Paul Kuijpers in de Balie, Amsterdam © Wubbo de Jong / MAI

Paul Kuypers was Zeeuw, Brabander en Amsterdammer tegelijkertijd. Weliswaar had hij in de hoofdstad zijn intellectuele thuis gevonden, de leegte van het Zeeuwse landschap en het bijzondere karakter van Brabant heeft hij nooit achter zich gelaten. Hij kruidde zijn levensgeschiedenis tot een scherpzinnige geest die voortdurend in gesprek was met de tijdgeest. Voor velen was hij een, bijna vaderlijke, bron van inspiratie.

Hij wordt geboren in Kloosterzande, een boerengehucht in Zeeuws-Vlaanderen. De grote wereld is ver weg, de katholieke kerk dichtbij. Na het gymnasium gaat hij in Utrecht rechten studeren. Eigenlijk niet zo’n goede keuze, hij vindt psychologie en Franse literatuur (Sartre, Camus) interessanter. Na zijn afstuderen keert hij terug naar Zeeland, waar hij gaat werken voor het Provinciaal Opbouworgaan, een kleine organisatie die de sociale wederopbouw in goede banen moet leiden. Een weinig ambitieuze werkomgeving. Als hij de kans krijgt om in dienst te treden van het veel actievere Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant (pon) grijpt Kuypers deze mogelijkheid in 1955 met beide handen aan.

Hij verhuist naar Tilburg, trouwt en treedt al snel toe tot de pon-directie. Kuypers ontpopt zich tot een spin in het Brabantse web van bestuurlijke netwerken. Hij is van goed katholieken huize en toont zich een elegante, creatieve denker, precies waar de provincie die worstelt met een opdringerige moderniteit behoefte aan heeft.

Als de jaren zestig op stoom komen, begint het katholieke bouwwerk in zijn voegen te kraken. Kuypers wordt uitgesprokener, maar op zo’n manier dat zijn reputatie ongeschonden blijft. Hij is daardoor de aangewezen bemiddelaar als studenten in Tilburg in 1969 de universiteit bezetten en de Karl Marx-universiteit uitroepen. Zowel voor het katholieke universiteitsbestuur als voor de studenten is hij acceptabel.

Het pon ontwikkelt zich tot kraamkamer van sociale initiatieven die in het van god los geraakte Brabant de kop opsteken. Inspraak, stadsvernieuwing, milieu, vrouwenstrijd, migratie, welzijnswerk – het pon neemt in alles de kleur van de tijd aan. Kuypers radicaliseert mee. Hij laat het katholicisme definitief achter zich en wordt lid van de psp, een verbintenis die hij niet al te lang volhoudt. Hij is meer een analyticus dan een actievoerder; hij discussieert liever met bestuurders dan dat hij op de barricade staat.

Hij discussieerde liever met bestuurders dan dat hij op de barricade stond

Zijn bekendheid reikt inmiddels tot buiten Brabant. In 1974 is hij lid van de commissie die in opdracht van het kabinet-Den Uyl de Knelpuntennota schrijft, een bijtende kritiek op de (verzuilde) structuur van het particuliere initiatief en een pleidooi voor een grotere invloed van lokale overheid en burgers. Na ruim een kwart eeuw verruilt Kuypers begin jaren tachtig het pon voor het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij de regeringscommissaris voor de reorganisatie van de rijksdienst, Herman Tjeenk Willink, gaat assisteren.

Een leerzame overgang, vooral omdat het eerste kabinet-Lubbers de opgave van Tjeenk Willink (hoe kan de overheid beter functioneren) transformeert tot een kwestie van efficiënte bedrijfsvoering. Het project komt daardoor op een dood spoor terecht, maar legt wel de basis voor een hechte vriendschap met Tjeenk Willink, waarin beiden elkaar onophoudelijk bevragen over macht en onmacht van de democratische rechtsorde.

In Amsterdam wordt Kuypers op aandrang van Felix Rottenberg in 1987 als adviseur betrokken bij de oprichting van politiek-cultureel centrum De Balie. Daar gloort een intellectuele cultuur waarin alles kan samenkomen: politiek, kunst, cultuur, technologie, wetenschap, verbeelding, literatuur. Het is koren op zijn molen. In 1993 volgt een aanstelling als directeur. De Balie groeit uit tot een kweekvijver van talent. Inmiddels bekende publieke figuren als Kees Vendrik, Femke Halsema, Pieter Hilhorst, Marleen Stikker, Menno Hurenkamp en Chris Keulemans zetten er hun eerste politiek-culturele schreden. Op talloos veel initiatieven zijn zijn vingerafdrukken te vinden.

Na zijn Balie-tijd doet Kuypers nog regelmatig met spreekbeurten en essays van zich spreken. In 2003 publiceert hij een van zijn meest kenmerkende boeken: De staat der Nederlanden: Opstellen en brieven tegen de tijdgeest. Op buitengewoon erudiete wijze verhoudt hij zich in deze bundel tot de ‘nieuwe politiek’ aan de hand van brieven aan de denkbeeldige ontvanger H. (niet verkeerd om je daar Herman Tjeenk Willink bij voor te stellen). Het boek levert een meanderend college politieke theorie op met veel Franse denkers als gids en Pim Fortuyn, Jan Peter Balkenende, Wouter Bos, het populisme, de bureaucratie en de media als figuranten.

Pas als hij de tachtig gepasseerd is, neemt Kuypers’ actieradius af. In 2013 publiceert hij nog samen met Frans Godfroy en Rob Vermijs het boek Opstand in het zuiden. Het boek vertelt niet alleen het verhaal achter de bezetting van de Tilburgse Hogeschool in 1969, maar analyseert ook hoe Brabant worstelde met de moderniteit. Een thema dat Kuypers altijd heeft gefascineerd.

Zelf heeft hij zich overigens nooit helemaal aan de moderne tijd overgeleverd. Zo weigerde hij over te gaan op tekstverwerkers. Al zijn schrijfsels hamerde hij uit zijn oude Vendex-typemachine, waarvan hij tot wanhoop van zijn lezers en uitgevers de typelinten tot op de draad versleet. Die typemachine is meegegaan in zijn graf en definitief tot zwijgen gebracht. Dat geldt niet voor Kuypers’ intellectuele nalatenschap. Die blijft tot de verbeelding spreken.