Interview: Kunstenaarsduo Persijn Broersen en Margit Lukács

Patronen hebben iets geruststellends

Persijn Broersen en Margit Lukács maakten commercials, clips, installaties en meer. In veel van hun titels zit het verlangen naar iets paradijselijks. Een gesprek met een kunstenaarsduo op zoek naar sentimenten die tegenwoordig niet meer kunnen.

In de luttele vier, vijf jaar dat Persijn Broersen (Delft, 1974) en Margit Lukács (Amsterdam, 1973) samenwerken en -wonen bewogen ze zich op een verwarrende veelheid van terreinen. Aan belangstelling geen gebrek. Ze maakten commercials, videoclips, installaties, autonome video/computeranimatiewerken, online columns voor de Volkskrant, een omslag voor de vpro-gids, deden veejay-werk, organiseerden/produceerden/regisseerden een One Minutes Awards-uitreiking in Paradiso, publiceerden een photo comic en gaven workshops in India, China en Zweden. Tentoonstellingen hadden ze in gem in Den Haag, in het Stedelijk in Amsterdam, in Istanbul, Stockholm, Pau, Dordrecht en Boekarest. In november hebben ze in het Stedelijk Museum in Den Bosch hun eerste solotentoonstelling. «Maar nu hebben we even niks.» Daar in Zweden, waar ze afgelopen winter in residence verbleven, begon iets nieuws, een volgende fase. «We waren ineens met z’n tweeën, zonder vrienden om ons heen. Toen zijn we eigenlijk voor het eerst gaan nadenken over wat ons bezighoudt, over waar we al die tijd mee bezig waren.» Hun werk moest zich verdiepen, realiseerden ze zich. Ze moesten doordachter werken dan ze tot nu toe deden, «…het meer naar één ding toebrengen. We realiseerden ons ook hoezeer je bepaald wordt door je achtergrond, hoe je houding in het leven bepaald wordt door de familie waaruit je voortkomt.»

Persijn Broersen: «Ik kom uit een hechte familie die al eeuwen ongestoord op één plek woont. Kop van Noord-Holland. Nuchter. Dingen zijn voor hen wat ze zijn. Ze hebben vertrouwen in het bestaan. Ik heb dat ook. Ik ben van ons tweeën degene die streeft naar orde en structuur. Margit komt die altijd verstoren.»

Margit Lukács: «Ik wantrouw orde. De Lukácsen zijn van oorsprong joods-Hongaars en hebben zich over de wereld verspreid. Mijn opa kwam in de jaren twintig naar Nederland. Hij verzweeg dat hij joods was. Woonde in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Maakte in de oorlog dus mee wat daar gebeurde. Pas veel later kwam uit dat hij joods was. In mijn ouderlijk huis was de boekenkast gevuld met meters boeken over de holocaust. Dat was zo ongeveer het eerste wat ik als kind iedere dag zag.»

Daar maken ze nu dus werk over: één werk over de familie Broersen en één over de familie Lukács. Dat over de Broersens zal bestaan uit verscheidene videoschermen waar de toeschouwer door omringd wordt, dat over de Lukácsen uit één videoscherm: «Ja, dat is veel afstandelijker. Het verhaal zal in belangrijke mate uit gissingen en fictie bestaan.» Onlangs waren ze nog voor archiefonderzoek in Hongarije en Roemenië. «Om achter de feiten te komen. Veel is onduidelijk. Niet alles valt te achterhalen. Het is raar hoe snel zo’n hele familiegeschiedenis vervaagt.»

Medium worldof 20tomorrow

Hun studio oogt als een kantoor. Aan de muur een uitgebreid werkschema, een honderdtal krantenknipsels met nieuwsfoto’s en een stuk of wat grote zwart-witprints met weelderige plantenmotieven. Ruim verspreid over de ruimte drie werktafels met computer. Eén voor hem, één voor haar en één voor stagiair/assistent Geert-Jan, die bezig is met onderzoek voor een serie videocolumns die Broersen en Lukács gaan maken voor de online-editie van de Volkskrant. «Hij probeert uit of wat wij willen eigenlijk wel kan.»

Ze maakten twee keer eerder zo’n serie voor de Volkskrant-_online. Daarvoor gebruikten ze, net als nu, foto’s van de voorpagina van de gedrukte editie, die ze met de computer bewerkten. In de eerste serie zoomden ze in op de achtergronden op de foto’s – landschappen, terreinen, straten – en monteerden die tot een _loop: een traag voortglijdende blik over een vaak macabere omgeving. De tweede serie bestond uit stills van voorpaginafoto’s waaruit ze de personen en gebeurtenissen waar het om ging hadden weggehaald. Wat overbleef waren artistiek verantwoorde foto’s van lege locaties. Mooi, maar ook unheimisch: schuldige plekken. Maar in eerste instantie, benadrukken ze, ging en gaat het gewoon om beeldonderzoek.

Margit Lukács: «We zijn ontzettend bezig met patronen, met de illusie die patronen oproepen. The Sense of Order van E.H. Gombrich is op het ogenblik onze bijbel. Patronen hebben iets geruststellends. Van een geordend beeld word je rustig in je hoofd. Het is een soort oerinstinct. Je wordt als het ware gehypnotiseerd. Wij proberen dat te betrekken op die krantenfoto’s. Wat is het dat de kijker in zulke foto’s meteen aanspreekt? Want het zijn aantrekkelijke foto’s, ondanks alle gruwelen die ze tonen. Heeft dat te maken met de compositie, met de uitsnede? We vragen ons af of in die beelden die de voorpagina halen overeenkomsten zitten. Wat gebeurt er als we het subject weghalen? Blijft dat effect dan behouden?»

Persijn Broersen: «Een resultaat van die hypnotiserende werking is ook dat je niet echt meer kijkt naar wat er gebeurt. Hoe krijg je dat mensen er toch echt naar kijken? Hoe zou je er iets bij kunnen gaan voelen? Je kunt het onderwerp eruit halen, maar meteen vult je brein een gebeurtenis in: een standaard nieuwsgebeurtenis, een archetypisch nieuwsfotobeeld. Je ziet een woestijn, en meteen plaats je er een Amerikaans konvooi in. Het decoratieve aspect van die foto’s… Gombrich haalt iemand uit de tijd van de barok aan die over ornamenten zei: ‹They dazzle the mind. The mind submits without proper reflection.› Wij hebben het idee dat datzelfde gebeurt als je krantenfoto’s bekijkt. Ze zijn decoratie, ornament, versiering.»

Medium oog achterland

Voor de komende serie willen ze in die foto’s het onderwerp – de aanleiding voor de foto – losmaken van de achtergrond. Daardoor ontstaat de illusie van driedimensionaliteit. «De kijker kan dan als het ware in die foto rondlopen, zich in de gefotografeerde gebeurtenis begeven.» Op het scherm van Geert-Jans computer verschijnt een krantenfoto van een autowrak in een stoffige straat in Irak of Afghanistan, waar, zo lijkt het, de camera traag omheen draait. De auto wordt een sculptuur, zwevend in de ruimte, losgesneden uit z’n omgeving, vervreemd van z’n context. Dit is geen film, eerder het omgekeerde daarvan. In een film beweegt het beeld en staat de toeschouwer stil. Hier staat het beeld stil en beweegt de toeschouwer, dat wil zeggen: de camera. En camera wil hier zeggen: een door de computer gegenereerde camerabeweging, als in een game.

Iets dergelijks deden ze eerder al in Prime Time Paradise. Daarin wordt de kijker in één vloeiende beweging elf minuten lang meegevoerd door landschappen, steden, gebouwen en zeeën, waarin – als waren het decorstukken – stilgezette beelden uit televisiejournaals zijn geplaatst. Overbekende, alweer bijna vergeten beelden, allemaal even belangrijk, allemaal even onbelangrijk, kaltgestellt, opgegaan in algemeenheden. Patrouillerende soldaten, zonnebaders aan een strand in Thailand na de tsunami, verkiezingskandidaten, gammele bootjes vol Afrikanen: de grote stroom der gebeurtenissen waarin al het afzonderlijke ten slotte oplost.

Medium primetimeparadise01

Overigens, dat Paradise in de titel is beslist niet ironisch bedoeld. Laat dat vooral duidelijk zijn: «Het slaat op de manier waarop je onaangedaan door die film heen zweeft. Het lijkt op zappen, de hypnoseachtige toestand waarin je dan raakt. In veel van onze titels zit zo’n verlangen naar iets waarvan we niet weten of het mogelijk is, naar iets goeds, iets paradijselijks: Crossing the Rainbow Bridge, The World of Tomorrow…» Het heeft met positieve gevoelens te maken, met sentimenten die tegenwoordig niet meer kunnen. «Niet in de kunst althans, niet bij ons, in onze cultuur.»

In 2002 gaven ze een workshop in China. «Bij de studenten daar zagen we zo’n enorme openheid en sensitiviteit ten aanzien van sentimenten! Ze waren zo eerlijk over hun gevoelens, zo niet-cynisch! Dat vonden we zó krachtig en sterk. Bij ons zijn die sentimenten geparkeerd in de Frans Bauer-wereld. Maar wij willen ze óók gebruiken. Subtieler misschien, gelaagder, maar toch. Gewoon een positieve ontroering teweegbrengen.» En daartoe willen ze de verleidingskunsten aanwenden die ze ontdekten in die krantenfoto’s.

«Zulke structuren, zulke rustgevende patronen vind je ook bij planten, in hoe die groeien en woekeren.» Ze laten een ontwerp zien van witte plantengroei-achtige motieven op een net iets anders witte ondergrond, alleen goed te zien bij schuin invallend licht. «Dat is voor de spreekkamers van de Kinderbescherming in Haarlem. Dit soort gespiegelde patronen ogen vriendelijk, geven rust. En wit op wit zijn ze niet opdringerig. Ze dragen bij aan een goede sfeer.»

Ze zijn net terug uit Thailand, waar ze de jungle in trokken. «Al jaren fotograferen of tekenen we zo ongeveer elk plantje dat we zien, elke structuur, elke boom.» En ze snorkelden er. «Dat is een soort zweven, heel droomachtig, net als in Prime Time Paradise, er zitten geen cuts in.» Op Lukács’ werktafel ligt het exoskelet van een zeeëgel dat ze meebrachten. «Kijk hoe mooi die structuur is. Gaan we ook zeker nog iets mee doen.»

Maar eerst moet de Broersen-film klaar voor de solotentoonstelling in november. De Lukács-film zal dat vermoedelijk niet halen. Die komt later. En dan? In januari beginnen ze aan een verblijf aan de Rijksacademie. «Het onderzoek naar het decoratieve, naar die sense of order, daar gaan we mee door. We hopen echt dat we daar greep op krijgen, het gericht kunnen gaan gebruiken. En of er dan een film uit komt, of dat we ineens schilderijen gaan maken, dat maakt niet uit. Nou ja, schilderijen zullen het wel niet worden.»

Voor het werk van Persijn Broersen en Margit Lukács zie www.pmpmpm.com