Patrice Chéreau (2 november 1944 - 7 oktober 2013)

Een vriend vertelde: ‘In de werkkamer van zijn Parijse woning staan tussen manuscripten en fotoalbums drie tafels. Eén voor toneel, één voor opera, één voor film.’ Hij schakelt voortdurend van de ene tafel naar de andere, vaak meermalen per dag. Zo is zijn leven.’ Een vriend vertelde: ‘In de werkkamer van zijn Parijse woning staan tussen manuscripten en fotoalbums drie tafels. Eén voor toneel, één voor opera, één voor film.’ Hij schakelt voortdurend van de ene tafel naar de andere, vaak meermalen per dag. Zo is zijn leven.’

Zijn theaterwerk was hier in de afgelopen jaren voor Nederlandse begrippen opvallend vaak te zien: twee ensceneringen in zes jaar tijd. Op het Holland Festival van 2007 presenteerden regisseur Patrice Chéreau en dirigent Pierre Boulez Janáceks opera Uit een dodenhuis, een bijna griezelig nauwkeurige, magistrale enscenering. Een paar jaar geleden bracht de Amsterdamse schouwburg Chéreau’s Parijse regie van Rêve d’automne, ‘Herfstdroom’ van de Noorse schrijver Jon Fosse. Een bloedmooie, stille voorstelling, over een vrouw die tussen de zerken op een kerkhof een liefde van lang geleden wil terughalen, maar wat ze ook omarmt, de herinnering blijft koud marmer.

Aan het begin van de jaren vijftig was het gezin Chéreau van Lézigné (Maine-et-Loire) waar Patrice geboren is, verhuisd naar Parijs, hoek Rue de Seine en Rue des Beaux-Arts. Zijn ouders, beiden beeldend kunstenaar, leerden hem tekenen, een essentiële vaardigheid, zo schreef hij: ‘Leren tekenen, dat is leren kijken.’ Zijn vader nam Patrice mee naar het Louvre, vertelde verhalen bij de schilderijen. Maar de jonge Chéreau keek vooral naar de beelden. De gevleugelde Nikè van Samothrake, het beeld van de Afrikaanse visser dat Rubens tot model koos voor het schilderij van de stervende Seneca, de Knielende Venus – mensen in ruimtes. In Quartier Latin ontdekte hij een cinémathèque (die er nog steeds is, hoek Saint-André des Arts/Gît-le-Coeur), waar zwijgende films draaiden uit het Duitse expressionisme. Die heel beroemde natuurlijk, zoals Caligari en Metropolis, maar ook minder bekende, zoals de stomme Grimm-verfilming Der müde Tod. Het is Chéreau altijd blijven intrigeren, de combinatie van heftige fysieke expressie en plekken als kathedralen. Bewegende mensen in obscure ruimtes.

Toen het Berliner Ensemble van Bertolt Brecht eind jaren vijftig in Parijs was te zien, in het kader van Théâtre des Nations, het festival dat een soort toneeluniversiteit werd voor zijn generatie, raakte Chéreau zodanig in de ban van de fabuleuze toneelspelers en de curieuze stilering in de vormgeving dat hij Duits ging studeren en een reisbeurs naar Oost-Berlijn aanvroeg en kreeg. Mensen in ruimtes, vol betekenis en noodzaak. En dan zonder die radicale politisering uit de jaren zestig, waarmee hij zich nooit heeft kunnen engageren, politiek geëngageerd als hij was.

Als regisseur had Patrice Chéreau al op zijn 22ste een eigen troep in een voorstad van Parijs. Hij ging daarna in de leer bij Giorgio Strehler in Milaan en maakte daar zijn eerste spraakmakende ensceneringen (Toller van Dorst, Wedekinds Lulu). Terug in Frankrijk leidde hij van 1971 tot 1977 samen met zijn mentor Roger Planchon het Théâtre National Populaire in Villeurbanne bij Lyon, zijn oogstjaren, met misschien zijn mooiste regie ooit, Peer Gynt van Ibsen, de lange weg van mythe naar mens. En daar werd zijn werk gezien door dirigent Pierre Boulez. Die was gevraagd om ter gelegenheid van het eeuwfeest van het Festspielhaus in Bayreuth een nieuwe versie van Wagners Ring des Nibelungen te komen dirigeren. Er werd maar geen geschikte regisseur gevonden. Ingmar Bergman en Peter Brook durfden of wilden niet, Giorgio Strehler weigerde botweg, Peter Stein wenste het werk in te korten (onbespreekbaar) en Wagner te ‘entnazifizieren’, waar het ‘kleinkind van God’, Wolfgang Wagner, geen oren naar had – dát had hij, als ‘verlichte’ wagneriaan, immers zelf al jaren gedaan. Boulez beval Patrice Chéreau aan, 32 op dat moment. Die het werk hoogstens van zijn abstracte, Teutoonse mythologie wilde ontdoen.

De rest is geschiedenis. Door Martin van Amerongen in zijn boek over Wagner, De buikspreker van God, aldus samengevat: ‘Wotan, de tragische heerser over de wereld, werd afgeschilderd als een gewelddadige kapitalist zonder enige scrupules. Siegfried, de vrije, reine mens, werd teruggebracht tot een manipulerende, trouweloze bekkesnijer.’ In de vier jaar dat de Boulez/Chéreau-versie van de Ring in Bayreuth repertoire hield, is de (in het laatste jaar 1980 verfilmde) enscenering uitgegroeid tot een mijlpaal in de operageschiedenis. En Chéreau werd als operaregisseur een wereldster.

Die zich daar vervolgens niet op liet voorstaan. Hij verhuisde gewoon naar een andere tafel en ging filmen, L’Homme blessé (1982), La Reine Margot (1994), Intimacy (2001) en Persécution (2009). Bejubeld, in de prijzen gevallen, desondanks misschien niet zijn beste werk, omdat de speelsheid en het bizarre gevoel voor humor hem in die, dicht op de huid gedraaide, soms pompeuze en melodramatische films, enigszins in de steek liet. In de jaren tachtig nam hij de artistieke leiding op zich van Théâtre des Amandiers, in de Parijse voorstad Nanterre. Waar hij een nieuw Frans schrijftalent lanceerde (Koltès), een imposante reeks klassiekers ensceneerde en een eigen toneelstudio begon, als antwoord op het traditionele Parijse Conservatoire, met accent op de fysieke speelstijlen van Meyerhold en Brecht en die twee samengevoegd in het rijke toneelidioom van Chéreau’s leraar Giorgio Strehler. In 1990 trok hij zich terug uit zijn vaste troep om vrij te kunnen werken. Schakelend tussen die drie, nu verweesde tafels in zijn werkkamer: die voor toneel, opera en film. Wat van hem lang zal blijven doorwerken is wat de Franse taal clarté noemt, wat niet alleen helderheid, precisie en transparantie betekent maar ook eerlijkheid. Voor hem was regisseren het terugvinden van de zuivere herinneringen aan de kindertijd, het leren tekenen bij zijn vader, dat voor Chéreau zo intens gelijk stond aan wat als regisseur zijn grootse kracht was: goed kijken, heel precies zijn in de aanwijzingen aan spelers.

Patrice Chéreau stierf op maandag 7 oktober in Parijs aan kanker. Hij is 68 jaar geworden.


Beeld: Martine Franck / Magnum / HH