Europese Literatuurprijs

Pastoraal verlangen

Eens in de zoveel tijd verschijnt er een roman die internationaal omarmd wordt. Deze verhalen manoeuvreren zich, ondanks hun vaak zeer specifieke culturele context, moeiteloos over taalgrenzen, en leggen contact met een groot aantal belevingswerelden. Extremely Loud & Incredibly Close van Jonathan Safran Foer en Americanah van Chimamanda Ngozi Adichie werden wereldwijde bestsellers. Deze sterk verschillende boeken wisten via het unieke aanspraak te maken op het universele; volgens velen het hoogste dat literatuur bereiken kan.

Paolo Cognetti’s taal is vooral sober, op het afstandelijke af © Stephan Vanfleteren

De acht bergen van Paolo Cognetti lijkt ook tot zo’n boek uit te groeien. Met deze roman bereikte de Italiaanse schrijver een groot publiek. Met het winnen van de prestigieuze Premio Strega voegt hij zich ook nog eens bij Cesare Pavese, Giorgio Bassani, Natalia Ginzburg, Umberto Eco. In Nederland is De acht bergen een van de best verkochte romans van de laatste jaren, en ook in de Verenigde Staten is hij in opmars.

De acht bergen beslaat drie episoden uit het leven van Pietro Guasti. In het eerste deel woont hij met zijn ouders in het roerige Milaan van de jaren zeventig en tachtig. Uit verlangen naar het bergland van hun jeugd koopt Pietro’s vader een vakantiehuis in het pastorale Grana. Daar wordt Pietro ingewijd in de kunst van het bergbeklimmen. Ook leert hij daar leeftijdgenoot Bruno kennen. Er ontstaat een vriendschap, die gesmoord wordt door Pietro’s terugkeer naar Milaan en de puberteit, die hem weghoudt uit Grana.

In het tweede deel trekt Pietro, dan een wispelturige stadse dertiger, weer naar Grana om het ‘rotshutje’ van zijn overleden vader op te knappen. Aldaar treft hij Bruno, die de bergen nooit verlaten heeft en die Pietro wil helpen met de renovatie. Als vanzelfsprekend bloeit hun vriendschap daarbij weer op.

Het slotdeel speelt enkele jaren later. Pietro zoekt de bergen uit zijn jeugd dan steeds meer op: hij woont grotendeels in de rotshut en maakt een reis door het Himalaya-gebergte. Bruno begint een kaasboerderij, waarmee hij zijn levensdoel behaald lijkt te hebben. In Grana bewandelen de vrienden samen opnieuw het terrein van hun jeugd.

Wat schrijfstijl betreft zoekt Cognetti aansluiting bij de klassieke realistische romantraditie, inclusief lyrische natuurbeschrijvingen: ‘Ons meer was in april nog bedekt met een dofwitte laag ijs, dooraderd met blauwe scheuren, zoals je dat ook wel ziet bij porselein. (…) Hier en daar waren platen ijs door het water omhooggeduwd, en langs de oevers aan de zonzijde zag je al de eerste donkere tinten, het begin van de zomer.’ Maar op enkele van dat soort uitspattingen na is Cognetti’s taal vooral sober, op het afstandelijke af. Hij biedt weinig inzicht in de gedachten van zijn personages. De schrijver houdt zijn invulling van de grote thema’s van dit boek – Vriendschap, Liefde, Dood – grotendeels impliciet: duiding geven mag de lezer zelf doen.

De conclusie van de roman is van een universele weemoed: ‘De herinnering is het mooiste toevluchtsoord’

Sterke tegenstellingen geven de verhoudingen tussen de personages een bijna archetypisch karakter. Dat begint al bij Pietro’s familie: zijn vader is een onbuigzame, rusteloze en wat harde scheikundige, die voor zijn zoon grotendeels onkenbaar blijft, terwijl zijn moeder een typische gevoelige alfa is, die het liefst dagdroomt en boeken leest. Pietro blijft hierdoor de rest van zijn leven balanceren tussen een verlangen naar contact en een hang naar eenzaamheid – precies de polen die door zijn twee ouders worden gerepresenteerd.

De oppositie die de basis vormt voor de vriendschap tussen Pietro en Bruno is vervolgens nogal clichématig. Pietro is een stadsjongen uit de middenklasse, terwijl Bruno gevormd is door het platteland. Hieruit volgt, als vanzelfsprekend, dat de eerste een cerebraal, introspectief karakter heeft, terwijl de tweede dichter bij de natuur staat. Ondanks hun vriendschap blijven zij hun leven lang volstrekt anders: al bij hun eerste ontmoeting worden ze gescheiden door een al te symbolische rivierstroom.

Polaire tegenstellingen als stad-platteland en cultuur-natuur, die de ruggengraat van dit boek vormen, worden door Cognetti handig gebruikt om dit verhaal gewichtiger te maken, maar hebben ook iets voorspelbaar zoets. Hierdoor krijg je wel eens het gevoel dat Bruno minder een personage is dan een symbool voor het oude, ongerepte Italië, dat het melancholisch decor van dit verhaal vormt.

De brede omarming van De acht bergen zal er alles mee te maken hebben dat het een helder gecomponeerd boek is, vol filmische scènes, die stuk voor stuk geladen zijn door nostalgie. Daarnaast is de conclusie waar de roman via de tegengestelde personages naartoe werkt van een universele weemoed: ‘De herinnering is het mooiste toevluchtsoord.’

En uit dat oord weet niemand in deze roman uiteindelijk te ontsnappen. Niet alleen het idyllische landschap, maar ook de jongensvriendschap wordt vormgegeven door de spelingen van het geheugen: tegen het einde onttovert Cognetti bruusk de verhouding door te suggereren dat de twee elkaar nooit echt hebben doorgrond, en slechts door hun eigen, particuliere jeugdherinneringen werden gestuurd.