Onrust en vervreemding

Paul Scheffer en het multiculturele debat

Paul Scheffer wordt gezien als de geestelijk vader van het nationale debat over de multiculturele samenleving. Het resultaat van zeven jaar zoeken naar nieuwe inzichten presenteert hij deze week in zijn boek Het land van aankomst.

Beschaafd briesend stormde hij in februari 2000 de trap van de redactieburelen van De Groene Amsterdammer op. In het nummer dat de dag ervoor was verschenen stond een interview met Vlaams Blok-leider Filip Dewinter, die triomfantelijk verklaarde dat hij ‘rechts was ingehaald’ door een pvda-coryfee als Paul Scheffer. Hoewel Scheffer sinds de publicatie van zijn essay Het multiculturele drama in NRC Handelsblad, eind januari van dat jaar, al heel wat kritiek had gehad, voelde hij zich hierdoor bijzonder gegriefd.

Was zijn woede over de aantijging van Dewinter terecht, of had de linkse intellectueel Scheffer zich inmiddels bekeerd tot een bekrompen nationalisme met xenofobe trekjes? Wie zijn essay uit 2000 terugleest, moet concluderen dat hij tamelijk voorzichtig enkele thema’s aanstipte die in de jaren erna steeds actueler en urgenter zijn geworden. Zijn voornaamste verwijt aan de politiek en de maatschappelijke elite was dat de problemen die grootschalige immigratie met zich meebrengt stelselmatig werden gebagatelliseerd en dat er veel te weinig werk werd gemaakt van de integratie van nieuwkomers.

Scheffer was niet de eerste die een dergelijk geluid liet horen – onder anderen Bolkestein en Fortuyn gingen hem voor – maar nu barstte een maatschappelijk debat los, dat na 11 september 2001 nog veel heviger werd. In dit debat heeft Scheffer een belangrijke rol gespeeld, en in zijn nu verschenen boek Het land van aankomst heeft hij niet alleen zijn kritiek uit 2000 uitgewerkt, maar beschrijft hij ook welke invloed de vele discussies en ontmoetingen uit de afgelopen zeven jaar op hem hebben gehad.

Scheffer poseert in dit boek wel heel erg als het middelpunt van het debat. Zo gaat hij nauwelijks in op de rol van mensen als Bolkestein en Fortuyn en noemt hij vele andere deelnemers niet bij naam, terwijl hij uitgebreid verslag doet van de talloze ontmoetingen die hij heeft gehad, waarbij hij fijntjes laat merken dat hij zelfs in Tanger op straat werd herkend. Dit vertoon van ijdelheid moet de lezer echter maar voor lief nemen, want wat Scheffer te zeggen heeft is interessant en belangwekkend genoeg.

Centraal staat het verschijnsel immigratie en de verschillende wijzen waarop de ‘landen van aankomst’ daarop reageren. Scheffer vergelijkt de geschiedenis van ‘echte’ immigratielanden als de VS, Australië en Canada met Europese landen als Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en Nederland. Welke verschillen er ook zijn, waarbij vooral effecten van de uitgebreide verzorgingsstaat in West-Europa in het oog springen, grootschalige immigratie gaat altijd gepaard met een aantal forse problemen. Zowel de nieuwkomers als de ingezetenen worden beheerst door gevoelens van onrust en vervreemding. Voor beide groepen is de wereld niet meer wat zij geweest is, waardoor men gaat zoeken naar houvast. De nieuwe burgers doen dat veelal door vast te houden aan hun eigen cultuur, de oude burgers door zich af te sluiten en het verleden te idealiseren.

Historici die zich bezighouden met de immigratie in landen als de VS hanteren vaak een ‘drie-generaties-model’, volgens welk pas de kleinkinderen van de landverhuizers werkelijk geïntegreerd zijn in de samenleving van het nieuwe vaderland. Wat Scheffer de Nederlandse politici en andere beleidsmakers kwalijk neemt, is dat men ervan uitgaat dat de problemen zich dus vanzelf wel oplossen, dat integratie gewoon een kwestie van tijd is. Aan de hand van allerlei onderzoeksresultaten laat hij zien dat het drie-generaties-model hier niet werkt en dat het integratieproces van grote groepen nieuwkomers dreigt te stagneren.

De overtuiging dat integratie puur een kwestie van tijd is, vloeit volgens Scheffer voort uit de Nederlandse neiging problemen te vermijden of te ontwijken. Bovenop deze traditie van schikken en plooien is nog eens de verderfelijke invloed van het cultuurrelativisme gekomen, waardoor ontkend wordt dat er zoiets bestaat als een ‘nationale identiteit’, laat staan dat men trots is op het eigen land. Deze ‘zelfontkenning’ heeft volgens Scheffer ‘perverse gevolgen’ gehad, aangezien het er in de praktijk op neerkwam dat men de nieuwkomers in hun eigen sop liet gaarkoken. Nu wél ineens van hen gevraagd wordt dat ze ‘inburgeren’, is het volstrekt onduidelijk waarin ze moeten inburgeren, aangezien Nederlanders nauwelijks een visie op hun eigen samenleving hebben.

Hoewel Scheffer in zijn essay reeds aandacht vroeg voor de positie van de islam binnen de westerse samenleving, is dit sindsdien een wel heel brandende kwestie geworden. Hij legt grote nadruk op de conservatieve tendens die zichtbaar is bij moslims die naar West-Europa zijn getrokken. Scheffer houdt de mogelijkheid open dat een meer gematigde, liberale islam voet aan de grond krijgt, maar erg optimistisch lijkt hij niet. Wat dit onderwerp betreft zou je graag meer concrete gegevens zien, liefst cijfers, maar Scheffer geeft die niet. Het is mogelijk dat die niet voorhanden zijn, maar het is ook denkbaar dat hij hier enigszins selectief te werk gaat.

Dat doet hij namelijk ook waar hij verwijst naar het vorig jaar verschenen rapport Strijders van eigen bodem, geschreven door onder anderen de onlangs overleden Frank Buijs. Scheffer citeert daar uitspraken van enkele zogenoemde salafi’s en concludeert dan: ‘De stap van een opstand tegen de liberale waarden naar de rechtvaardiging van het gebruik van geweld is in deze wereldbeschouwing gemakkelijk gemaakt.’ Hiermee suggereert hij dat er een ‘hellend vlak’ is, waarop iemand die eenmaal een radicale interpretatie van de islam heeft omarmd vrij gemakkelijk afglijdt naar extremisme en terrorisme. Buijs cum suis laten in dat boek echter zien dat er binnen het salafisme verschillende groeperingen zijn, waarvan enkele geweld expliciet afwijzen en de zogenaamde jihadisten beschouwen als warhoofden en slechte moslims die de weg kwijt zijn. Niet iedereen die de westerse samenleving afwijst, wil deze ook te vuur en te zwaard bestrijden, zoals niet elke ultralinkse jongere zich in de jaren zeventig aansloot bij de Rote Armee Fraktion of soortgelijke bendes.

Met de voornaamste boodschap van Scheffer kan niemand het oneens zijn: integratie moet van twee kanten komen. De ‘oude burgers’ moeten zichzelf en de nieuwkomers serieus nemen en ze niet langer negeren. De ‘nieuwe burgers’ moeten zich positief inzetten, moeten laten merken dat ze erbij willen horen. Hoe we dit voor elkaar moeten krijgen, blijft echter tamelijk vaag. Wanneer Scheffer schrijft dat er ‘alle reden [is] om de meerderheidscultuur kritisch te overdenken’, ben je geneigd te roepen: ‘Doe dat dan!’ Geef duidelijk aan wat er volgens jou mis is met de westerse cultuur en in welke mate kritiek van bijvoorbeeld moslims terecht is. Wanneer hier meer kritiek komt op het consumentisme, het hedonisme, het doorgeschoten individualisme en de extreme seksualisering van de westerse cultuur, zullen sommige moslims onze samenleving misschien met minder vijandige ogen bekijken.

Scheffer spreekt zich hier niet duidelijk uit, net zomin als hij echt ingaat op het immer actuele vraagstuk van de spanning tussen individu en gemeenschap. Hij pleit wel voortdurend voor een nieuwe invulling van het begrip burgerschap, maar hoe dat er precies uit dient te zien blijft vaag. Nu is het mogelijk dat Scheffer het nog niet precies weet, maar af en toe lijkt het ook alsof hij zich bewust op de vlakte houdt. Zo is ook niet helemaal duidelijk waar hij staat in de discussie die momenteel wordt gevoerd over de ‘toon’ van het debat. Hij geeft niet duidelijk aan wat hij vindt van lieden als Wilders, Jami, Ellian en Hirsi Ali, die de islam als geheel afschilderen als een clear and present danger dat met alle middelen moet worden bestreden.

Het land van aankomst bevat veel relevante informatie en vooral Scheffers kritiek op de laisser faire-benadering van het immigratievraagstuk snijdt hout. Hier is een integere intellectueel aan het werk, maar af en toe verlang je naar een duidelijker standpunt. Hoewel hij duidelijk betrokken is bij het onderwerp, wekt het boek toch een enigszins matte, vermoeide indruk. Dit weerspiegelt zich in een vlakke, tamelijk kleurloze stijl.

Tijdens het lezen moest ik af en toe denken aan een foto van de jonge Paul Scheffer, die te zien is op de tentoonstelling over de jaren zeventig in het Nijmeegse museum Het Valkhof. Op die foto heeft hij een megafoon in zijn hand. In tegenstelling tot andere agitatoren schreeuwt hij niet in dat apparaat, maar lijkt hij beschaafd te mompelen. Het resultaat kan niet erg opzwepend zijn geweest. Vergeleken met het essay uit 2000 is dit boek een megafoon, waar veel geluid uit had kunnen komen. Maar ook nu blijft Scheffer mompelen, slikt hij af en toe wat in en is het boek niet de heldere klaroenstoot geworden die sommigen wellicht hadden verwacht.

Paul Scheffer, Het land van aankomst, De Bezige Bij, 477 blz., € 27,50 (gebonden) of € 22,50 (paperback)