Aidsmedicijnen in Zuid-Afrika

Patent of patiënt?

De Belgische biotechnologe Els Torreele volgt de ontwikkelingen in de farmaceutische industrie op de voet. Ze wordt er cynisch van. «Voor ziekten die alleen in ontwikkelingslanden voorkomen, is de kans op nieuwe medicijnen nihil.»

In Zuid-Afrika is het proces van de farmaceutische bedrijven enkele weken geleden opgeschort. Dat betekent dat de Zuid-Afrikaanse regering nu toch generische aidsmedicijnen kan invoeren. Maar het gaat niet alleen om Zuid-Afrika. Voor alle derdewereldlanden zijn de meeste geneesmiddelen veel te duur. En omdat niet cash kan worden betaald, gebeurt dat met mensenlevens. De Wereldgezondheids organisatie telde vorig jaar in de ontwikkelingslanden liefst veertien miljoen slachtoffers van infectieziekten, met aids-, malaria-, tbc- en luchtwegeninfecties als belangrijkste doodsoorzaken.

De nieuwste generatie aidsmedicijnen — de zogenoemde cocktails — kosten vanwege speciale patenten van de grote producenten jaarlijks 25.ooo gulden per patiënt. «Absoluut onbetaalbaar voor de modale Zuid-Afrikaan met een jaarinkomen van 3500 gulden», zegt Els Torreele, biotechnologe aan de Vrije Universiteit Brussel. Tegenover het patentrecht stelt zij het recht op geneeskundige verzorging. «Recht op gezondheidszorg is een fundamenteel mensenrecht en bijgevolg moeten essentiële geneesmiddelen ook voor iedereen beschikbaar zijn», zegt ze. «Het is hoog tijd dat de geneesmiddelenconcerns de ethische consequenties van hun beleid onder ogen durven zien. Wereldwijd zijn er 36 miljoen seropositieven, waarvan 95 procent of ruim 34 miljoen in de Derde Wereld. Door de huidige patentwet geving kan het merendeel van de aidsslachtoffers in de ontwikkelingslanden zich geen aidsmedicatie permitteren. En ze gaan er massaal aan ten onder. Voorlopig winnen de patenten het van de patiënten.»

De farmaceutische bedrijven menen dat de patenten noodzakelijk zijn voor de financiering van de enorme onderzoeks- en ontwikkelingskosten van nieuwe geneesmiddelen.

Torreele: «Voor zover de octrooibescherming het mogelijk maakt dat een onderneming zijn onderzoekskosten kan doorrekenen in de verkoopprijs, heb ik daar geen problemen mee. Maar in de praktijk fungeert het patentrecht vooral als hefboom om de prijzen en dus de winsten kunstmatig op te schroeven. Dat pleziert vooral de aandeelhouders. Bovendien heb ik de indruk dat de geneesmiddelenproducenten hun onderzoeks- en ontwikkelingskosten systematisch overdrijven. Ze spenderen inderdaad veel geld aan onderzoek, maar ze vertellen er niet bij dat ze twee- tot driemaal zoveel spenderen aan verkoop en marketing. Het is een te gemakkelijk argument als de sector beweert dat het octrooirecht vooral nodig is voor de recuperatie van de onderzoekskosten, want die bedragen maar tien tot vijftien procent van de totale kosten. Om extreem hoge winsten te maken, is het octrooirecht natuurlijk uiterst geschikt, maar als dat ten koste gaat van de levens van miljoenen mensen, is dat toch wel zeer onethisch. De onderzoekskeuzes van de geneesmiddelenindustrie zijn daarbij niet zozeer gebaseerd op medische noden als wel op maximale winsten. Ze investeren massaal in zogeheten lifestyle drugs: geneesmiddelen tegen westerse kwalen als impotentie, haaruitval of overgewicht. Dat legt hun geen windeieren. In het eerste jaar na lancering verkocht Pfizer voor twee miljard gulden aan Viagra. De aandelenkoers is sinds 1995 vervijfvoudigd. De twee best verkochte middelen tegen kaalheid haalden in ‘98 een omzet van 350 miljoen.»

Terwijl ziekten als malaria en tbc verder oprukken.

«Precies, doordat er nauwelijks onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen wordt verricht. Voor tuberculose is er de laatste dertig jaar geen enkel nieuw geneesmiddel op de markt gekomen. Voor malaria zijn er een paar nieuwe middelen ontwikkeld, maar die worden niet gebruikt omdat ze veel te duur zijn. Met als gevolg dat malariapatiënten nog altijd het goedkope, maar verouderde chloroquine voorgeschreven krijgen. Alleen, er is een bijna algemene resistentie tegen het middel, juist doordat al zo lang geen nieuw en betaalbaar middel op de markt kwam.

Voor malaria en tuberculose is de situatie misschien niet hopeloos omdat er nog een zekere ‹markt› voor is in het Westen. Veel toeristen zijn gebaat bij malariapillen. Tuberculose begint opnieuw de kop op te steken: vooral in de ex-Oostbloklanden, maar ook in New York en Madrid zijn er de laatste jaren al een paar kleinere epidemieën geweest, bovendien van de gevreesde multiresistente variant. Aangezien tbc zeer besmettelijk is, ziet men dat in het Westen als een bedreiging voor de eigen volksgezondheid. Ook vanuit militaire hoek wil men dat onderzoek stimuleren. Door de regelmatige militaire interventies in verschillende delen van de wereld worden tuberculose en malaria als potentiële bedreiging voor de gezondheid van de militairen gezien.

Het is dus niet toevallig dat de G8 en de Europese Unie sinds kort de strijd aanbinden tegen malaria en tuberculose en de bedrijven stimuleren om nieuwe geneesmiddelen te ontwikkelen. Onder andere door publiek-private financiering van onderzoeksprogramma’s, hetgeen erop neerkomt dat de overheid het onderzoek van de farmaceutische bedrijven grotendeels subsidieert. Het is afwachten in hoeverre die nog te ontwikkelen geneesmiddelen betaalbaar zullen zijn voor patiënten in de Derde Wereld.»

«Voor ziekten die alleen in de ontwikkelingslanden voorkomen, is de kans op nieuwe geneesmiddelen echter nihil. Sprekend voorbeeld hiervan is de slaapziekte, een slepende aandoening overgedragen door de tseetseevlieg, die je langzaam uitput en die zonder behandeling onherroepelijk tot de dood leidt. Slaapziekte is niet echt een marginaal fenomeen: rond de evenaar in Afrika zijn een half miljoen mensen geïnfecteerd. Een urgent en uitdijend volksgezondheidsprobleem, maar dat willen de onderzoeksafdelingen van de farmaceutische industrie niet zien. Tegen de slaapziekte bestaat welgeteld één geneesmiddel. Dat dateert nog uit de jaren veertig, uit de koloniale periode dus. Het is bovendien vrij toxisch, waardoor tien procent van de behandelde patiënten sterft. Omdat er al zestig jaar hetzelfde geneesmiddel wordt gebruikt, is in bepaalde regio’s een kwart van de patiënten resistent geworden.

Het voorbeeld van de slaapziekte is om nog andere redenen stuitend. Tot twee keer toe zijn er — als afgeleide van andere medicijnen — middelen ontdekt die als basis kunnen dienen voor een nieuw geneesmiddel tegen slaapziekte, maar geen enkel farmaceutisch bedrijf wilde deze middelen verder ontwikkelen of op de markt brengen omdat zoiets commercieel niet interessant is. Recentelijk is voor een van die producten toch een doorbraak gerealiseerd: het medicijn bleek namelijk ook werkzaam om overtollige haargroei te bestrijden. Een groot farmaceutisch bedrijf wil nu een cosmetische zalf op basis van dit product op de markt brengen. En aangezien het product dan toch wordt geproduceerd, is het bedrijf bereid om die actieve stof ter beschikking te stellen van slaapziektepatiënten. Daarmee zal een reeds tien jaar geleden ontwikkeld geneesmiddel tegen slaapziekte eindelijk beschikbaar zijn en gebruikt kunnen worden om mensenlevens te redden. Heel goed nieuws dus, maar toch wel een beetje cynisch.»