Paul koek slagwerker/theatermaker

‘ALS MISDIENAAR wilde ik al op het toneel staan - op het altaar dus. In mijn eerste jaar op het Haags conservatorium zat ik al bij Toneelgroep De Appel. Onder de naam Pako Keul, want ik mocht nog niet werken, dan werd je van school getrapt. Ik had genoeg energie om ’s nachts te studeren. Ik repeteerde de Oresteia bij Eric Vos, met al die fantastische teksten. Meteen daarna kwam ik op het conservatorium en hoorde de meest waanzinnige muziek. Weer een paar uur later stond ik in een kas anjers te pluizen. Voor mijn gevoel zat ik steeds in dezelfde wereld.

Waarom ik voor slagwerk koos, weet ik eigenlijk niet. In de tuindersgemeenschap is het nogal een beslissing om een drumstel aan te schaffen. Ik heb wat drumstellen het huis ingesleept! Allemaal weer teruggebracht, omdat er geen centen voor waren en het te veel herrie maakte.
Mijn vader werkte bij de bloemenveiling in Roelofarendsveen. Het sprak voor zich dat ik de tuinbouwschool ging doen en in de bloemenkwekerij terecht kwam. Ik heb schatten van ouders, maar het conservatorium was ver van hun bed. Tot ze doorkregen dat ik echt moest gaan drummen, want het hield niet op.
Er werd vreemd tegenaan gekeken in ons dorp. Ik weet nog dat mijn buurvrouw me aanschoot. “Jij zit op het conversatorium hè?” vroeg ze. “Je gaat me toch niet vertellen dat jij daar de hele dag een beetje staat te trommelen?”
Ze waren wel allemaal heel trots toen ik, nog als conservatoriumleerling, bij het Residentie Orkest hangend bekken en triangel mocht spelen. Dat was toch wel een mijlpaal. En dat ik later, in het theater, met dat getrommel ook nog geld ging verdienen, was helemaal een wonder.’
‘IK WERD me er steeds sterker van bewust dat álles voor mij muziek is. Ook het gesproken woord. Toen ik in 1986 Eric Schneider hoorde praten, met die diepe stem, was dat voor mij een fagot. Daardoor ontging me vaak de betekenis van de tekst. Ik hoorde eerder zoiets als tatatè tó tatatè totoioto, een soort instrument. Ik hoorde timing. Ik ben echt een trommelaar.
Ik kan er niet goed tegen dat de theaterwereld en de muziekwereld zo apart van elkaar staan. Ze zijn allebei zo beperkt en vaak tuttig. Maar de combinatie van muziek en theater, in gelijkwaardige verhouding, levert een fantastische vorm van kunst op. Dus niet theater met een liedje, en ook geen opera - hoe dol ik daar ook op ben. Opera is af, voltooid. De personages komen op, de tenor zegt tegen de sopraan: “ik houd van je.” Intussen spelen de violen in dissonanten. Dan weet het publiek: ojee, driehoeksverhouding, dit gaat verkeerd aflopen!
In het muziektheater zoals wij dat al sinds 1985 met de groep Hollandia maken, heeft het publiek een veel grotere ruimte om mee te denken. Voor mij leeft het daardoor meer, en bovendien heb ik zelf een grotere inbreng. We maken onze eigen wereld, we horen nergens bij.
We denken heel goed na welke stukken we pakken en waar die het best tot hun recht komen. We hebben gespeeld in een kas, een sluis en een hangar, op een voetbalveld en een autosloperij. Een stuk als Ifigeneia in Aulis, met als belangrijkste thema het gevecht om de macht, voeren we niet voor niks uit in het Haagse stadhuis. Het kan ook in de schouwburg, en dat doen we soms ook, maar we proberen een zo goed mogelijke locatie te vinden om de boodschap uit te dragen.
Voor een aantal producties heb ik de muziek zelf geschreven, maar voor Ifigeneia heb ik Cornelis de Bondt gevraagd. Hij kan dat beter dan ik. Als componist vind ik mezelf een knoeier. Het kluizenaar-zijn, wat je als componist moet hebben, ligt me niet. Ik moet bij de mensen en in de wereld staan.
Voor mij zit de kunst in die wisselwerking tussen ons en het publiek. De mensen moeten het allemaal mee-maken. Misschien komt het wel omdat ik in een omgeving ben opgegroeid, en nog leef, waarin kunst totaal niet wordt begrepen. Het enige wat erover gezegd wordt, is: “Wij betalen wel een hoop subsidie voor je hè?” En dan maar weer uitleggen dat er ieder jaar toch zo'n dertigduizend man naar Hollandia komen. Daarmee zitten we bij de top, met heel weinig centen.’
'MIJN VADER heb ik inmiddels opgenomen in de groep. In De Perzen speelde hij een van de oude mannen. Die Griekse tragedies vond ik zo groots, ik wilde ze herkenbaar maken. Door bijvoorbeeld het koor van oude mannen samen te stellen uit bewoners van het tehuis voor bejaarde zangers. Maar dat moest allemaal zo officieel worden geregeld. Opeens dacht ik: het zit om de hoek. Ik ben de kas ingestapt en heb een van de tuinders gevraagd: “Theo, wil je bij me komen toneelspelen?” De tranen sprongen in zijn ogen.
Dat is een groot succes geworden. Het publiek herkent het direct en smult ervan.
We hebben een tijdlang op drie sporen gezeten: liefdesdrama’s, boerenstukken en Griekse tragedies. Voor die Grieken heb ik twee jaar lang, samen met de vertaler Herman Altena, alle klassieke ritmieken bestudeerd. De Perzen bijvoorbeeld hebben we volledig in die ritmieken gesproken.
Bij Boeren sterven, een van onze boerenstukken, componeerde ik de teksten: een langzaam deel, een snel deel, een tweestemmig en een meerstemmig deel. Zo zette ik het op papier en zo regisseerden we: “Zeg je tekst maar, dit is je puls.”
Voor acteurs was dat heel moeilijk, want die bagage hebben ze niet meegekregen. De werelden van acteurs en muzikanten zijn binnen de opleiding heel streng gescheiden. Gelukkig is er op het conservatorium in Den Haag nu de opleiding Beeld en geluid, waar ik met veel plezier les geef. We krijgen te maken met een generatie studenten die componeert op computers, animeert, een beetje tekent, een beetje gitaar speelt. Voor de compositieklas zijn ze nét niet goed genoeg.
Wij bieden ze een heel breed lespakket aan. De meeste studenten ontwikkelen zo een eigen taal en worden toch weer performers. Ik durf allang niet meer te zeggen dat die digitale jongens geen muzikanten zijn. Ze kunnen op die computers echt musiceren - met dezelfde mentaliteit, dezelfde kick, dezelfde teleurstellingen. Het zijn net zulke rommelaars als ik altijd ben geweest, alleen met andere instrumenten.’
'IK BESCHOUW alle geluiden als muziek, en daar heb ik last van. Het vermoeit. Nu we zitten te praten kan ik moe worden van de ritmische verschillen tussen het boren, de koffiemachine en het getik van serviesgoed. Ik hoor alles tegelijk, in lagen op elkaar. Er zit blijkbaar iets in m'n kop dat probeert om dat in verhoudingen neer te zetten. Bijna zie ik het op papier.
Het lukt me niet om geluiden uit te bannen. Soms, als ik heel moe ben, ga ik rustig in de keuken zitten, waar het stil is. Binnen de kortste keren doe ik iets met het brommen van de ijskast.
Mijn sociale leven is te beperkt. Ik heb vier kinderen en eigenijk zie ik ze te weinig. Gelukkig heb ik een fantastische vrouw, die alle begrip heeft. Behalve schrijven en regisseren moet ik als slagwerker ook mijn spieren blijven trainen. Anders word ik langzaam. Als ik dikke armen krijg, gaat het niet goed.
Meestal speel ik ’s ochtends, als de kindertjes naar school zijn. En ik heb altijd twee stokken in m'n auto liggen. Lekker roffels slaan op mijn stuur als ik in de file sta.
Ik ben erg onstuimig en niet gauw tevreden. Soms heb ik het gevoel dat ik een beetje inkak, dat ik mijn ideeën niet meer zo extreem probeer uit te voeren als in de begintijd. Ik ben aan het nadenken of dat wel goed zit. Misschien moet ik er gewoon aan wennen dat de boel “aan het zakken” is en de dingen je wat makkelijker af gaan, dat je routine krijgt en mag profiteren van je ervaring.
Gelukkig gebeurt er nu weer allerlei spannends: we spelen Oldenbarnevelt in de Nieuwe Kerk in Den Haag, en treden steeds vaker in het buitenland op. Engeland, Duitsland, Amerika, Noorwegen. Voor mij opent dat nieuwe perspectieven. Muziek en theater maken voor een heel nieuw publiek, op onbekende locaties.
Ik zit altijd op die twee sporen. Ik put uit het ene talent inspiratie voor het andere. Ik denk dat het in mijn hoofd en in mijn leven inmiddels één ding is geworden. Anders zou ik het niet aankunnen.’