Boek van de Maand

Paul Theroux, Frisse lucht

De juryleden selecteren uit het boekenaanbod ieder een persoonlijke favoriet. Deze maand koos Solange Leibovici voor Paul Theroux’ Frisse lucht, Kees ’t Hart voor De sloop der dingen van Willem Brakman, Sander Pleij voor Fernando Pessoa’s De stoïcijn en Pieter van Os voor Hoog bezoek van Göran Tunström. Nadat de juryleden elkaars favorieten hadden gelezen, werd Frisse lucht van Paul Theroux verkozen als Boek van de maand.

Innerlijk reizen, Paul Theroux, Frisse lucht

Vertaald door Tinke Davids Uitg. Atlas, 526 blz., ƒ49,90

Over de schrijver van romans en travelogues Paul Theroux wordt nogal wat onzin geschreven: uit hun context gehaalde citaten karakteriseren hem iets te gemakkelijk als reizende chagrijn en koning der knorrepotten die het nergens naar de zin heeft, of als superieure Yankee die op minderbedeelde menssoorten neerkijkt. Wie zijn boeken goed leest, ontdekt echter dat Theroux weliswaar een hekel heeft aan toeristen, aanstellers en oplichters, maar zich wonderwel kan aanpassen aan de moeilijkste omstandigheden en een bijzondere tolerantie aan de dag legt voor vreemdsoortige figuren en situaties. Voor hem zijn de plaatsen die hij bezoekt onlosmakelijk verbonden met de mensen die er wonen; hoewel hij het liefst in zijn eentje per kajak peddelt naar onbewoonde eilanden, is hij lang niet zo’n mensenhater als hij soms doet voorkomen.

Paul Theroux noemt zichzelf liever een romanschrijver die graag reist dan een schrijver van reisboeken. Het reizen voorziet hem van onderwerpen die hij in reisverhalen verwerkt of tot romans fictionaliseert. In beide genres herkent de lezer zijn heldere, ironische stijl, zijn realistische beschrijvingen en aandacht voor details (iets waar de hautaine, snobistische Bruce Chatwin weinig aandacht aan schonk), zijn sociale betrokkenheid, zijn fascinatie voor ontoegankelijke gebieden, of die nu op de Trobriand-eilanden, in Afrika, Tibet of Albanië liggen. Opvallend is het feit dat hij niet graag over zijn privé-leven schrijft of spreekt. In zijn twee pseudo-autobiografische romans My Secret History (1989) en My Other Life (1996) vermengt hij feit en fictie en levert hiermee ironisch commentaar op het genre van de autobiografie. Wie al zijn boeken heeft gelezen, heeft misschien het gevoel dat hij de schrijver persoonlijk kent, omdat deze de lezer deelachtig maakt van zijn angsten en zijn momenten van intens geluk. Dit is hoogstwaarschijnlijk ten onrechte, want Paul Theroux is vooral een reizend personage in de boeken van Paul Theroux.

Naast schrijvende reiziger is Theroux ook literatuurwetenschapper, taalkundige, antropoloog, cultuurfilosoof en kenner van de flora en fauna van de landen die hij bezoekt. Als auteur benadrukt hij graag de overeenkomsten tussen het maken van reizen en het schrijven van literatuur. In beide gevallen wordt er een strakke planning gemaakt voor iets dat zich daar vervolgens aan onttrekt en dat zijn eigen wetten en logica lijkt te scheppen. Er ontstaat een verhaal met een begin en een einde, waarin een hoofdfiguur zich door ruimte en tijd beweegt. Diens leven wordt beïnvloed door ontmoetingen met mensen, steden en landschappen, waar hij op zijn beurt een stempel op drukt door ze een rol in zijn boeken te laten spelen. Net als schrijven is reizen een verlangen om aan het dagelijkse leven te ontsnappen, maar het is ook het overwinnen van onzekerheid en angst, het berusten in herhaling en verveling, het geduldig wachten op de inval of het gelukzalige moment. Evenals de schrijver ontdekt de reiziger onvermoede overeenkomsten tussen mensen en plaatsen, die door zijn vertelling met elkaar worden verbonden. Zo kan een ver eiland in de Stille Oceaan de herinnering opwekken aan Cape Cod, waar Theroux een huis heeft, zo wordt een Australische strandjutter in zijn herinnering even dierbaar als een goede vriend.

Schrijvers en reizigers zijn vreemdelingen wier innerlijk leven niet overeenstemt met hun uitwendige bestaan. Zij koesteren dit gevoel van anders-zijn en proberen een taal te vinden om het te beschrijven. In die taal worden de herinneringen uit hun geheugenpaleis opgeroepen, bewerkt, vereenvoudigd of uitvergroot. Vaak lijkt de verleiding groot om thuis te blijven en niets te doen, maar de drang is altijd sterker, om te schrijven of te vertrekken en daarmee zichzelf telkens opnieuw tegen te komen en vorm te geven.

Paul Theroux’ raad aan wie schrijver wil worden, is om in de allereerste plaats van huis weg te gaan. Want hoewel reisboeken het vermogen bezitten om het hart van een land te laten spreken doordat ze zich concentreren op de mensen in hun eigen omgeving, zijn ze net als romans een manier om in gewilde eenzaamheid jezelf te ontdekken en een plaats te geven in de wereld. Theroux plaatste aan het begin van Frisse lucht een kort fragment van Borges, over een man die jarenlang de wereld in trekt om alles te tekenen wat hij ziet, en uiteindelijk vlak voor zijn dood in het labyrint van lijnen de trekken van zijn eigen gezicht herkent. Reizen is altijd het ondernemen van een innerlijke reis. Een langlauftocht in de bevroren bossen van Maine wordt door Theroux gedeconstrueerd tot een verkenning van hart en verstand, een metafysische zoektocht naar inzicht in de eigen hartstochten.

Frisse lucht bestaat uit een verzameling reisverhalen uit de periode 1985-1999. Veel van die verhalen zijn eerder verschenen, maar werden door Theroux opnieuw bewerkt naar aanleiding van recente gebeurtenissen of van commentaar voorzien. Belangrijk is de volgorde waarin de verhalen zijn gepubliceerd: niet chronologisch maar thematisch, waarbij Theroux van het grote en ongrijpbare (de tijd, de lucht) via het tastbare van landschappen (oceanen, landen, plaatsen) naar het individuele gaat (de reisboeken van anderen en van zichzelf, schetsen van medereizigers, vrienden en door hem bewonderde schrijvers). De rode draad is Theroux’ eigenzinnige kijk op mensen en landen, zijn ironische commentaar op de kwalijke menselijke drang om de natuur te beheersen en dus te vernietigen, zijn woede over sociale misstanden als de sweatshops in China of de atoomproeven bij Christmas Island in de jaren vijftig. Toen kwamen miljoenen vogels om, mensen kregen onbekende ziektes en onbeschrijflijk mooie eilanden werden voor lange tijd tot verboden gebied verklaard.

Theroux is op z’n best in zijn politieke analyses van China en van HongKong vlak voor de overname, in zijn met vileine opmerkingen doorspekte portretten van Deng Xiaoping, Bruce Chatwin en Amerikaanse toeristen, in zijn verwondering over de schoonheid van de Pacific en zijn liefde voor het onbewoonde eiland waar hij zich Robinson Crusoë waant: «Ik had als frisseluchtfanaat het allerhoogste bereikt. Ik lag plat op mijn rug. Voldaan, tevreden, spiernaakt, alleen, gelukkig, en ik dacht: Ik ben een aap.»

Ik houd onvoorwaardelijk van de reisboeken van Paul Theroux. Voor iemand die reizen vreest en zoveel mogelijk probeert te vermijden, zijn ze telkens weer een hoogtepunt van literair genot. (Solange Leibovici)

Willem Brakman, De sloop der dingen

uitg. Querido 194 blz., ƒ 39,90

In de roman De sloop der dingen van Willem Brakman gaat de paradox vanaf de titel in sneltreinvaart met je aan de haal. In de sloop der dingen verbergt zich het tegenovergestelde daarvan: de loop der dingen. Brakman is een krankzinnige meester in vermommingen, rookgordijnen en verhaalacrobatiek, Houdini op de vlucht zeg maar, dit alles met een welhaast panische angst op de planken gebracht om te voorkomen, ja om wat eigenlijk te voorkomen? Dat de dingen de overhand zullen krijgen, dat herinneringen onweerlegbaar blijken te zijn, dat de strot dichtgeknepen wordt voordat bekend is wie er precies ooit aan het knijpen is gegaan. Dat tante Dien de macht grijpt. Wie oplet treft af en toe, verspreid door dit letterlijk angstaanjagende werk, een glimp aan van de onderliggende drijfveer, springveer is wellicht een beter woord, maar je moet er wel als de kippen bij zijn, anders loop je de kans de boot alweer te hebben gemist. Angst is de hete kookplaat van deze obsessieve en in alle betekenissen eigenwijze wereld. De ik-figuur windt hier geen doekjes om, maar noemen is uit den boze omdat daarmee de dreigingen helemaal de overhand gaan nemen en de sloper je genadeloos onder handen neemt. Uit dit boek stijgt angstgeschreeuw op maar wie dit erkent dreigt voorgoed verloren te gaan. «Zo langzamerhand had ik door alle dreigingen her en der het gevoel gekregen steeds dieper in het dorp door te dringen», schrijft Brakman ergens halverwege en dan vervolgt hij zijn bezwerende tour de force waarin het erop aan lijkt te komen de bedreigingen niet zozeer het hoofd te bieden als wel ze onbenoembaar te laten blijven. Ongenoemd. Naamloos.

Brakman vertelt een verhaal en tegelijkertijd een parodie daarop, daarvan en daarmee. Zijn queeste ontkent de bedreigende werkelijkheid, wil die niet opheffen maar vermommen en verhullen, om loutering is het hier niet begonnen. In dit boek creëert de ontkenning van de angst de aanwezigheid ervan. De seksuele toespelingen bijvoorbeeld rondom de mythische, dwangmatig opduikende en ook geestige figuur van tante Dien hebben niet de functie seksualiteit «bespreekbaar» te maken of te «verklaren» maar willen het seksuele aan het oog onttrekken, zijn afleidingsmanoeu vres, zoals dit hele boek een afleidingsmanoeuvre is. Waarvan en waartoe blijft onbekend, het duistere mag niet verlicht in deze schemerige onderwereld die Brakman hardnekkig «het dorp» blijft noemen.

Een vergelijking met de doos van Pandora dringt zich op. Alle verschrikkingen van een opvoeding, een verleden, onstuitbare herinneringen, seksuele obsessies zijn bij elkaar gebracht, alle ziekten van de wereld dus, zij het vermomd als een halfsteeds pandemonium waar gezelligheid, kleedjes, banketbakkers, slopers en de rest van de kleinburgerlijke rataplan elkaar de loef proberen af te steken. Slopen lukt niet, van in elkaar slaan en vernietigen is geen sprake, Brakmans roman is deze doos, die niet geopend wordt maar door de ik-figuur uit alle macht gesloten wordt gehouden, terwijl hij wanhopig waarschuwt voor tante Dien en tegelijkertijd naar haar verlangt. Wie in deze wereld tot begrip wil komen, is gedoemd de pas te worden afgesneden

(Kees ’t Hart)

Göran Tunström, Hoog bezoek

Vertaald door Bertie van der Meij uitg. De Bezige Bij, 288 blz., ƒ39,90

Ja, zelfs de onlangs overleden Zweedse auteur Göran Tunström heeft een bekentenisroman geschreven. Maar dan wel een bijzondere, want in Hoog bezoek is het, zoals de plaatselijke dominee zegt, «een man als een hond» die de balans van zijn leven opmaakt. Het is Stellan Jonsson, ofwel Stellan van ’t Hoekje, de alleenstaande, gewezen kruidenier van het Zweedse dorp Sunne (Tunströms geboortedorp), slaafs als een hond en een «uiterst merkwaardig manne tje» — alweer aldus de dominee.

Men luistert niet graag naar Stellan, zo begrijpt ook hijzelf: «Ik weet dat ik een belachelijk mens ben.» Hij is onrustig, gebruikt woorden die hij zelf niet helemaal begrijpt, heeft zijn inmiddels bij hem weggelopen vrouw geslagen, dweept met de dominee en kan eindeloos zeuren over eigenaardigheden van zijn dorpsgenoten.

Stellan begint te schrijven als hem gevraagd wordt een bijdrage te leveren voor een lustrumalmanak voor het dorp Sunne. Hij vat die taak ruim op. «Wanneer je uiteindelijk gedwongen bent de balans van je leven op te maken, hoeveel mensen heb je dan vreugde, leven, geschonken? Hoeveel, hoe velen heb je gedood?» vraagt hij zich af. Het antwoord geeft Stellan door een periode uit zijn leven te vertellen, de enige periode waarin hij deel uitmaakte van een verhaal, een dramatisch verhaal zelfs. En inderdaad, hoe nietig Stellan ook geweest mag zijn in zijn eigen ogen, in die van zijn omgeving en in die van de lezer — hij blijkt wel degelijk in het middelpunt van een drama te hebben gestaan. Stellan blijkt zelfs enkele doden op zijn geweten te hebben.

In tegenstelling tot menige hedendaagse bekentenisroman doet het vertellen de zwakke, bij vlagen zelfs onsympathieke verteller soms «te veel pijn». Dan zet hij plotseling drie sterretjes en begint een nieuwe alinea. «Ik zet sterretjes als ik niet meer verder kan schrijven.» Of hij stopt een verhaallijn plotseling om te verklaren: «Daar kan ik nu niet meer over zeggen», waarna hij zijn vertelling vervolgt met wederwaardigheden over de figuranten van zijn verhaal. Zo zijn daar de afvallige dominee Cederblom; diens politiek geëngageerde, immer woedende dochter; de plaatselijke kunstenaar Harald Pihlgren en natuurlijk diens vrouw Isabelle, op wie Stellan zijn leven lang smoorverliefd is en die de spil vormt van de langzaam onthulde plattelandstragedie, waarin het bezoek van een astronaut op volstrekt aannemelijke wijze de deksel opwipt van een diepe, ingekankerde beerput

Stellan gaat indirect op zijn doel af. Meeslepend wordt het daardoor nooit. Maar dat mag geen bezwaar heten. Tunström rijgt verhalen aaneen met magistrale stilistische en compositorische vondsten. Eén daarvan is het toevoegen van het nagelaten dagboek van de dominee. Door die toevoeging blijkt hoe beperkt het beeld is dat een verteller van zichzelf geeft, zelfs als die de balans van zijn leven opmaakt. Maar ook blijkt daaruit hoe weinig goedbedoelende, sympathieke lieden als Cederblom de drijfveren van hun medemens doorgronden. Cederblom ziet in het voor hem volslagen onbenullige mannetje Stellan het embleem van provinciaals onbegrip voor hetgeen hij in zijn preken zijn gemeente wil mededelen, terwijl Stellan daarentegen leeft voor Cederbloms wijsheden. Sterker: «Het meeste van wat ik in dit boek denk, heb ik van Cederblom.» Maar het is de geheime geliefde van de dominee, de psychologe Lena, die Stellan vleugels geeft. Zij geeft hem de opdracht: «Gun jezelf de tijd om dingen op te merken, ook dingen buiten je winkel.» En dat is de alleenstaande, onsympathieke ex-kruidenier gelukt, waarmee hij de grootsheid aantoont, alweer, van de knappe verteller Tunström.

(Pieter van Os)

Göran Tunström, Hoog bezoek

Vertaald door Bertie van der Meij uitg. De Bezige Bij, 288 blz., ƒ39,90

Ja, zelfs de onlangs overleden Zweedse auteur Göran Tunström heeft een bekentenisroman geschreven. Maar dan wel een bijzondere, want in Hoog bezoek is het, zoals de plaatselijke dominee zegt, «een man als een hond» die de balans van zijn leven opmaakt. Het is Stellan Jonsson, ofwel Stellan van ’t Hoekje, de alleenstaande, gewezen kruidenier van het Zweedse dorp Sunne (Tunströms geboortedorp), slaafs als een hond en een «uiterst merkwaardig manne tje» — alweer aldus de dominee.

Men luistert niet graag naar Stellan, zo begrijpt ook hijzelf: «Ik weet dat ik een belachelijk mens ben.» Hij is onrustig, gebruikt woorden die hij zelf niet helemaal begrijpt, heeft zijn inmiddels bij hem weggelopen vrouw geslagen, dweept met de dominee en kan eindeloos zeuren over eigenaardigheden van zijn dorpsgenoten.

Stellan begint te schrijven als hem gevraagd wordt een bijdrage te leveren voor een lustrumalmanak voor het dorp Sunne. Hij vat die taak ruim op. «Wanneer je uiteindelijk gedwongen bent de balans van je leven op te maken, hoeveel mensen heb je dan vreugde, leven, geschonken? Hoeveel, hoe velen heb je gedood?» vraagt hij zich af. Het antwoord geeft Stellan door een periode uit zijn leven te vertellen, de enige periode waarin hij deel uitmaakte van een verhaal, een dramatisch verhaal zelfs. En inderdaad, hoe nietig Stellan ook geweest mag zijn in zijn eigen ogen, in die van zijn omgeving en in die van de lezer — hij blijkt wel degelijk in het middelpunt van een drama te hebben gestaan. Stellan blijkt zelfs enkele doden op zijn geweten te hebben.

In tegenstelling tot menige hedendaagse bekentenisroman doet het vertellen de zwakke, bij vlagen zelfs onsympathieke verteller soms «te veel pijn». Dan zet hij plotseling drie sterretjes en begint een nieuwe alinea. «Ik zet sterretjes als ik niet meer verder kan schrijven.» Of hij stopt een verhaallijn plotseling om te verklaren: «Daar kan ik nu niet meer over zeggen», waarna hij zijn vertelling vervolgt met wederwaardigheden over de figuranten van zijn verhaal. Zo zijn daar de afvallige dominee Cederblom; diens politiek geëngageerde, immer woedende dochter; de plaatselijke kunstenaar Harald Pihlgren en natuurlijk diens vrouw Isabelle, op wie Stellan zijn leven lang smoorverliefd is en die de spil vormt van de langzaam onthulde plattelandstragedie, waarin het bezoek van een astronaut op volstrekt aannemelijke wijze de deksel opwipt van een diepe, ingekankerde beerput.

Stellan gaat indirect op zijn doel af. Meeslepend wordt het daardoor nooit. Maar dat mag geen bezwaar heten. Tunström rijgt verhalen aaneen met magistrale stilistische en compositorische vondsten. Eén daarvan is het toevoegen van het nagelaten dagboek van de dominee. Door die toevoeging blijkt hoe beperkt het beeld is dat een verteller van zichzelf geeft, zelfs als die de balans van zijn leven opmaakt. Maar ook blijkt daaruit hoe weinig goedbedoelende, sympathieke lieden als Cederblom de drijfveren van hun medemens doorgronden. Cederblom ziet in het voor hem volslagen onbenullige mannetje Stellan het embleem van provinciaals onbegrip voor hetgeen hij in zijn preken zijn gemeente wil mededelen, terwijl Stellan daarentegen leeft voor Cederbloms wijsheden. Sterker: «Het meeste van wat ik in dit boek denk, heb ik van Cederblom.» Maar het is de geheime geliefde van de dominee, de psychologe Lena, die Stellan vleugels geeft. Zij geeft hem de opdracht: «Gun jezelf de tijd om dingen op te merken, ook dingen buiten je winkel.» En dat is de alleenstaande, onsympathieke ex-kruidenier gelukt, waarmee hij de grootsheid aantoont, alweer, van de knappe verteller Tunström.

(Pieter van Os)