5 juni 1926 – 15 juni 2013

Paul Soros

Paul Soros schopte het net als zijn jongere broer George tot miljardair en filantroop. Hij was een sportheld, bouwde een succesvol zakenimperium, maar hij leefde ‘bescheiden’ en bleef altijd in de schaduw van zijn broertje.

In Freuds psychoanalyse is de positie binnen het gezin opvallend onderbelicht gebleven, terwijl de verhouding tussen broers en zussen onderling zeer bepalend kan zijn voor iemands wordingsproces. Concurrentie om aandacht en erkenning van de ouders, daar draait het in de kern meestal om. Tegenwoordig ontrafelen volwassenen in gezinstherapie de machts­verhoudingen in het ouderlijk nest en komen tot louterende zelf­inzichten. De gebroeders Soros zouden er wellicht wat aan gehad hebben, want zij waren rivalen en maten tegelijk. Een moeizame relatie die hen geen windeieren heeft gelegd, want ze verkeerden altijd met elkaar in competitie. Beiden zijn multimiljardair en filantroop geworden, maar waar George wereldfaam verwierf – met name door zijn Soros Foundation ter verdediging van de ‘open society’ – bleef Paul voor de buitenwereld in de schaduw staan van zijn vier jaar jongere broer.

Bij zijn overlijden vorige week kopten Amerikaanse kranten ‘De broer van George Soros is overleden’ en ‘De overschaduwde altruïst, de onzichtbare Soros’, en beschreven vervolgens een indrukwekkende carrière en een levensloop, parallel aan de grote ideologieën uit de twintigste eeuw. Paul beschikte bovendien, anders dan zijn broer, over grote sportieve talenten. In de kracht van zijn leven ontpopte hij zich tot een internationaal tennisser en topskiër. In 1948 zou hij deelnemen met het Hongaarse skiteam aan de Olympische Spelen, maar hij verloor nadat tijdens een slalom een skistok van een team­genoot hem had doorboord. Decennia later sneuvelde een oog door een klap met een golfclub.

Kaïn en Abel leken zij, maar omgekeerd. De ‘kleine broer’ vertelde in interviews dat ‘zijn grote broer werd voorgetrokken door de vader’. De frustratie daarover zou George maatschappelijk hebben vertaald in een continue behoefte aan publieke waardering, vooral door te investeren in ‘het goede’. Paul ergerde zich kapot aan diens ostentatieve liefdadigheid. Om die reden zijn ze acht jaar gebrouilleerd geweest. Want hij, Paul, stortte zonder tamtam miljoenen dollars in allerlei idealistische stichtingen, zoals een fonds voor toponderwijs voor getalenteerde kinderen van immigranten.

De joodse broers Schwartz – in 1936 vanwege het antisemitisme veranderd in het Hongaarse Soros – groeiden op in Boedapest. Vader Tivadar was een multitalent: behalve advocaat, uitgever en uitvinder was hij ook Esperanto-auteur, een taal met een ideologisch doel die beide jongens spraken als hun tweede moedertaal. Hun moeder had als dochter van een fabrikant van huis uit geld. Zij genoten van het leven van de gefortuneerde elite met een klassieke opvoeding vol cultuur, goede scholen, skivakanties in Oostenrijk en lange zomers in hun vakantiehuis aan de Donau. Op die brede rivier zag de jonge Paul vrachtschepen voorbij varen die met behulp van drijvende caissons aan de oever konden laden en lossen. Dit beeld vormde later, toen hij als afgestudeerd ingenieur en immigrant in Amerika leefde, de basis voor een wereldwijd imperium van ‘drijvende havens’. Maar dát kon hij tijdens zijn onbezorgde jeugd natuurlijk nog niet weten.

Net als voor alle Europese joden bepaalde de grote politiek zijn levenslot. Toen de nazi’s in Hongarije vanaf 1944 samen met de beruchte Pijlkruisers het tempo van de vervolging van joodse burgers opvoerden, wist de familie Soros de dans te ontspringen doordat Tivadar valse documenten en onderduikadressen kon regelen. Berooid overleefden zij de terreur, maar het volgende ideologische regime stond al weer in de startblokken. De Russen confisceerden het huis en onder de sovjetmacht veranderde er niks aan het onversneden antisemitisme. Paul werd er door de nieuwe bezetters van beschuldigd een SS-officier te zijn. Tijdens het transport naar een strafkamp wist hij te ontvluchten, in het volle besef dat democratie in zijn land definitief een illusie was. Op een studentenvisum week hij uit naar New York. George nam later de wijk naar Londen, waar hij na een moeizame start werd toegelaten tot de London School of Economics.

In Amerika kreeg Paul vleugels. Hij studeerde techniek aan het Polytechnic Institute of Brooklyn en boekte zijn eerste succes als verkoper op de exportafdeling van Hewitt Robins International, een bedrijf gespecialiseerd in lopende banden voor de massa-industrie. Een aanbod om de Europese markt op te zetten vanuit Amsterdam sloeg hij af. Hoewel het oude continent aan hem trok, bleef hij dromen van het runnen van een eigen bedrijf en ‘daarvoor is het ondernemersklimaat in Amerika het allerbeste ter wereld, niet Nederland’, aldus Paul in zijn memoires.

Waar George zijn kapitaal vergaarde in de financiële wereld met handel, beleggen en speculatie verdiende Paul zijn geld met het uitvinden van havens voor het laden en lossen van bulkgoederen als bauxiet, ijzer, kolen en aluminium. Zijn bedrijf Soros Associates introduceerde in negentig landen het nieuwe systeem: niet de kolossale vrachtschepen moesten manoeuvreren om aan te meren bij een pier maar een pier met stootkussen kwam naar de schepen toe. Zijn bedrijf is in omvang te vergelijken met Philips, Heineken of Shell, maar de concentratie van inkomsten bij één baas – jaarlijks honderd miljoen – is Amerikaans.

Toch had hij vergeleken met de klasse van de super rich ‘een bescheiden levensstijl’. Zoals oud geld pleegt te doen liet hij het niet breed hangen maar leefde discreet een luxe­leven: een appartement vol kunst in de Upper East Side van Manhatten en zomers met Daisy en hun twee zoons naar hun vakantiehuizen in New Canaan of op het eiland Nantucket, waar steenrijke Amerikanen zich terugtrekken in witte houten villa’s langs de oceaan. In zijn memoires stelt hij: ‘I find conspicuous consumption in bad taste and something of an insult to people who have to work hard to make ends meet.’ Vlak voor zijn dood mijmerde hij tijdens een dansparty in Lincoln Center tegenover een journalist: ‘My story is riches to rags to riches again. I was lucky to survive. The rest was relatively easy.’