Renate Dorrestein, Het duister dat ons scheidt

Pats boem tèteretèteretèèè

Renate Dorrestein

Het duister dat ons scheidt

Uitg. Contact, 350 blz., € 18,50

Wie zich voorneemt een roman van Renate Dorrestein te lezen, moet zich voorbereiden op het ergste: moord, incest, kannibalisme, moederleed, extreme jaloezie, zinloos geweld, verbranding, gekte, bezitsdwang, mannenhaat, gebroken gezinnen en pure onlust. Voor minder doet ze het niet. Tel daarbij veraf gelegen en onherbergzame gebieden in Schotland, Ierland, of het noorden van Groningen waar merkwaardige personages hun best doen af te wijken van wat we het normale plegen te noemen en we hebben een echte Dorrestein in handen. Het duister dat ons scheidt, haar nieuwste roman, is geen uitzondering. Hij begint als volgt: «Blijkbaar hadden we ons op een dag voorgenomen nooit meer een woord met haar te wisselen, want het werd, als op afspraak, altijd doodstil zodra zij in ons blikveld verscheen.» Een echte Dorrestein-zin: apodictisch en dwingend, met zware woorden als «nooit» en «altijd» erin die weinig ruimte laten voor een eigen invulling, laat staan voor enig tegenwicht. De «we» dat zijn de klasgenoten, later ook de dorpsgenoten van de «zij», het meisje Loes dat door de dorpsgemeenschap wordt uitgekotst omdat haar moeder een moord heeft gepleegd op de vader van een jongen uit haar klas.

Het eerste deel van de roman wordt verteld door de «wij». Wij en zij, de slechten tegenover de goeien, daar gaat het in dit boek om. Op deze tegenstelling rust het hele oeu vre van deze schrijfster. Ze laat haar lezers via de ogen van de «wij» de wereld van het dorp binnengaan. «Wij», dat zijn de boosaardige klasgenoten, de rancuneuze en nuffige burgertruttige vrouwen uit het dorp, dat zijn de huichelaars en de schurken en «zij», dat is dus Loes die zich staande moet zien te houden.

Met dit zwart-wit beeld probeert Dorrestein uiteraard onze sympathie voor het ongelukkige meisje te winnen en je moet wel de ongevoeligste lezer van de hele wereld zijn wanneer dat niet lukt. Ik snapte het in ieder geval al op de eerste bladzijde. Misschien is dat in de ogen van de schrijfster veel te snel, want ze heeft vervolgens meer dan 130 pagina’s nodig om haar beeld oeverloos uit te serveren. Paginalange beschrijvingen van de ellendige schurkenstreken en de huichelarij van de ongevoelige klasgenootjes en burgerlijke dames uit het dorp. Nog maar eens een afdroogpartij, weer een kwalijke roddel, weer lelijke beschuldigingen aan het adres van dat lieve Loesje. Dorrestein is er merkbaar verrukt van, maar ik kreeg het er, door de veelheid en de nadrukkelijkheid, flink van op mijn zenuwen.

Literatuur moet duidelijk zijn, dat is het uitgangspunt van dit werk. Geen geaarzel, geen geneuzel en zeker geen gefluister of gelispel. Pats boem tèteretèteretèèè. Je hebt een paar hulpeloze underdogs nodig: een meisje en een mooie moeder die samenwoont met twee begrijpende minnaars. Daartegen over dus klootzakkerige dorpsbewoners, een nare man en een truttige schooljuf. Je hebt een raadselachtige moord nodig die uiteindelijk aan het eind wordt opgelost. En vooral duidelijke zinnen, krachtige taal en grote woorden: «Ons zwijgen betekende niet dat we haar niets te zeggen hadden. Daarover mocht geen misverstand bestaan, en daarom wachtten we haar na schooltijd vaak op.» Natuurlijk, dit zijn geen verkeerde zinnen, maar ook geen zinnen waarvan je ineens aan het peinzen slaat of die je een wereld binnen vragen waar je je nog nooit hebt opgehouden.

Ook in het tweede deel, wanneer de oudere Loes het verhaal verder vertelt, blijft Dorrestein het zoeken in extreme en langzamerhand bekende dorresteinsiaanse tegenstellingen: dorp tegenover stad, natuur tegenover cultuur, vrouw tegenover man. Haar beelden van de slechte wereld blijven uiterlijk, omdat ze gelooft dat literatuur het moet zoeken in extreme tegenstellingen, in duidelijkheid dus, omdat ze in haar zinnen en verhalen geen beelden toelaat die het schematische van haar wereld aan de orde stellen of er vrijwel onhoorbaar of onzichtbaar tegenin fluisteren. Dit werk is in de grond religieus van aard: het verbeeldt de strijd tussen het Goede en het Kwade, waarbij de schrijfster precies weet wat het Goede is. Dat laatste geeft haar werk, ook dit, een overdreven evangeliserend karakter.

Het gaat er uiteraard in laatste instantie om of de vertelkunst van Dorrestein werkt. Vanaf 1983 opereert ze er buitengewoon hardnekkig mee. Dit is wat ze doet en ze geniet ervan. Haar werk is zeker geen trucje of een uitgeschreven invuloefening, de vitaliteit ervan is zelfs opzichtig. Keer op keer moet ze nu eenmaal op dit aambeeld hameren, er zit niets anders op. Veel lezers beleven er plezier aan. Waarom weet ik natuurlijk niet, dat moet je aan hen vragen. Misschien omdat de schrijfster een illusie biedt van intense duidelijkheid en zekerheid. Ik ben er minder geschikt voor, ik heb er doodgewoon het talent niet voor om het mooi te vinden. Geef mij liever minder grote woorden, geef mij een minder grote wereld, geef mij de beschrijving van een windvlaag vlak voor iemand weg gaat, geef mij het verhaal van een vrouw voor een raam die een stille herinnering koestert aan een geliefde die ze dertig jaar geleden voor het laatst zag en nooit vergeten is.