Muziek

Pastorale stadsmuziek

MUZIEK Tunng

Het Britse Tunng mengt akoestische gitaarmuziek met krakerige elektronica. Tunng bestaat uit zanger/gitarist/componist Sam Genders en zanger/gitarist/producer Mike Lindsay, geflankeerd door Phil Winter en Martin Smith. Ze hebben geen ‘levende drummer’.

Tunng debuteerde in 2005 met Mother’s Daughter and Other Songs, een wonderlijk maar prachtig album. Het melodieuze gitaarspel en de harmonieuze samenzang van Genders en Lindsay krijgen tegenwicht door duistere teksten en het gebruik van vervreemdende samples. Folk, maar toch anders. In de Britse muziekpers kreeg dit nieuwe geluid meteen een naam: folktronica. Op opvolger Comments of the Inner Chorus is het nóg beter gelukt om de akoestische muziek en de elektronica als één organisch geheel te laten klinken.

Genders: ‘Phil Winter speelt synthesizers en bedient de laptop, dus hij is verantwoordelijk voor de samples en de loops. Martin Smith gebruikt een allegaartje van vreemde percussie-instrumenten. Hij heeft bijvoorbeeld een touw met daaraan paardentanden en berenteennagels en meer van dat soort spul, allemaal uit een Braziliaanse toverwinkel. En de tikkende typemachine op Jenny Again komt van een elpee die Phil ergens heeft gevonden.’

Wat vind je van de term ‘folktronica’?

‘Ach, als je muziek maakt, hoop je gewoon dat mensen het mooi vinden en eigenlijk wil je er zelf liever geen naam aan geven. Het is wel grappig: door het folkelement in onze muziek spelen we op folkfestivals, waar van die baardige types op afkomen, maar omdat we elektronica gebruiken, worden we ook gevraagd voor dancefestivals en daar zien we jonge meisjes dansen op onze muziek. Eigenlijk horen we thuis in het cross-overgebied tussen folk en elektronica. Pas toen we ons album af hadden en gingen toeren, kwamen we erachter dat er meer mensen zoals wij bezig zijn.

Mijn moeder had maar een paar platen. Revolver van The Beatles kan ik me herinneren, en twee compilatiealbums van Motown. Die vond ik te gek, daardoor ben ik gitaar gaan spelen. Maar mijn folkopvoeding heb ik gehad van een vriend van me, Colin Hall, een muziekjournalist met een enorme platencollectie. Via hem heb ik Fairport Convention, John Tams en andere Engelse folkartiesten uit de jaren zeventig leren kennen. Als tiener speelde ik in van die pubrockbands, je weet wel, van die jaren-tachtigrock. Maar zo rond m’n twintigste ben ik in mijn eentje gaan optreden, als singer-songwriter.’

Genders en Lindsay noemen als inspiratie de – in vergetelheid geraakte – folkzangeres Vashti Bunyan, middeleeuwse ballades, maar ook de hiphop van Mike Skinner en The Streets.

Dat verbaast me een beetje.

‘Eigenlijk doen we net zoiets als The Streets, we werken ook met beats en samples. En ik bewonder Mike Skinner om zijn woordgebruik. Hij weet heel prozaïsche dingen in liedjes om te zetten. Dat probeer ik ook te doen.’

Op jullie eerste album bedanken jullie Paul Giovanni, die de soundtrack maakte voor de cultfilm ‘The Wicker Man’ (Robin Hardy, 1973).

‘Giovanni heeft me geïnspireerd om abstracter te gaan schrijven en meer natuurbeelden te gebruiken. Maar de film zelf was ook een invloed. In The Wicker Man wordt gesuggereerd dat een meisje in een haas verandert en het nummer Woodcat, op ons laatste album, gaat over mensen die in konijnen veranderen. Het zinnetje “We all had a lovely time” is zelfs regelrecht jatwerk! Dat heb ik onbewust gedaan, ik kwam er pas achter toen ik de film opnieuw zag.’

Tunng. Concert tijdens Eurosonic in Groningen, 11 januari. Mother’s Daughter and Other Songs (Static Caravan/Konkurrent, 2005), Comments of the Inner Chorus (Full Time Hobby/Konkurrent, 2006). www.tunng.co.uk