Pasta

In het Rijksmuseum Amsterdam hangen in de Eregalerij zes schilderijen van Frank Auerbach (Berlijn, 1931), pal tegenover die van de grote mannen van weleer, in het bijzonder het werk van Rembrandt. Auerbach woont sinds zijn zestiende in Engeland en hoort tot de generatie Britse schilders die ook Bacon en Freud omvat.

Medium kunst2

Sinds de jaren zestig wordt hij naar eigen zeggen ‘bewogen’ door Rembrandt, en de zes doeken in het Rijks geven blijk van een fascinatie voor Rembrandts ‘impasto’, wat zoiets is als de structuur van een schilderij gewrocht door een techniek waarbij de verf in zeer dikke streken of klodders op het kunstwerk wordt aangebracht. Bij Rembrandt is dat geklodder functioneel. Simpel: uitstekende stukken verf vangen het licht, weerkaatsen het grilliger dan vlakke delen, geven wisselende impulsen en dus: grotere levendigheid, sterkere illusie. U moet niet te dichtbij gaan staan, zei Rembrandt ooit tegen een klant, want dan krijgt u nog verf op uw dure jas – maar wat hij bedoelde was: dan kunt u zien wat ik doe, en dan gaat de magie verloren. Want magisch is het: op arm+penseellengte zijn in Het joodse bruidje die effecten niet te zien.

Auerbach deed er een schepje bovenop, letterlijk: zijn schilderijen zijn eigenlijk sculpturen, zo dik zijn ze. De vergelijking met Rembrandt lijkt vanzelfsprekend, maar daar zit ook een dieper laagje in. Net als Rembrandt wist Auerbach dat het ruwe, ‘disturbing and itchy’, de kijker in eerste instantie verwart en afstoot, om hem dan pas het schilderij in te trekken.

Tegelijkertijd toont galerie Gerhard Hofland in Amsterdam werk van de Vlaming Koen Delaere (Brugge, 1970). Dat is geen onbekende – Delaere won prijzen, krijgt aandacht, is geregeld te zien – en toch was de kennismaking frappant, nu ik net die Auerbachs had gezien. Ook Delaere judoot met de wisselwerking tussen kleur en substantie, plaatje en pasta. De schilderijen in Amsterdam hebben min of meer dezelfde techniek, een vergelijkbaar impasto. Op een gekleurde ondergrond smeert de schilder een vette laag verf, in heldere kleuren, en veegt die vervolgens met de vingers in horizontale strepen weg. Er ontstaat ogenschijnlijk een soort bekladde luxaflex, dikke lijnen verf waaraan klodders ter grootte van pindarotsjes hangen, en daartussen diepe voren waarin de onderliggende kleur zichtbaar is.

Het zo beschrijvend doe ik het effect tekort, en dat is begrijpelijk, want het gaat nu juist om die rembrandteske techniek, die combinatie van tastbaar materiaal en zorgvuldig gecreëerde illusie. Die kleuren lijken de kleuren van de onderlaag, maar ze zijn gevormd door de bovenlaag, die echter is weggeveegd. Het is niet zomaar te zien wat nu wat is. Hier is duidelijk gezwoegd, in een roes, misschien, de poten in de klei, maar het resultaat is… evenwichtig. Stap achteruit en er vormt zich voor je ogen een beeld dat verbazend helder is. Naar verluidt houdt Delaere van elke honderd schilderijen er maar vijftien over, wat maar weer eens doet vermoeden dat je hard en geconcentreerd moet werken om op zo’n feestelijke verwarring voor het oog uit te komen.


Koen Delaere, Wichiti, met Jean-Baptiste Bernadet, galerie Gerhard Hofland, Amsterdam, t/m 25 januari . Auerbach: Ruwe werkelijkheid, Rijksmuseum Amsterdam, t/m 16 maart, rijksmuseum.nl