Passie is lijden

IN MERIDIAN (1976), de tweede roman van Alice Walker, zoekt een studente die de woelige jaren zestig vol politieke agitatie en seksuele intimidatie meemaakt, bewust de luwte op. Vanuit die plek beziet ze de mannelijke wereldverbeteraars: ‘En dat was voor haar dan waarschijnlijk de betekenis van seks: Geen genot maar een wijkplaats waarin haar geest was bevrijd van het rekening houden met alle andere mannen ter wereld die misschien iets van haar wilden. Het was het uitrusten van de achtervolging.’

Aan het slot van de roman zit de studente Meridian in een kerk en merkt ze dat de prekende dominee de vermoorde Martin Luther King imiteert. De leiders zijn vermoord, de pseudo-revolutie is, zoals dat gaat in de Verenigde Staten, een rage geworden en men voert slechts een politiek toneelstuk op. Toch ziet Meridian nog iets positiefs, een mogelijkheid om tot saamhorigheid - een gevoel van eenheid of heelheid - te komen. ‘Dat de hele gemeente het toneelspel had verwacht, dat de jongelui tegenwoordig in de kerk niet meer in slaap vielen, stelde haar voor een raadsel. Misschien was de kerk uiteindelijk toch de enige plaats van samenkomst die de zwarten was overgebleven, een plaats waar de problemen van het leven niet bedrieglijk werden voorgesteld, waar je houding tegenover de toekomst werd gezien als iets van de gemeenschap en waar de moraal ernstig werd genomen.’
Seksualiteit, religie en het verlangen uit één stuk te bestaan, 'geheeld’ te worden, dat zijn sinds Meridian de vaste ingrediënten geworden van Alice Walkers romans. In De kleur paars (1983) weet Walker de lezer nog te overtuigen van haar toekomstideaal omdat het verhaal net niet wordt weggedrukt door een in alle toonaarden geformuleerde moraal. De figuur Celie weet te overtuigen. Haar kwetsbare brieven aan God - ze heeft verder niemand op de wereld - over hoe het leven haar heeft getekend, hebben een authentieke stijl, een origineel ideolect en worden niet verpest door een slachtofferstoon. Dankzij een latere vriendin, een jazz- en blueszangeres die aan Billie Holiday en Bessie Smith doet denken, ontdekt ze niet alleen haar eigen lichaam maar weet ze ook maatschappelijk onafhankelijk te worden.
DE KLEUR PAARS kan nog ontroeren omdat de eenvoudige, effectieve taal van Celie de lezer verleidt en overtuigt zonder dat hij tot machteloos medelijden hoeft te vervallen. Celie vertelt verhalen die ertoe doen, het zijn zeer aardse vertellingen over verraderlijk vaderschap, verkrachting, incest en maatschappelijk misbruik. Maar sinds haar romans De tempel van mijn gezel (1989) en Het geheim van de vreugde (1992) heeft Alice Walker haar literaire toon ingeruild tegen een zweverige orgeltoon. Beide boeken zijn geharnaste ideeënromans. Kunstenaars zijn boodschappers, zegt iemand in De tempel van mijn gezel. Op hen rust de verantwoordelijkheid de wereld 'te verenigen’. Zonder enige ironie of zelfrelativering schrijft de door de psychoanalyticus Carl Jung verlichte Walker dat het de aard van het kunstenaarsoog is 'om eeuwig gezien te hebben en de aard van de geest om zich alles te herinneren wat ooit bekend is geweest’.
Praten wordt woordspelerig het echte afro-disiacum van de liefde genoemd, herinneren is 'de sleutel tot de verlossing’. De liefde, de verlossing; het zijn grote woorden die Walker koestert in haar recente romans. Ze schrijft steeds minder, ze beredeneert steeds meer. Haar taal is die van de overreding en het pleidooi geworden. Kwaadaardiger: de roman à la Walker is een sociologie van verzameld vrouwenleed, een pleitnota voor eigenliefde, een richtsnoer voor zelfstandigheid, een wegwijzer naar 'op eigen benen staan’. Steeds minder een literaire toon, steeds luider de orgeltoon.
'Ik besefte heel lang niet dat ik dood was.’ Zo begint Het geheim van de vreugde. Voor Tashi, een gevangen vrouw, zit er niets anders op dan de last van het ritueel (de clitorisbesnijding met alle gevolgen vandien) met geweld te bestrijden, dat wil zeggen de boze geest die haar het seksuele genot heeft ontnomen, te doden. Ze neemt het heft in eigen hand, want 'de god van de vrouw is onafhankelijkheid’.
IN ALICE WALKERS nieuwe roman By the Light of My Father’s Smile duikt de boze geest die een vrouw seksueel genot misgunt op in de gedaante van een vader. Hij is een antropoloog die zich vermomt als priester om onder het Mexicaanse Mundo-volk te kunnen werken. En die zijn dochter June een pak slaag geeft nadat zij zich heeft laten 'ontvoeren’ door Manuelito. Die billenkoek 'breekt’ haar, en ze heeft een heel leven nodig om weer 'geheeld’ te worden. 'Passie is lijden.’
Haar zus Susannah, die door het sleutelgat loerde toen haar vader zijn jongste dochter met zijn riem bewerkte, is ook geknakt en wordt pas veel later weer tot seksueel leven gewekt door de wonderlesbienne, sterke vrouw, horeca-onderneemster en minnares Pauline, sinds zangeres Shug Avery in De kleur paars een vaste speelster in Walker-romans.
De seksualiteit in By the Light of My Father’s Smile heeft een duistere kant (gewelddadigheid) maar fungeert ook als 'lichtbron’ waar met name de vrouwen Pauline, Susannah en de Griekse dwerg Irene zich in woord en daad aan laven.
De manier waarop Alice Walker haar roman vormgeeft is opmerkelijk. Het is een merkwaardige 'ik-roman’. In de allereerste plaats is daar de dode ik-verteller vader Robinson, die als een seksueel geobsedeerde voyeur vanuit een soort overgangsgebied zijn dochters Susannah en June observeert. Maar er zijn nog vijf ik-vertellers die elkaar afwisselen, waarbij de grens tussen leven en dood er niet toe doet. En al die ego’s in deze ikken-roman zijn bezig zich te herstellen van ondervonden leed. In de dood worden ze weer compleet, evenwichtig, wijs en verstandig. Bij leven was het kwakkelen geblazen, maar pas in de dood opent zich het echte venster op de wereld.
HET GROTE probleem met deze roman is dat de oerscène, namelijk het cruciale pak slaag dat vader Robinson zijn dochter geeft, niet tot een overtuigend drama wordt opgestuwd. 'Seks is voor haar als een hutspot, iedereen zit er tegelijkertijd in.’ Dat geldt voor Susannah, die een wel zeer mistige romanschrijfster is, maar deze zin gaat ook op voor het boek zelf. De vele ikken die elkaar op een rommelige, willekeurige manier afwisselen en dan meestal over anderen praten, hebben het zo druk met het ventileren van meningen dat ze niet aan het vertellen van verhalen toekomen. Ze zijn ongeloofwaardig, ze komen uit de koker van een schematisch denkende schrijfster, ze komen niet tot leven, ze zijn al dood voordat het boek begint. Uit de opzettelijke a-chronologie van de roman is geen kleurige lappendeken van verschillende vertellingen uit totaal verschillende monden voortgekomen, maar een smoezelige rafelige quilt die de lezer verstikt. Er is geen literaire toon, maar vertoon van zeer algemene (voor)oordelen over mannen en vrouwen; er is geen verhaal maar kabaal van kalenderwijsheden, een zelfingenomen ondertoon, stupide generaliseringen, potsierlijke pathetiek (lees voor- en nawoord!).
Het in deze esoterische, ironieloze roman verheerlijkte Mundo-volk, dat dankzij het isolement nog puur en heel en eigen en totaal zou zijn, bezit nog verhalen in plaats van ideeën. Maar die verhalen lezen we niet. Alice Walker heeft een verstikkende ideeënroman geschreven, een boek dat zichzelf recenseert: 'Het is alsof ideeën van blokken zijn gemaakt, hard en onbuigzaam, en verhalen van een elastisch gaas. Je kunt er bijna doorheen kijken, dus wat er achter ligt prikkelt je nieuwsgierigheid. (…) Door verhalen te vertellen oefenen we onze geest.’