Patience met verdriet

Gerry van der Linden, Wind. 158 blz., Nijgh & Van Ditmar, f24,50
GERRY VAN DER Linden is dichteres. Na de drie dichtbundels De aantekening, Val op de rand en Aan mijn veren hand maakte ze vorig jaar haar prozadebuut met de novelle Enveloppe, en afgelopen voorjaar publiceerde ze Wind.

Wind is een roman over een vrouw en drie mannen. Twee van hen zijn vader: de eerste is de verwekker van de vertelster, Mol, en de tweede de vader van haar kind. De derde man is haar grote liefde. Door haar verhaal te doen, neemt alleenstaande- vrouw-met-kind Mol afscheid van de belangrijkste mannen in haar leven, een voor een.
De vertelling is opgedeeld in drie tijden, drie aan de mannen gekoppelde periodes uit Mols leven. Allereerst blikt ze terug op haar jeugdjaren en haalt uitgebreid herinneringen op aan haar tienertijd in Brabant, als dochter in een redelijk welgesteld gezin. Enkele korte hoofdstukken zijn gewijd aan de man met wie zij een kind kreeg, een gevluchte Albanees. Ten slotte zijn er de brieven die Mol in 1993 en 1994 schreef aan haar gestorven geliefde. De vrouw die Mol nu is, is voor een groot deel bepaald door deze mannen. Ieder van hen heeft op een andere manier zijn sporen achtergelaten, en ieder even ingrijpend.
MOLS JEUGD staat in het teken van de onberekenbare vader. Hij tiranniseert zijn gezin en maakt er een gewoonte van zijn kinderen telkens weer tot voorbij aanvaardbare grenzen te vernederen. Deze man duidt Mol consequent met ‘hij’ aan; ze is blijkbaar niet in staat die razende kwelgeest die haar het leven zuur maakt als 'mijn vader’ te beschrijven. Niet geheel onbegrijpelijk.
'Hij’ laat geen kans onbenut zijn sadistische neigingen bot te vieren op Mol en op haar broertjes en zusjes. Moeder blijft nog redelijk buiten schot, waarschijnlijk omdat zij in staat is te berusten in haar bittere lot, terwijl de kinderen zich trachten te verzetten en niet wensen te accepteren dat ze in een hel moeten opgroeien.
Mol gaat werken in de Campina-fabriek, in de schoolvakanties en het weekend. Ze wil namelijk een brommer kopen. Na enige tijd heeft ze genoeg geld verdiend om haar eerste Solex te kunnen aanschaffen. Trots komt het meisje rond etenstijd thuis, Solex aan de hand. Ze voelt zich groot en machtig met haar nieuwe aanwinst. Haar vreugde is echter van korte duur. Ze had eerder thuis moeten zijn en dat heeft de woede van haar vader gewekt. Bovendien is een brommer kopen zonder toestemming een zware overtreding. Om zijn dochter dat voor eens en altijd in te prenten, trapt hij haar Solex genadeloos in elkaar.
De anekdoten die Mol over haar jeugd vertelt, zijn schrijnend. Het onmenselijke, semi- krankzinnige regime van de vader maakt van de kinderen verknipte wezens; een psychisch gezonde toekomst lijkt voor hen niet te zijn weggelegd. Om zich te beschermen tegen de doem van haar vaders agressie, trekt Mol zich terug in zichzelf. Ze creeert een eigen wereldje, waarin ze zich veilig kan voelen: 'Ze woont in een kasteel met overal ramen, geheime plekken. Over de uitgesleten trappen tilt ze haar rokken, een bos gouden sleutels rinkelend aan haar middel, en ze klimt naar haar torenkamer waar ze met een ganzeveer brieven schrijft aan haar geliefde. Hij heeft gespierde benen in lederen kaplaarzen en een mooie, stoere lach die weerkaatst op de cour. In de toren is het vredig en stil, alleen de valk maakt af en toe een raar geluidje. Prrr, prrr.’
IN HAAR LATERE leven zal Mol - al dan niet noodgedwongen - meer dan eens gebruik maken van de vluchtmogelijkheid die ze als tiener voor zichzelf heeft geschapen. Steeds als ze de werkelijkheid niet onder ogen kan of wil zien, keert ze zich naar binnen.
Als ze volwassen is geworden, treedt een andere man haar leven binnen. Haar liefde voor hem is onbeschrijflijk groot, en zelfs sterker dan de dood. Twaalf jaar nadat hij op tragische wijze is overleden, houdt Mol nog steeds van hem, zo blijkt uit haar brieven aan hem.
Die brieven hebben een hoog 'weet je nog’-gehalte. Mol haalt herinneringen op aan de tijd dat ze samen waren, spreekt haar peilloze heimwee uit, hunkert naar zijn gezelschap, en vertelt hem keer op keer hoezeer hij nog steeds bij haar is, over de dood heen: 'Ik hoef maar om te kijken om je vertrouwde gezicht te zien alsof je voor me staat. Je grote handen met de kromme duim en je schallende lach. Houdt het nou nooit op?! In mijn bloed, in mijn woorden zit je genesteld, in mijn tranen, ook al zijn ze niet voor jou. In mijn lach zit je te schateren. Maar je kunt me geen antwoord meer geven. Ik kan je stem niet meer horen, je gezicht niet meer zien. Je hult je in mist en zwijgen zoals je dat zo goed kon als we ruzie hadden gehad en ik weer vreselijke dingen had gezegd. Het spijt me. Ik heb vreselijke dingen tegen je gezegd. En jij tegen mij.’
DE DERDE MAN in Wind is de vader van haar kind. Hun liefde was minder intens: ’ “Wat is dit voor een lucht?” kijkt hij somber voor zich uit. In zijn ogen ligt niets, ze zijn afgesloten als de grenzen van zijn land. Wat moet ze met de vader? Zoveel heeft ze voor hem gevoeld, zoveel van hetzelfde en nu, het lijkt alsof ze eeuwenoud zijn geworden. Het lijkt alsof de liefde een gat is geworden waar ze in zijn gevallen, geen kans hebben ze gehad om elkaar de hand toe te steken.’
Wind is een in zichzelf gekeerde roman. Zoals Mol zich in haar jeugd afsloot voor de boze buitenwereld, waarin haar vader als een dolleman rondraasde, zo keert ze zich later, nu ze dit verhaal vertelt, eveneens naar binnen. Daar is het altijd veiliger dan buiten.
Op dezelfde manier sluit de roman de werkelijkheid buiten. Meer en meer wordt de lezer meegetrokken, de binnenwereld van de vertelster in. Daar lijkt ze een soort 'patience met verdriet’ te spelen. Vooral in de brieven aan de gestorven geliefde krijgt een poetische stijl de overhand, zelfs zozeer dat het een averechts, want melodramatisch, effect krijgt. Gerry van der Linden kan bij vlagen mooi schrijven, maar dat ze een dichteres is, is nu en dan hinderlijk zichtbaar. Waar ze wat minder gedragen stileert, weet ze echter een boeiend en ontroerend verhaal te vertellen. De melodramatiek van de liefdesbrieven kan haar daar vergeven worden.
HET VERLANGEN naar vrijheid van Mol, zowel als meisje als als volwassen vrouw, krijgt mooi gestalte in het subtiel terugkerende motief van de wind. En het is bijna aangrijpend om te lezen hoe de waanzin van haar vader ertoe heeft geleid dat Mol nooit in staat is geweest iemand onvoorwaardelijk lief te hebben, hoe graag ze ook zou willen.
Aan haar grote liefde schrijft ze: 'Niet hartstochtelijk heb ik van je gehouden, maar ingehouden als een jong meisje, meer met wilskracht dan vanzelf, meer met beeld dan werkelijkheid.’ De bron van Mols blokkade moge duidelijk zijn. In haar laatste brief noteert ze: 'Iedere keer opnieuw zal ik mij schaven. Niet aan de harde schil, maar aan de broze binnenkant. Natuurlijk, niemand zal de proef doorstaan, zich de meedogenloze, ongrijpbare regels eigen maken, want ieder zal hem moeten ontstijgen, zal op zjn knieen uit zijn doolhof van berekenende waanzin moeten kruipen.’
De onmogelijkheid haar vaders invloed op haar leven achter zich te laten, is een bindend element tussen de drie verhalen. Geen van de drie mannen ontvangt haar volledige liefde, net zoals Mol in haar jeugd nooit de liefde van haar vader kreeg die ze verlangde. De onmogelijkheid lief te hebben is van haar vader overgegaan in Mol. Maar misschien schuilt de essentie van de liefde juist wel in de hardnekkige poging toch te beminnen.