Paul de leeuw is geen valse nicht

Dit artikel is een bewerkte voorpublikatie uit Paul Damen, In het hol van De Leeuw dat binnenkort verschijnt bij uitgeverij Jan Mets (128 blz., f19,50).
Het ene taboe na het andere kegelt hij omver. ‘Als jij nou even pijpt, ga ik zingen.’ Maar wil de huishomo van de kleinkunst niet het liefst gewoon een gezinnetje?

PAUL DE LEEUW is een fenomeen. Al is het maar omdat hij even intens wordt gehaat als aanbeden en in een paar tellen kan omschakelen van staalharde scherpte naar subtiele schoonheid. De dr. Jekyll en mr. Hyde van het cabaret speelt beide rollen even graag. In zijn meeste recente tv-werk, de comedy Seth en Fiona, speelt hij Seth de Jonge, die een relatie heeft met een Duitse leernicht Freek Gaaikema. Het is de bekroning van een lange reeks: bijna in alles wat De Leeuw doet, verwijst hij naar zijn homoseksualiteit. Maar speelt hij of is hij de huishomo van de kleinkunst?
Seksueel was hij een laatbloeier. ‘Mij ging het allemaal veel te snel. Ik was heel vrouwelijk in mijn gedrag, had een beetje een zeikerige stem.’ Wel had hij al homoseksuele relaties vanaf zijn veertiende. 'Met schoolvriendjes, dat hoort er gewoon bij, een beetje rukken, trekken en duwen.’ Met een van hen had hij iets speciaals: 'Echt een grote kameraadschap en meer, maar daar durfden we niet over te praten. Een keer gevrijd. Langzaam mijn voet op zijn voet, elkaar aanraken.’
Zijn eerste dagboek, dat hij op zijn zeventiende Les histoires de Monsieur L'Oral doopte, 'barstte van de erotiek. Maar ik heb nooit bij een meisje dat gevoel van kameraadschap gehad.’ Hij noteert daarin dat hij bang is het etiket 'joker opgeplakt te krijgen’. Tegen Vrij Nederland zei hij daarover: 'Mijn beste vriendje vertelde op een gegeven moment dat hij zo was. Ik zei dat-ie maar naar het COC moest gaan, dat wist ik hem nog wel te vertellen. Toen ik thuis op mijn kamer zat, schaamde ik me daar enorm over.’
Maar zelfs zijn moeder kon het niet ontgaan. 'Mijn moeder heeft het altijd wel geweten. Op mijn achttiende kwam ze opeens mijn kamer binnengestormd met de vraag: “Ben je nou homofiel of niet?” Ma dacht: ik ga hem eens even op een handige wijze van zijn depressies verlossen.’ Op zijn eenentwintigste ging hij voor het eerst echt met een meisje naar bed. 'Ontmaagd door een vrouw. Dat was fantastisch. Een opluchting ook, zo van: kennelijk ben ik niet homoseksueel, hoi, ik deug.’
Zijn vroegere vriendje had hij uit het oog verloren, en hij zag hem pas weer terug toen hij de twijfel over zijn seksuele identiteit had overwonnen. 'Ik maakte meisjes heel erg ongelukkig omdat ik die keus niet kon maken. Toen wist ik dat ik voor mezelf een keus moest maken. Ik ben dus homoseksueel. Dat biseksuele, daar geloof ik niet in, dat vind ik geen keus maken, dat is D66 stemmen.’
ZIJN HOMOSEKSUALITEIT loopt sindsdien als een rode draad door zijn optredens. In zijn tweede theaterprogramma, Rozebotteltijd, stelde hij zijn pianiste voor als lesbienne en zichzelf als homo. In de film Jan Rap, naar een boek van Yvonne Keuls, moest De Leeuw, met op de achtergrond de song I’m Just a Lonely Boy piepen: 'Hij valt niet op mij, dat wist ik al meteen.’
Maar ondanks die overduidelijke homoseksualiteit lijkt De Leeuw zich te verzetten tegen alles wat ermee te maken heeft. Soms gebeurt dat ironisch, zoals in zijn boekje uit 1990, De dagboeken van Bob de Rooy (en Annie staat erachter). Daar wordt de homoseksuele medemens nauwelijks gespaard: 'Van Jos Brink vind ik het niet erreg, want dat is op de tv, en er zit een ruitje tussen, maar als een homofiel in de kamer staat, dan heb ik toch de neiging met wc-spray eens flink door de kamer te spuiten. Zeker, het zijn ook mensen, maar toch niet normaal. Het is een ziekte.’
Die ziekte blijkt echter toe te slaan in de kern van het gezin De Rooy: 'Mijn zoon is stiekem naar de balletclub gegaan. Vuile verrader. Annie zag de bui al hangen. Praat nou gewoon met hem. Praten met zo'n nicht? Ik moet hem met zijn handjes tegen de muur spijkeren.’
Maar vooral uit zijn Schreeuw-shows blijkt dat De Leeuw in het algemeen niet gebukt gaat onder eerbied voor de minder bedeelde medemens. Tegen het blad Homologie zei hij: 'Iemand moet mij niet vertellen dat-ie zielig is, daar kan ik niet tegen. Iedereen is zoals-ie is. Homo’s, gehandicapten of bejaarden zijn geen uitzonderingen.’ Voor zijn De schreeuw van de leeuw-show kreeg hij in 1992 van de Vara de J. B. Broekszprijs, vanwege zijn bijdrage aan 'de humanisering van de samenleving en de culturele vorming van achtergestelde groepen’. Navrant was wel dat die prijs was genoemd naar de voormalige Vara-voorzitter die in 1950 van mening was: 'We zijn een ruime omroep, maar we kunnen natuurlijk geen toevluchtsoord worden voor joden en homoseksuelen.’
Over homoseksuele collega’s kan De Leeuw zelfs uitgesproken venijnig doen. In zijn kerstshow van 1992 opende hij met een onverstaanbare Seth Gaaikema-imitatie. Slechts met een pruik en af en toe een verstaanbare flauwe flardtekst ('Ritzen. Ritzen. Ik zeg tegen me vrouw: die kun je dichtritzen!’) maakt hij gehakt van Gaaikema.
Maar ook Jos Brink ontsnapte niet toen hij de uitreiking van de Televizierring presenteerde. Alter ego De Rooy over Brink: 'Onze tv- predikant die een beetje verkeerd is.’ En terwijl De Rooy krachtig op de rug van zijn hand klopte, brulde hij 'Kruisigen! Kruisigen!’ Brink is bepaald geen rolmodel voor De Leeuw. Toen De Leeuw met zijn vriend een huis kocht in de Johannes Verhulststraat in Amsterdam-Zuid, merkte hij op 'niet per se de Jos Brink en Frank Sanders van de jaren negentig te willen worden’.
Het is een merkwaardig dualisme: hij ontkent zijn homoseksualiteit niet, maar doet alsof dat in zijn leven en werk geen enkele rol speelt. De Leeuw: 'Toen Jos Brink vertelde dat hij een vriend had, toen vond heel Nederland dat prachtig. “We hebben een echte homofiel op tv!! Is het niet schitterend?!? En hij is zooo aardig!” Toen, op een dag, in een donker kamertje, zat Ronnie Tober in de problemen. Hij had namelijk geen succes meer en hij dacht: he, dat is de formule. Toen kwam Seth Gaaikema en ook hij dacht hetzelfde, en zelfs Andre van Duin kon niet achterblijven. Volgens mij is iedere artiest homo, behalve misschien Bonny St. Claire, omdat het een vrouw is, en zelfs dat is nog niet zo zeker.’
De Leeuw vindt het allemaal niks. 'Het interesseert me niet. Ik ga een artiest niet leuker vinden omdat hij een vriend heeft. Nee, in de militante homo-scene heb ik nooit gezeten. Het had me wel geinspireerd als ik mooi en aantrekkelijk was geweest, maar God heeft me daarvoor gespaard.’
TOCH MAAKT HIJ zonder schaamte misbruik van de heersende opvatting dat hij als homo ongevaarlijk is, of preciezer, automatisch wordt ingedeeld bij de groep die ideologisch wel 'in orde’ is. Freek de Jonge maakt ook regelmatig foute grappen ('Een steelband? Een steel-bende zal je bedoelen!’) maar moet wel voortdurend bewijzen hoe links en in orde hij is. De Leeuw maakt veel meer en veel regelmatiger foute grappen, maar is als homo vrijwel automatisch geexcuseerd.
Ook in De schreeuw maakte hij gebruik van dat mechanisme. In de show over de Gay Games zag hij 'allemaal chagrijnige potten in de zaal, nou dan weten we het wel’. Toen in de tweede Schreeuw van het seizoen 1993-'94 een Russisch zangensemble werd vergezeld van een nogal krachtdadig geschminkte danser, aarzelde De Leeuw niet om achter zijn rug het eeuwenoude gebaar te maken: van ’t handje. En bij een doedelzakspeler ('Je moet blazen, Paul, niet zuigen’) ging hij prompt op zijn knieen zitten om hem onder de rok te kijken. 'Ik had me nog zo voorgenomen er geen goor onderwerp van te maken. Ik moet me ook inleven! Als jij nou even pijpt, ga ik zingen.’
Toch houdt hij vol: 'Ik ben geen valse nicht, ik ben vals. Als ik nou toevallig hetero was, dan was ik een valse hetero, dat kan dus niet, ik ben gewoon vals.’
IN ZIJN PERSOONLIJKE leven lijkt het wel alsof De Leeuw een draai van honderdtachtig graden maakt, en ineens wil leven volgens het door hemzelf zo verfoeide adagium 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. 'De homo’s die er voor uit willen komen zijn enorme trutten. Ik ben gewoon Paul de Leeuw, en dan ben ik nog een artiest en entertainer en dan heb ik nog een huis en dan ben ik, o ja, ook nog homo.’ En: 'Ik zal niet op de barricades gaan staan van: wees trots dat je homofiel bent.’ Hij heeft zelfs een uitgesproken hekel aan de gemiddelde COC-softie: 'Zo'n konijn, zo'n moeder de gans met eigengebreide truien en roze driehoeken.’ Hij gruwt bij het idee ooit zoiets als een buddy toegewezen te krijgen: 'Het trieste toppunt van een buddy is dat hij het bed opmaakt en vergeet de zieke eruit te halen.’
Paul de Leeuw is een nette, oppassende, trouwe homo. In vroegere vraaggesprekken ontkwam geen interviewer aan zoetige passages over zijn toenmalige vriend Taco. En over zijn huidige vriend zei hij in Vrij Nederland tegen Bibeb: 'Toen ik Chander voor het eerst zag, wist ik het. Vaak zie ik leuke jongens in de stad, maar als ik thuiskom weet ik: nummer een ligt binnen.’
Het Knuffellied op zijn eerste cd lijkt zijn credo, in twee minuten tekst van Coot van Doesburgh en hemzelf: 'Men knuffelt niet meer, men snuffelt niet meer, men knabbelt, men grabbelt, men sabbelt niet meer/ Ze vrijen niet meer, ’t is neuken of niks.’ Om te eindigen met een pleidooi 'voor huiselijke rust/ Gezelligheid doodt elke denkbare lust, maar wie vrijt die gedijt: een zoen op je schouder, een zoen op je mond, jij en ik samen, ons eigen verbond.’
HOEVEEL VERDER gaat zijn 'maatschappelijke betrokkenheid’ dan grappen maken en dat aids-solidaire rode lintje op zijn revers? Als voormalig vaste bezoeker van disco de iT weet hij dat het aidsvirus niet bepaald in toom wordt gehouden door de levensstijl van het hoofdstedelijke homo-circuit. 'Flikkers in Amsterdam zijn de ergste mensen van Nederland. Ja! Dat fysieke, dat altijd seksuele. Als je een normaal mens bent, ga je niet naar een dark- room om je zes keer op een avond te laten neuken door wildvreemden. Dacht ik. Pak dan een vibrator, dat is gezonder.’
Hij koketteert met zijn homo-zijn in zijn tv- shows. Hij laat oesters serveren, vergelijkt die met kutten en roept, al slurpend: 'Begrijp je nu waarom ik homo geworden ben?’ Op zijn tweede cd is hij nog wat explicieter en bezingt hij op een krachtig ritme de blote jongens in het (Vondel)park. Maar, zo bekent hij tegenover HP/De Tijd: 'Anaal heb ik het nog nooit gedaan. Of ik nog homoseksueel ontmaagd moet worden? Tsja, als je het zo wilt stellen, maar dat vind ik flauw, onzin. Moet er soms een anaal vliesje worden doorbroken?’ Hij vindt aids 'zo'n belediging als je dat krijgt, voor jezelf, omdat je hele levensstijl in diskrediet wordt gebracht’. En: 'Ik zei ooit tegen vrienden: laat ik heel duidelijk zijn, ik heb me nooit in mijn kont laten neuken, ik heb nooit sperma geslikt, dus ik kan ’t niet hebben.’
In een show van eind november 1992, gewijd aan de zanger/danser Rene Klijn, die toen al in een vergevorderd stadium van aids verkeerde, voegde hij de meisjes van Miss Nederland toe: 'En waarom word ik niet gezoend? Omdat ik geen aids heb?’ Hoewel hij lang had getwijfeld ('Ik dacht: over aids kan je geen grappen maken’), zou die show tv-geschiedenis schrijven door aan het begrip 'sick joke’ een geheel nieuwe betekenis te geven. De Leeuw durfde het aan een werkelijk doodziek iemand in een live-amusementsprogramma te halen. De verbijsterde kijker zag hoe in het decor van een nagebouwde ziekenhuiskamer het ene taboe na het andere omver werd gekegeld.
Het begon al met de introductie van Rene Klijn. 'Laten we even zien hoe hij eruitzag’, zei De Leeuw, waarna enige foto’s van een beeldschone, donkere jongen in beeld verschenen. De Leeuw vervolgde: 'En in de hoofdrol vandaag…’ - waarna dezelfde Klijn, met een vermoeid en uitgeteerd gezicht, binnen kwam rolstoelen. 'Je bent ziek, je hebt dus aids’, constateerde De Leeuw met de deur in huis vallend. En de mix van ironie en bloedserieuze kost gaat maar door: 'Heb je veel aan seks gedaan? Waar was dat dan? Ik was ook zeventien, ik zat ook in Amsterdam en was ook beeldig, maar ik kon het niet vinden.’ Geen enkel taboe ontsnapt. 'Deed je ook mee aan orgies en zo? Weet je ook hoe je ’t opgelopen hebt?’ Over de aanstaande dood: 'Hoe lang denk je dat je nog hebt?’ Klijn pareerde met het cynische, maar doodeerlijke: 'Nou, hopelijk niet lang.’
De familie, de internist, de vader, de buddy’s, alles komt in beeld. Ineens zag Nederland een echte aidspatient, compleet met de nukken die iemand heeft in het zicht van de dood, compleet met het grafzwarte commentaar van De Leeuw: 'Heeft-ie al aids, wil-ie ook nog kreeften laten koken in de uitzending.’ Even later trad hij op als de begrafenisondernemer Piet Telkamp en zongen Klijn en De Leeuw samen het duet Mr. Blue.
Een halfjaar later stuurde de Vara een bewerkte versie van wat dan al de Rene Klijn- uitzending heet naar het festival van Montreux. En hoewel de Zwitserse juryvoorzitster de uitzending 'ronduit walgelijk en obsceen’ vond, won De Leeuw een Bronzen Roos. De bekroonde artiest stak, terwijl hij van het podium stapte, zijn middelvinger op naar de juryvoorzitster en vatte de situatie aldus samen: 'Er is nog zoveel tijd om iets te winnen. Moet ik dan gaan zevezeiken dat ik nu niet de hoofdprijs heb? Ben je gek!’ Over de ambiance wist hij op te merken: 'Ik ben voor het eerst in Zwitserland en ik moet zeggen: het is echt The Sound of Music. Aan de overkant kun je de bergen zien waar de familie Von Trapp over gevlucht is.’ Zoals De Leeuw wel weet na de film 'vijftien keer’ gezien te hebben, speelt The Sound of Music in Oostenrijk.
Maar was The Sound of Music ook niet zijn favoriete film vanwege het gezinsgeluk? Het voor aanhangers van de gelijkslachtelijke liefde onbereikbare streven kinderen te krijgen is een doorlopend thema in zijn hele werk. In Rozebotteltijd, zijn tweede programma, is pianiste Elaine Baanders lesbisch, en dus mikpunt voor een ongekende kanonnade als blijkt dat ze, na kunstmatige inseminatie, van hem zwanger is: 'Maar het was toch leuk? Leuk? Waarom denk je dat ik homofiel ben geworden? Potten, die zou je toch tegen de muur moeten spijkeren en er met pijltjes op moeten gooien. Lelijk lesbisch dartboard dat je er bent. Daar zou toch een pittbull in moeten klimmen! Tochtige teef!’
Als Bob de Rooy ging hij op bezoek bij Hans en Jan, twee homo’s. Hij veegde met alle obligate argumenten de vloer met ze aan. 'Jullie hebben geen eierstokken. Ieder kind heb een vadertje en een moedertje nodig!’ Bonbons en vlaatjes in de muil proppend werkte hij toe naar de afmaker: 'Dat kind wordt net zo zielig als Ronnie Tober.’
HET BLEEK EEN spiegelgevecht tegen zichzelf, want in vrijwel alle vroegere interviews begon hij wel over zijn plan op zijn dertigste een kind op de wereld te zetten 'met een goede vriendin. Als zij nu in bed ligt met een vriend die dat helemaal niet leuk vindt, dan houdt het natuurlijk op, maar anders… dan gaan we er straks serieus over praten.’ In het Algemeen Dagblad legde hij de link met zijn angst voor de oude dag: 'Toch, als ik een vader met een kindje zie, dan is dat iets wat me niet onberoerd laat. Dat gevoel wordt steeds sterker. Ik wil in ieder geval geen ouwe zeurderige nicht worden.’
Maar dat kind, het komt er niet van. Tegen Nieuwe Revu zei hij, toen hij de dertig naderde: 'Twee mannen die kunnen geen kind nemen. Een kind moet een moeder hebben. Maar misschien is het wel het onderbewuste dat toch een kind wil. Het onbereikbare moet je toch houden in het leven.’ Een jaar later zette hij het, zijn relatie evaluerend, nog eens op een rij: 'Hoe leuk we het ook hebben, het is toch wat anders dan een gezin runnen. Ik bedoel, wij maken ons druk over of we dat art-decomeubeltje al dan niet zullen aanschaffen en naar welk land we dit jaar weer eens op vakantie zullen gaan. Daarmee houdt het op. In een gezin ligt het vaak toch wat gecompliceerder, denk ik.’
Tegen Homologie: 'Ons uitgangspunt is dat we elkaar gelukkig blijven maken, maar dat is een godsgruwelijk moeilijke opdracht. Zonder kinderen moet je het maar spannend zien te houden. Je kan wel de zeventiende nieuwe kat nemen, maar dat houdt ook een keer op.’
In zijn show Wie plukt mij? grapte hij over het Foster Parents Plan dat hij het gemis aan nazaten compenseerde door krachtdadig naar een kitsch-schilderij van het huilende zigeunerjongetje te kijken. Een foto in Vrij Nederland liet zien dat dat huilende zigeunerjongetje ook werkelijk bij hem thuis aan de muur hangt.