Patricia hearst als verzopen kat

Manuel de Falla maakte ooit naar aanleiding van een optreden van de jonge Yehudi Menuhin een wijze opmerking. Natuurlijk was hij onder de indruk van een dergelijk wonderkind, maar ‘dat Verdi op zijn tachtigste Falstaff schreef heeft mij meer verbaasd dan Mozart die als twintigjarige zijn meesterwerken schreef’.

Het is onnavolgbaar hoe Verdi op zo hoge leeftijd en met 27 dramatische opera’s achter de kiezen zichzelf op een heel nieuw spoor wist te zetten met deze komedie. Voor een klucht was hij niet in de wieg gelegd, maar de lichtvoetige, relativerende toon die Falstaff draagt, was hem eigenlijk op het lijf geschreven. Zowel dirigent Riccardo Chailly als regisseur Llus Pasqual, samen verantwoordelijk voor de nieuwe produktie van Falstaff ter gelegenheid van de opening van het Holland Festival, hebben dat goed aangevoeld. Chailly zette met het Concertgebouworkest een sprankelende uitvoering neer, terwijl Pasqual een visuele evenknie bood in een bescheiden, smaakvolle enscenering. Geen vette grappen, maar een speelse tragi-komische benadering die de theatraliteit van de muziek prachtig ondersteunt.
Hoe ver was een dergelijk evenwicht te zoeken in Freeze, waarmee componist Rob Zuidam vorige week zijn operadebuut maakte. Freeze is gebaseerd op de fascinerende geschiedenis van Patricia Hearst, de dochter van de Amerikaanse krantenmagnaat die ontvoerd werd en zich bij de terroristen aansloot. Rob Zuidam voorzag dit dramatisch gegeven van kleurrijke, meeslepende muziek, die in de matte regie van Lidwien Roothaan echter geen enkel tegenwicht vond.
Tegenover de beweeglijkheid van de muziek heeft Roothaan logischerwijze een statisch toneelbeeld willen plaatsen. Maar omdat niet voor een uitgesproken stilering van de beweging is gekozen, staan de zangers als stijve harken op het toneel. Ook in de aankleding lijkt ze op twee gedachten te hinken: wanneer pa Hearst een zaktelefoon uit zijn colbertje tevoorschijn haalt, lijkt dit de opmaat voor een humoristisch, visueel contrapunt. Deze lijn wordt echter niet doorgezet, zodat ook het gebruik van attributen - alleen de terroristen lopen met machinegeweren te zwaaien - halfslachtig blijft.
Eigenlijk gebeurt er niets op het podium. Kwalijker nog is dat de regie in bepaalde opzichten dwars tegen de muziek ingaat. De lelijke, schrille kleuren waarin de zangers gehuld gaan - fel geel, blauw en oranje - staan haaks op de warme, dramatische toonzetting van Zuidam. Maar ook zoiets simpels als bewegen over het toneel - lopen, met andere woorden - lijkt nauwelijks vanuit de muziek gedacht. Het enige wat goed werkt, is de mimiek van de zangers, zoals de vulgaire grijns van de terroriste Mizmoon of de blik van een verzopen kat waarmee Patricia nu en dan de zaal in kijkt.
Aan de partituur van Zuidam doet dit alles nauwelijks afbreuk. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt de grote voorbeelden uit de muziekliteratuur goed bestudeerd te hebben en Freeze dwingt respect af door het vakmanschap: de muzikale sfeer- en karaktertekeningen zijn precies, spanning en ontspanning zijn zorgvuldig getimed, melodische passages worden uitgespeeld tegen ritmische bewegingen, de vocale partijen zijn goed zingbaar (en de Engelse tekst vaak verstaanbaar), de prachtige duetten en terzetten lijken een regelrechte hommage aan het belcanto, terwijl andere aria’s weer naar de musical neigen. En dan hebben we het nog niet over de behandeling van het ensemble, dat soms tot orkestrale proporties uitdijt en andere keren met een flinterdunne subtiliteit is geinstrumenteerd.
Toch ontbreekt er een wezenlijke dimensie in Freeze. Zuidam, die zelf het libretto schreef, heeft steeds benadrukt dat het contrast tussen de vluchtigheid van de media (inherent aan het onderwerp) en de traagheid van de menselijke emotie (die in de zang zijn weerslag vindt) de kern van het stuk vormt. Die frictie is er niet. Helaas, want nu ontrolt de handeling zich als in een doorsnee-opera zonder dat verschillende tijdsdimensies met elkaar botsen.
Desalniettemin is Freeze een proeve van grote virtuositeit. Waarmee Zuidam (29) maar weer aantoont dat talent ook tussen twintig en tachtig tot bloei kan komen.