centrum-linkse politici. Zij hebben de weg vrij gemaakt voor politici als Marine Le Pen, meent hij. Iglesias is het gezicht van Podemos, de progressieve anti-establishmentpartij die in Spanje het traditionele tweepartijenstelsel heeft opengebroken. De welbespraakte politicus bevindt zich op vertrouwd terrein: iedere week presenteert hij een praatprogramma, waarin hij samen met een gast, meestal uit de kring van linkse intelligentsia, een klein uur lang discussieert over politiek en maatschappij. Een zwarte achtergrond, twee stoelen en een tafeltje met daarop twee glazen water – zo min mogelijk poespas die kan afleiden van de inhoud.

Small hh 21078012
‘Rechts begrijpt veel beter waar het in de politiek om draait’ © Károly Effenberger / HH

Het is voor de kijker ook zaak om de aandacht erbij te houden, want Iglesias deinst er niet voor terug om de diepte in te gaan: de voormalig docent politicologie is goed thuis in de socialistische literatuur. Met gemak koppelt hij actuele ontwikkelingen aan een doortimmerde systeemkritiek. Voor de gast die op deze februarimiddag in 2015 tegenover hem zit, heeft Iglesias duidelijk groot ontzag; hij prijst haar werk uitvoerig en gebruikt haar theoretische raamwerk om te doorgronden wat er in Europa gaande is: ‘Het lijkt erop dat het systeem van consensus, dat decennialang gesloten was, zich opent. En niemand kan voorspellen wat er de komende tijd zal gebeuren.’

Zijn gesprekspartner, de Belgische politiek-filosoof Chantal Mouffe, knikt hem bemoedigend toe. Haar mondhoeken staan streng naar beneden geplooid, maar haar geanimeerde blik verraadt dat ze geniet van dit gesprek. Iglesias is een geestverwant die haar oeuvre goed bestudeerd en begrepen heeft, zoveel is duidelijk. ‘Je hebt volkomen gelijk dat links verantwoordelijkheid draagt voor de opkomst van rechtse populisten’, valt ze hem bij in vloeiend Spaans. ‘Ik heb hier lang over nagedacht en ben helaas tot de conclusie gekomen dat rechts in het algemeen veel beter begrijpt waar het in de politiek om draait.’ ‘Natuurlijk!’ bevestigt Iglesias met een gretige lach.

Hoe kunnen sociaal-democraten de multiculturele samenleving nog verdedigen, nu de racistische onderbuik leegloopt?

Noem de 74-jarige Chantal Mouffe gerust de grande dame van het hedendaagse socialisme. Haar hele academische carrière lang heeft ze nagedacht over manieren om ‘het linkse project’ nieuw leven in te blazen. Al ruim dertig jaar geleden vroeg Mouffe zich hardop af hoe links moet omgaan met nieuwe sociale bewegingen en identiteitspolitiek. Een vraag die, zeker in de nasleep van de Amerikaanse verkiezingen, niets aan relevantie heeft ingeboet. Lang voor de Brexit en Trump ontleedde zij scherpzinnig hoe er in het Westen een politiek klimaat is ontstaan waarin een giftig rechts-populisme tot wasdom kon komen. En de afgelopen jaren ontpopte ze zich tot een ideologische mentor voor linkse uitdagers als Syriza en Podemos.

De vraag die Iglesias in de tv-studio op tafel legde schreeuwt twee jaar na de uitzending nog steeds om een antwoord: waarom is links maar niet in staat een vuist te maken? Even leek het erop alsof er vanuit Zuid-Europa een progressieve wind aantrok. Op 31 januari 2015 was de Puerta del Sol, het centrale plein van Madrid, nog gevuld met meer dan honderdduizend aanhangers van Podemos die genoeg hadden van de oude politiek van ‘la casta’ en het hardvochtige bezuinigingsbeleid uit Brussel. Kort daarvoor had Syriza in Griekenland de parlementsverkiezingen weten te winnen. Maar van een linkse lente kwam het niet: Podemos is voorlopig veroordeeld tot de oppositiebanken en de socialistische regering in Griekenland ligt nog altijd aan de ketting van de trojka.

Ondertussen zijn het vooral demagogen als Marine Le Pen, Donald Trump en Geert Wilders die profiteren van de ‘crisis in het centrum’. Zeker in Noord-Europa zijn aanvallen op de gevestigde orde voorbehouden aan xenofobe volksmenners. ‘De politieke energie zit op rechts’, constateerde René Cuperus onlangs in tv-programma Buitenhof. Op de linkerflank blijft het angstvallig stil, een daadkrachtig progressief alternatief is in geen velden of wegen te bekennen. De verkiezingen in Nederland dreigen uit te lopen op een tweestrijd tussen twee smaken rechts. Een gematigd rechts probeert een extreem-rechts vliegen af te vangen door de anti-migratieretoriek van haar scherpe randjes te ontdoen. Zo ook in Frankrijk, waar de katholieke conservatief François Fillon de enige lijkt die Marine Le Pen van een verkiezingszege af kan houden.

En links kijkt vertwijfeld toe. ‘Twintig jaar na hun gloriejaren kijken sociaal-democraten overal in Europa naar de brokstukken’, analyseerde de Volkskrant kort geleden. ‘En niemand heeft nog een oplossing.’ Hoe kunnen ze de arbeidersklasse nog bereiken, nu deze lijkt te bestaan uit boze burgers die geen boodschap hebben aan een inclusieve agenda? Hoe kunnen ze de multiculturele samenleving nog verdedigen, nu de racistische onderbuik leegloopt? Progressieve partijen bevinden zich in een pijnlijke spagaat: de sociaal-economische agenda is gekaapt door extreem-rechtse populisten en hun emancipatoire idealen vinden nauwelijks weerklank meer.

‘Veel linkse partijen zijn bang voor passies, omdat ze denken dat die altijd naar de politieke rechtervleugel leiden’

De linkse partijen uit Zuid-Europa die er wél in slaagden om momentum te creëren, werden bovendien met argwaan bekeken. Ook door hun sociaal-democratische collega’s. Politici als Pablo Iglesias en Alexis Tsipras zouden zichzelf buitenspel zetten met hun opgeklopte retoriek, onhaalbare voorstellen en onbesuisde aanvallen op de elite. Zij vertoonden populistische trekjes – en populisme, daar is beschaafd links het over eens, is geen zinvolle manier om politiek te bedrijven. Om daadwerkelijk resultaten te boeken behoort een politieke partij zich constructief op te stellen, bereid te zijn om compromissen te sluiten en geen roekeloze verkiezingsbeloftes te doen. Emblematisch was de botsing tussen Jeroen Dijsselbloem en Yanis Varoufakis, waarbij de voorzitter van de eurogroep de standpunten van de Griekse minister van Financiën afserveerde als ideologisch geraaskal.

Maar het is precies dit dédain voor het populisme waarmee centrum-linkse politici in Europa de revolte over zichzelf hebben afgeroepen, meent Chantal Mouffe. De liberale democratie verkeert in crisis. Hoe eerder links dat onder ogen ziet, hoe sneller het een weerwoord kan bieden. ‘De toekomst van onze democratie hangt af van de manier waarop we met deze uitdaging omgaan’, schreef ze op de opiniesite Open Democracy. Populisme met een opgehaalde neus wegwuiven als demagogie heeft in elk geval geen zin. Stilzitten en hopen dat de storm overwaait is een strategie die uiteindelijk averechts zal werken. Progressievelingen moeten de schroom voor polarisatie van zich afschudden, want waar we behoefte aan hebben, meent Mouffe, is een populisme van links.

De politieke bewustwording van Mouffe voltrok zich in de geest van ’68. Als activistische student raakte ze al vroeg vertrouwd met het radicaal-linkse begrippenkader waarmee haar generatiegenoten hun opstandigheid intellectueel onderbouwden. Na een opleiding in Leuven trok ze naar Parijs om daar in de leer te gaan bij de vermaarde filosoof Louis Althusser. Zijn eigenzinnige interpretatie van Das Kapital maakte diepe indruk op haar. ‘Ik was een vrij orthodoxe althusseriaan’, vertelt Mouffe in het interviewboek Construir pueblo. ‘Maar na een paar jaar filosofie gedoceerd te hebben in Colombia, aan de Universiteit van Bogotá, veranderde mijn perspectief.’ De starre marxistische concepten van haar leermeester bleken te kort te schieten om de politieke dynamiek van Latijns-Amerika te begrijpen.

Nog altijd koestert Mouffe een bijzondere band met dat continent, niet in de laatste plaats vanwege haar huwelijk met de Argentijnse politicoloog Ernesto Laclau, die een belangrijk stempel drukte op de Latijns-Amerikaanse politiek. Het Argentijnse dagblad La Nación schreef ooit semi-gekscherend dat president Nestor Kirchner geen besluit nam zonder eerst Laclau te raadplegen. Toen Laclau in 2014 overleed, herinnerden de kranten hem als de ideoloog van het socialistische populisme, dat kort na de eeuwwisseling Latijns-Amerika veroverde. Binnen tien jaar grepen linkse leiders, mede geïnspireerd door Laclau’s ideeën, de macht in Argentinië, Brazilië, Ecuador, Bolivia en Venezuela. Voor Mouffe bewees deze ‘draai naar links’ dat het mogelijk is om een succesvolle strijd aan te binden tegen het neoliberalisme. ‘We moeten proberen Europa te latijns-amerikaniseren’, zei ze tegen de Spaanse krant El País.

‘Waar we een herijking van het socialistische project wilden zien, hebben we de triomf aanschouwd van het neoliberalisme’

Het is een oproep die haar volgelingen ter harte namen. Íñigo Errejón, de hoofdstrateeg van Podemos, schreef een proefschrift over de ‘strijd voor hegemonie in Bolivia’. De theoretische ondergrond van zijn onderzoek werd gelegd door Mouffe en Laclau. En de lessen die hij leerde bij de presidentscampagne van Evo Morales zouden bepalend zijn voor de strategie waarmee Podemos het Spaanse toneel bestormde. De denkbeelden van Mouffe en Laclau drongen ook door tot de Griekse politiek. Opvallend veel Syriza-prominenten studeerden aan de Universiteit van Essex, waar het duo school maakte met hun ‘discoursanalyse’. Onder anderen Yanis Varoufakis ontving zijn doctoraat aan de Britse universiteit.

In 1985 verscheen hun standaardwerk Hegemony and Socialist Strategy. Het is een doorwrochte studie waarin Mouffe en Laclau korte metten maken met de marxistische orthodoxie. Nog voordat de Sovjet-Unie was geïmplodeerd en Francis Fukuyama het einde van de geschiedenis had afgekondigd, betoogden zij dat het socialistische project aan herziening toe was. De obsessie met de klassenstrijd liet geen ruimte voor de nieuwe sociale bewegingen, zoals feministen of ecologisten. De strijd tegen racisme verdiende evengoed een plaats op de linkse agenda als de strijd tegen economische ongelijkheid. In plaats van de verborgen machinaties van het kapitalisme te analyseren, gingen Mouffe en Laclau te rade bij Antonio Gramsci. De Italiaanse filosoof had ingezien dat de economie niet alles verklaart. Juist de sfeer van het politieke moet nauwer onder de loep worden genomen, want wie het heersende denken wil bevechten, moet eerst begrijpen hoe een hegemonie tot stand komt.

Dertig jaar na publicatie zijn de lessen uit Hegemony and Socialist Strategy actueler dan ooit, maar is de opgave alleen maar moeilijker geworden. Meenden Laclau en Mouffe destijds nog dat de sociaal-democratische agenda niet ver genoeg ging, nu is het zelfs een uitdaging om de meest basale verworvenheden van de welvaartsstaat in ere te herstellen. In het voorwoord van een nieuwe editie uit 2000 schrijven ze: ‘Met het falen van de communistische variant is het hele idee van socialisme in diskrediet geraakt. De sociaal-democratie kreeg geen nieuw leven ingeblazen, maar werd in wanorde gestort. In plaats van een herijking van het socialistische project hebben we in het afgelopen decennium de triomf aanschouwd van het neoliberalisme, wiens hegemonie zo doordringend werd dat het een enorm effect heeft gehad op de linkse identiteit.’

Waar we nu mee zitten opgescheept is een ‘radicaal midden’, waarin besluitvorming wordt gereduceerd tot een managementvraagstuk en de sociaal-democratie is verwaterd tot een slap en onherkenbaar aftreksel. ‘Verstandige’ politici aan beide kanten van het spectrum hebben elkaar gevonden in een ‘consensus van het centrum’. Volgens de pleitbezorgers van de Derde Weg, met name de Engelse socioloog Anthony Giddens, is het een teken dat de liberale democratie volwassen wordt. Grote ideologische twisten zijn relikwieën uit het verleden. ‘Links’ en ‘rechts’ zouden sleetse categorieën zijn die verwijzen naar een achterhaalde dichotomie. ‘Polarisatie’ en ‘populisme’ werden vieze woorden.

‘In plaats van een strijd tussen “rechts en links” staan wij nu voor een strijd tussen “goed en kwaad”’

Onzin, meent Mouffe. Juist de afwezigheid van polarisatie is de dood in de pot voor de politiek. Het is de reden dat rechtse ophitsers konden opstomen. In haar boek On the Political, dat in 2005 verscheen, zag ze al hoe populisten als Jörg Haider en Silvio Berlusconi konden profiteren van de ideologische windstilheid in Europa. Mouffe: ‘De grote aantrekkingskracht van anti-establishmentpartijen vindt haar oorzaak in het onvermogen van de gevestigde democratische partijen om duidelijke alternatieven te bieden en kan alleen begrepen worden in de context van de tegenwoordig zo wijdverbreide consensuspolitiek.’ En zolang links daar geen overtuigend verhaal tegenover durft te stellen, zal de opmars van het rechts-extremisme alleen maar verder doorzetten, voorspelde ze correct.

Een democratie zonder conflict is een democratie in naam alleen. Enkel als er daadwerkelijk wat te kiezen valt, doet de keuze van de burger ertoe. Maar sinds we in de jaren negentig de Derde Weg zijn ingeslagen leven we volgens Mouffe in een tijdperk van ‘postpolitiek’, waarin de heersende centrumpartijen zijn samengeklonterd tot een kleurloos geheel. Voor een theoretisch tegengif beroept ze zich op de omstreden Duitse rechtsgeleerde Carl Schmitt, ‘een van de meest briljante en onverzettelijke tegenstanders van het liberalisme’. Volgens Schmitt bestaat iedere politieke gemeenschap slechts bij de gratie van een gemeenschappelijk vijandsbeeld: tegenover een ‘wij’ staat altijd een ‘zij’. Zonder antagonisme geen politiek.

Wie met Schmitt heult krijgt gegarandeerd scheve blikken toegeworpen. Hij is, zacht uitgedrukt, een denker met een besmet blazoen. Als ‘kroonjurist van het Derde Rijk’ zorgde hij voor de juridische legitimatie van het nazibewind; zijn anti-individualisme en snijdende kritiek op de parlementaire democratie maakten hem tot een gewillig bondgenoot van de Führer. Maar Mouffe probeert zijn gevaarlijke denkbeelden onschadelijk te maken, door de totalitaire angel eruit te halen. Het antagonisme van Schmitt ruilt ze in voor ‘agonisme’: in plaats van vijanden spreekt zij over tegenstanders. De wij/zij-tegenstelling is nog altijd bepalend voor de politiek, maar in de democratische arena geldt als spelregel dat ook opponenten erkend worden als subjecten met rechten.

Met Schmitt deelt ze ook een aversie tegen het doorgeslagen rationalisme in de westerse democratie. Ten onrechte hebben liberale filosofen als John Rawls en Jürgen Habermas de passies uit het politieke domein willen bannen. In hun ideale democratie treden verstandige volksvertegenwoordigers met elkaar in debat in een poging om meningsverschillen te overbruggen. Iedere partij die weigert dit spel mee te spelen wordt op voorhand gediskwalificeerd. Iedere politicus die namens ‘het volk’ zegt te spreken is verdacht. ‘Het politieke wordt tegenwoordig uitgespeeld in het morele register’, schrijft Mouffe in On the Political. ‘In plaats van een strijd tussen “rechts en links” staan wij nu voor een strijd tussen “goed en kwaad”.’ Daarom worden Tsipras en Iglesias in een postpolitiek klimaat, samen met Nigel Farage en Marine Le Pen, weggezet als gevaarlijke radicalen.

Het getuigt van een smetvrees voor het populisme. Terwijl linkse politici juist wat zouden kunnen leren van de extreem-rechtse uitdagers. Dat is minder verwerpelijk dan het klinkt wanneer je het analytische perspectief van Mouffe inneemt: ‘Populisme is geen ideologie of politiek regime en kan niet worden toegeschreven aan een specifiek inhoudelijk programma.’ Het is geen pervertering van de democratie, maar een wezenlijk onderdeel ervan. Politiek draait om het ‘smeden van een volk’ door grenzen af te bakenen. Dat zoiets niet gepaard hoeft te gaan met racisme, bewijst iemand als Bernie Sanders. Zijn tegenstanders waren de graaikapitalisten op Wall Street, waartegen hij vlammende tirades hield. En als Pablo Iglesias tierde tegen de ‘corrupte elite’, dan sprak hij zowel namens witte werklozen als gemarginaliseerde minderheden.

‘Veel linkse partijen zijn bang voor passies’, zei Mouffe een paar jaar geleden in Filosofie Magazine, ‘omdat ze denken dat die altijd naar de politieke rechtervleugel leiden. Ik ben het daar niet mee eens. Je kunt ook een passie hebben voor rechtvaardigheid, bijvoorbeeld. Spinoza stelt dat de twee belangrijkste passies hoop en vrees zijn; rechts populisme speelt meestal in op de laatste. Maar mensen zouden juist meer hoop moeten hebben. Hoop dat dingen kunnen veranderen. Hoop dat we een rechtvaardiger systeem kunnen opbouwen. Dat is de taak voor een links populisme.’