Passivisme

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: passivisme. In onze cultuur van afzijdigheid valt de jongens en meisjes van Dutchbat niets te verwijten.

Eerst merkte ik het nauwelijks op. Aan de gracht waar ik woon is nachtelijk geschreeuw niets bijzonders. Maar deze keer bleven de kreten aanhouden en er klonk angst in door. Met tegenzin deed ik het raam open en hoorde dat iemand ‘Help’ riep, ‘get me out!’

Ik greep mijn Argentijnse lasso en stormde de trap af. Aan de overkant lag iemand in het water en klampte zich vast aan een bootje. Ik rende, mijn pantoffels verliezend, de brug over. Daar stond een groepje mensen te staan. Een van hen wees naar beneden: kijk, daar ligt-ie. Alsof ik een soort functionaris was, een grachtopziener op wie men had gewacht.

Ik liet me in het bootje zakken en wist de drenkeling op het droge te krijgen, waar een inmiddels gearriveerde ambulance zich over hem ontfermde. Onderweg naar huis raapte ik mijn pantoffels op. De actie had me natte broekspijpen en vieze sokken opgeleverd, plus een goed gevoel en een goed verhaal over een pantoffelheld. Ik had niet in het water hoeven springen en geen enkel risico gelopen. Wie zou zich zo’n buitenkans laten ontgaan? In ieder geval de zes, acht mensen die daar aan de wallenkant stonden zonder iets te doen.

Het was 1995, het jaar van Srebrenica. Een paar jaar later riep de overheid via een Postbus 51-campagne op om toch vooral niets te doen als je getuige bent van geweld op straat. In een volgende campagne werd aanbevolen in zo’n geval ‘drie tikken uit te delen’ – door alarmnummer 112 in te toetsen. Maar, bezwoer de Rotterdamse burgemeester Opstelten bij het lanceren van die campagne: ‘Vooral niet de held uithangen!’ De Dutchbat-leiding in Srebrenica had die aansporing niet nodig, getuige haar weigering zwaargewonde moslimburgers medisch bij te staan, de uitlevering van gewonde moslimmannen, het uitzetten van Bosnische Dutchbat-medewerkers en hun familie. En de feestelijke uitbundigheid waarmee het bataljon zijn ontsnapping vierde terwijl verderop de moordpartij gaande was. Allemaal even onbegrijpelijk… voor wie de Nederlandse cultuur niet kent.

‘Lijdzaamheid’ en ‘lijdelijkheid’ vormden al langer een thema voor Holland-watchers. Onze traditie van neutraliteit en consensus bood hiervoor een vruchtbare voedingsbodem. Aanvankelijk werd een verband verondersteld met de calvinistische leer dat de geschiedenis Gods bedoeling ontvouwt en dat ieder menselijk streven om dat goddelijk plan bij te sturen zinloos is.

Maar zo simpel is het niet, bleek eind vorige eeuw, toen die cultuur van afzijdigheid een hoogtepunt bereikte in een seculariserend Nederland. Minder overheid, minder bemoeienis, minder controle. Meer eigen verantwoordelijkheid, zelfbeschikking, verzelfstandiging en zelfregulering. Privacy, cultuurrelativisme en postmodernisme. Al die nieuwe axioma’s hadden als grootste gemene deler een heilig geloof in non-interventie. Zowel burger als overheid moest meegeven, gedogen, schikken en plooien tot het uiterste.

Mettertijd gingen die anti-inmengingsvertogen ons tussen de oren zitten. Ze kregen het karakter van een nieuwe norm: het was niet alleen verstandiger om je afzijdig te houden, het hoorde zo! Zelfs het melden van een misstand aan de overheid werd verdacht. Het was beter te doen alsof je niets gezien had, propageerde anti-autoritair links. Cultuurrelativisten vulden aan dat niemand het recht had zijn waarheid aan een ander op te leggen. Heel bestuurlijk Nederland echode dat gedogen beter was dan de confrontatie aangaan.

Zo werd passiviteit een deugd, geschraagd door een onuitgesproken ideologie, die ik het ‘passivisme’ noem. Deze gezindheid was misschien wel het meest in het oog springende ‘geestesmerk’ van Nederland in het laatste deel van de afgelopen eeuw en heeft tot een reeks beschamende excessen geleid. De afzijdigheid van de gemeente Amsterdam toen achtereenvolgens krakers, junks en Hells Angels een deel van de stad kidnapten, waarbij steeds de zwakste burgers het slachtoffer werden. Van de brandweer van vliegveld Welschap, die bij de Herculesramp in 1996 het brandende vliegtuig niet binnenging. Van de Rotterdamse politieagenten die in 2007 ook buiten bleven staan – voor de deur van een huis in Pernis, terwijl binnen iemand hoorbaar werd doodgemarteld.

Ook in de gewone-mensenwereld doen zich zulke excessen voor. Bij de geschiedenisles gaan sommige islamitische leerlingen met de rug naar de leraar zitten als de shoah ter sprake komt. En wat doet die leraar? Meestal niets, constateerde de vice-voorzitter van het Centraal Joods Overleg dit jaar. ‘Handelingsverlegenheid’ noemen ze dat op het ministerie van Onderwijs.

De collega’s van neuroloog Jansen Steur blonken eveneens uit in passivisme. Veel van hen waren al lang op de hoogte van zijn funeste acties, maar niemand deed iets. Geen uitzondering, bleek in 2009 op een congres van medisch specialisten en ziekenhuisbestuurders. Wie heeft een disfunctionerende arts in zijn ziekenhuis? werd daar gevraagd. Negentig procent stak zijn vinger op. Wie van jullie heeft geprobeerd die arts weg te krijgen? Een handjevol vingers ging de lucht in.

De jongens en meisjes van Dutchbat valt dus niets bijzonders te verwijten. Opgegroeid in een cultuur van afzijdigheid en passivisme, lieten ze alleen maar zien wat er gebeurt als die cultuur vanzelfsprekend wordt: dan lopen zelfs onze interventies uit op non-interventie.