Pathologische dwarsligger

In de jaren tachtig had J.A.A. Van Doorn het ‘huilerige anti-racisme’ aangevallen. In het begin van de 21ste eeuw richtte hij zijn pijlen op populisten en islam-bashers. Marcheerde de columnist louter voor zijn genoegen tegen de richting van de publieke opinie in?

J.A.A. VAN DOORN
NEDERLANDSE DEMOCRATIE: HISTORISCHE EN SOCIOLOGISCHE BESCHOUWINGEN
Samengesteld en ingeleid door Jos de Beus en Piet de Rooy
Mets & Schilt, 576 blz., € 29,90

‘Om brutaal te beginnen: ik vind Geert Wilders niet interessant, islamofobische geluiden verwerpelijk en de Amerikanen in Irak buiten de orde. Toch behoor ik niet tot de linkse kerk. Ik heb dus iets uit te leggen.’ Zo begon een autobiografisch artikel dat J.A.A. van Doorn in februari 2005, ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag, in HP/De Tijd publiceerde en dat nu is opgenomen in de postuum verschenen essaybundel Nederlandse democratie. Van Doorn, die in mei 2008 overleed, had inderdaad iets uit te leggen, maar hoewel hij dat deed werd er vaak slecht naar hem geluisterd. Vooral zijn stellingname in het zogenaamde ‘islamdebat’ van de afgelopen jaren deed veel mensen in woede ontsteken.
Bij de presentatie van Nederlandse democratie vertelde de voormalige hoofdredacteur van HP/De Tijd dat hij ooit tijdens een etentje door achtereenvolgens de publicisten Paul Frentrop, Max Pam en Paul Cliteur werd aangeklampt met de mededeling dat het ronduit schandalig was wat die Van Doorn telkens beweerde. Zo lelijk als hij schreef over Ayaan Hirsi Ali, Afshin Ellian en Ehsan Jami! En deze erudiete opinieleiders stonden niet alleen in hun onbegrip, want voor veel lieden die op internet driftig meededen met het ‘debat’ was Van Doorn typisch een van die vermaledijde linkse intellectuelen die Nederland zo verziekt hebben. Met hun onnavolgbare logica maakten ze hem dus uit voor ‘de raszuivere nazaat van Joseph Goebbels’ en ‘Gauleiter Van Doorn’.
Dat artikel in HP/De Tijd was getiteld ‘Tegen de stroom’, en hoewel J.L. Heldring niet helemaal ongelijk had toen hij onlangs stelde dat het beter ‘Ik had gelijk’ had kunnen heten, paste deze titel goed bij Van Doorns houding als intellectueel en wetenschapper. In 1990 verklaarde hij in Vrij Nederland: ‘Ik kan tijdens een gesprek een draai van 180 graden maken, het gaat mij om het uittesten van argumenten. Als iedereen een bepaalde mening verkondigt die niet meer aantastbaar is, ga ik aan de andere kant hangen.’
Hij zei dit naar aanleiding van het conflict dat hij als columnist van NRC Handelsblad met de hoofdredactie kreeg, nadat die zijn column over ‘zelfcensuur’ van ‘joodse journalisten’ als ‘onbetamelijk’ had gekwalificeerd. Van Doorn, die door sommigen nu van antisemitisme werd beschuldigd, werd in linkse kringen toch al gezien als een dubieus denker, aangezien hij kritiek had geuit op het door veel progressieve Nederlanders heilig verklaarde ANC, dat in Zuid-Afrika tegen het apartheidsregime streed. Bovendien was hij, nadat hij in de jaren vijftig en zestig als beleidssocioloog een bijdrage had geleverd aan de professionalisering van het openbaar bestuur en de opbouw van de verzorgingsstaat, steeds meer gaan twijfelen aan de zogenaamde ‘maakbaarheid van de samenleving’ en had hij midden in de ‘rode jaren zeventig’ een diesrede uitgesproken met als provocerende titel ‘Conservatieve gedachten’.
Was Van Doorn nu simpelweg een contrarian, een welhaast pathologische dwarsligger, die nadat hij in de jaren tachtig het ‘huilerige anti-racisme’ had aangevallen in het begin van de 21ste eeuw zijn pijlen richtte op populisten en islam-bashers? Was hij iemand die louter voor zijn genoegen tegen de richting van de publieke opinie in marcheerde? Hoewel hem een zekere aangeboren tegendraadsheid niet kon worden ontzegd, valt wel op dat hij, in tegenstelling tot veel van zijn tegenstanders, wel erg veel werk maakte van het met argumenten onderbouwen van zijn standpunten. Bovendien bleef hij de erudiete pijlen van zijn kritiek in alle richtingen afschieten, want toen hij in 2007 door rabiate islamofoben inmiddels was ingedeeld bij de ‘linkse kerk’ kwam hij met zijn boek Duits socialisme, waarin hij stelde dat de nazi’s het socialisme heel wat dichterbij hadden gebracht dan de Duitse sociaal-democraten. Hoewel het boek teleurstellend was – veel literatuur die in de decennia daarvoor over dit onderwerp was verschenen had Van Doorn buiten beschouwing gelaten en hij kon zijn stelling alleen ‘bewijzen’ door een heel eenzijdige interpretatie van het begrip ‘socialisme’ te geven en geen aandacht te schenken aan het feit dat de sociaal-democraten geprobeerd hadden hun doelstellingen op democratische wijze te verwezenlijken, terwijl Hitler een dictatuur instelde – maakte het wel duidelijk dat hier geen kritiekloze linkse-kerkganger aan het woord was.

Ook uit de nu verschenen bundel Nederlandse democratie wordt duidelijk dat Van Doorn meer was dan zomaar een dwarspisser, dat hij altijd op zoek was naar feiten en argumenten, dat hij de wetenschappelijke aandrang bezat de communis opinio aan de tand te voelen en de waan van de dag te ontmaskeren. Volgens Jos de Beus en Piet de Rooy, in hun inleiding bij deze bundel, zag Van Doorn zijn essays en columns als ‘pogingen om een intellectueel tegenwicht te bieden tegen ontsporingen van de consensusdemocratie’. Niet tegen de consensusdemocratie zelf keerde hij zich – polarisatie als doel op zich leidt immers slechts tot ontwrichting – maar wel tegen een geestelijk klimaat waarin één visie allesoverheersend was en tegenargumenten niet meer gehoord werden.
Dat was ook de reden waarom hij in 1976 zijn ‘Conservatieve gedachten’ formuleerde. Terwijl spraakmakend Nederland zichzelf als ‘links’ en ‘progressief’ afficheerde en van mening was dat een radicale democratisering zou resulteren in een humane maatschappij – diep van binnen is de mens immers geneigd tot ‘het goede’ – wees Van Doorn erop dat dit wellicht een misvatting was. ‘Traditioneel links heeft zichzelf niet genoeg beziggehouden met de vraag naar de werkelijke aard van de mens’, luidde een citaat van Conor Cruise O’Brien dat hij als een van de twee motto’s meegaf aan zijn redevoering.
Bovendien moest men zich volgens Van Doorn realiseren dat de wetenschap niet met eenduidige antwoorden op alle menselijke problemen kon komen: ‘Er is geen vliegtuigpassagier zo bang als een vliegtuigbouwer en niemand heeft meer vrees voor oorlog dan een militair: zij weten waarover ze het hebben. Zo ook zal de beoefenaar van wetenschap, zeker indien zijn werk hem brengt op het gebied van toepassing en organisatie van wetenschappelijke kennis, zo al niet bang, dan toch bescheiden moeten zijn. Een door wetenschap beheerste wereld was ooit een utopie, het is thans een schrikbeeld.’
Dit was niet alleen een oorlogsverklaring aan het toen zeer modieuze marxisme, dat zichzelf vol trots presenteerde als ‘wetenschappelijk socialisme’, het was ook een pleidooi voor democratie, omdat dit de enige maatschappelijke orde is die elke discussie openhoudt. ‘Zij leeft’, aldus Van Doorn, ‘uit het bewustzijn dat iedere beslissing slechts één mogelijkheid realiseert naast andere, wellicht even legitiem. Vandaar dat zij slechts levend blijft indien zij zodanig werkt dat andere oplossingen – tijdelijk slapend en inactueel – nimmer ontoegankelijk worden.’ Deze, door Karl Popper, Isaiah Berlin en de Duitse socioloog Ralf Dahrendorf beïnvloede opvattingen zouden heden ten dage moeten neerkomen op het intrappen van een open deur. Wie echter ziet hoe populisten alle heil verwachten van het toegeven aan ‘de wil van het volk’ – alsof dat volk ooit één wil zou hebben – beseft dat Van Doorns opvattingen allesbehalve gemeengoed zijn.
Hoewel Van Doorn weigerde mee te huilen met de wolven in het bos – of dat nu marxistisch angehauchte activisten of islamofobe politici en columnisten waren – was hij dus ook geen hautaine deskundoloog die meende alle wijsheid in pacht te hebben en op basis hiervan een blauwdruk voor de ideale samenleving te kunnen tekenen. Politici, ambtenaren en wetenschappers dienden volgens hem juist heel goed te kijken naar wat er onder de bevolking leeft. In het uit 1972 daterende artikel ‘Krijgt Nederland een rassenvraagstuk’, naar aanleiding van onlusten die in Rotterdamse volkswijken waren uitgebroken als gevolg van de toestroom van wat toen nog ‘gastarbeiders’ werden genoemd, wees Van Doorn erop dat beleidsmakers absoluut geen oog hadden voor de spanningen die door de komst van etnische minderheden werden veroorzaakt. Dit artikel verscheen negentien jaar voordat Bolkestein aandacht vroeg voor de sociale en culturele problemen waarmee de komst van vele moslims gepaard ging, en 28 jaar voordat Paul Scheffer ‘het multiculturele drama’ definitief op de agenda zette. Maar net zo min als hij toen de autochtone Rotterdammers wilde wegzetten als ordinaire racisten, wilde Van Doorn dertig jaar later alle Nederlandse moslims beschouwen als achterlijke fundamentalisten die onmiddellijk de sharia willen invoeren. Toen werd zijn standpunt als weerzinwekkend ‘rechts’ gezien, op het eind van zijn leven gold hij als hopeloos ‘links’, waarbij de critici ervan uitgingen dat het hier om pleonasmen handelde.

Hoewel er in de meeste necrologieën op werd gewezen dat Van Doorn in de jaren vijftig en zestig als beleidssocioloog min of meer in de pas liep bij de op uitbouw van de verzorgingsstaat gerichte overheidspolitiek, blijkt uit verschillende stukken in deze bundel dat hij ook hier kritische geluiden liet horen. Zo signaleerde hij in 1955 dat achter het grotestedenbeleid, waarin men ervan uitging dat de wijk het ideale integratiekader vormde, een sterk romantisch en ideologisch gekleurd wensdenken schuilging, en dat deze aanpak wel tot problemen moest leiden. Ook zette hij reeds vroeg vraagtekens bij het fenomeen ‘verzuiling’.
Het was echter vooral na zijn vervroegde vertrek bij de universiteit, in 1987, dat hij zich ten volle ontplooide als publiek intellectueel. Hij schreef toen al vijf jaar columns in NRC Handelsblad, maar nu kreeg hij veel meer tijd om opiniestukken, essays en boeken te schrijven. In tegenstelling tot De draagbare Van Doorn, in 1996 samengesteld door Gerry van der List, zijn in deze bundel geen columns opgenomen. Gezien de scherp geprofileerde rol die Van Doorn vooral in de jaren erna is gaan spelen valt te hopen dat er ook uit die columns een bloemlezing wordt samengesteld, zoals het ook mooi zou zijn wanneer zijn essays en lezingen over het koloniale verleden van Nederland gebundeld werden.
Toch zijn er met betrekking tot de meer recente ontwikkelingen in Nederland heel wat interessante stukken opgenomen. Bijzonder boeiend is bijvoorbeeld ‘Belast verleden’, over ‘de historisering van de publieke moraal’, waarin Van Doorn onder meer ingaat op de rol van de Tweede Wereldoorlog als ‘ijkpunt’ en van leer trekt tegen ‘morele arrogantie op basis van historische selectiviteit’. Het is een breed uitwaaierend betoog, dat niet alleen heel wat erudieter maar ook meer to the point is dan het laatste pamfletje van Joost Zwagerman, dat onder meer tegen Van Doorn gericht was.
De bundel, waarin beschouwingen zijn opgenomen die Van Doorn gedurende een halve eeuw heeft geschreven, wordt afgesloten met een niet eerder gepubliceerd essay dat hij enkele maanden voor zijn dood heeft voltooid. Het is getiteld ‘Herfsttij der democratie – over de huidige malaise in de Nederlandse politiek’. In vogelvlucht schetst Van Doorn de ontwikkeling van de Nederlandse democratie vanaf het midden van de negentiende eeuw, waarbij hij uitgebreid aandacht vraagt voor de historische verdiensten van de liberale, christen-democratische en sociaal-democratische stromingen en waarbij hij vooral de laatste twee beschouwt als de politieke krachten die van de partijendemocratie een groot succes hebben gemaakt. De stabiliteit en de verbondenheid met het maatschappelijke middenveld die kenmerkend waren voor deze partijendemocratie lijken nu te zijn omgeslagen in hun tegendeel, zodat er alom wordt geweeklaagd over ‘de kloof’ die zou gapen tussen de ‘arrogante Haagse kliek’ en ‘het vergeefs naar aandacht en directe belangenbehartiging hunkerende volk’. Volgens Van Doorn is die kloof een mythe, aangezien politici nog nooit zo sterk hun oren hebben laten hangen naar de kiezers. ‘Ze reageren op elk onwelwillend geluid dat uit de media opstijgt en zijn niet zelden bereid de hurkstand aan te nemen om niet arrogant over te komen.’
Het zijn volgens Van Doorn de vergaande individualisering en het neoliberale dogma dat de markt in alle omstandigheden een veel beter ordeningsprincipe is dan de overheid, die hebben geleid tot het functie- en statusverlies van overheid en politiek. En anders dan veel andere critici van het huidige politieke bestel geloofde hij niet dat een, al dan niet gedeeltelijke, knieval voor het populisme zou leiden tot een gezonder politiek klimaat.

Tijdens de presentatie van deze boeiende, buitengewoon rijke bundel gaf Dick Pels te kennen dat het laatste essay hem bijzonder teleurgesteld had, aangezien Van Doorn wel een diagnose stelt, maar niet met een remedie komt. Hij beschrijft de crisis maar biedt geen uitweg. Maar misschien is die uitweg er ook niet, althans niet één waarbij zowel democratie als rechtsstaat volledig intact blijft. Zolang populisten aanhang weten te verwerven met een geperverteerde vorm van democratie, waarin de meerderheid geen rekening wenst te houden met de verschillende minderheden, is de kans groot dat de rechtsstaat in gevaar komt en uiteindelijk ook de veelbezongen democratie wordt uitgehold.
Als Van Doorn iets duidelijk heeft gemaakt, dan is het dat populisme, ‘verlicht’ of niet, geen uitweg vormt maar een doodlopend slop is. De enige remedie zou een terugtredend electoraat zijn, een kiezerskorps dat weer vertrouwen stelt in politici en bestuurders en niet verwacht dat deze per onmiddellijk alle verlanglijstjes honoreren. Van Doorn had echter genoeg levenservaring om te beseffen dat een dergelijke ommekeer niet erg waarschijnlijk was, terwijl hij evenmin optimistisch was over het vermogen van de hedendaagse politici om die ommekeer af te dwingen.