Paul van ostaijen

Stadhuisklerk was hij, worstelaar, cocainesnuiver en flamingant. Maar voor alles was Paul van Ostaijen de eerste moderne dichter in het Nederlandse taalgebied. Op 22 februari is het honderd jaar geleden dat hij geboren werd. Een levensbeschrijving.
Naar aanleiding van de honderdste geboortedag van Paul van Ostaijen heeft uitgeverij Bert Bakker zijn verzamelde gedichten en de monumentale Paul van Ostaijen-documentatie van Gerrit Borgers opnieuw uitgegeven. Bij dezelfde uitgeverij verschijnt onder redactie van Geert Buelens en Erik Spinoy de artikelenbundel De stem der Loreley, over Paul van Ostaijen. Het Vlaamse tijdschrift Gierik wijdde een dubbelnummer aan de dichter. Dietsche Warande & Belfort publiceerde poetische hommages. De Slaa en Perdu organiseren ieder een literaire avond.
ER IS IETS merkwaardigs aan de hand met Paul van Ostaijen. Hoewel er sinds de Tweede Wereldoorlog stapels artikelen en boeken over hem zijn geschreven, is het toch moeilijk je een beeld van hem te vormen. Hij was een gedreven politiek activist; een scherpzinnig kunstcriticus; de eerste werkelijk moderne dichter in het Nederlandse taalgebied; de schrijver van hilarische grotesken; een dandy, nachtbraker en cocainesnuiver; overtuigd expressionist, dadaist en constructivist; anarchist en nihilist; journalist, stadhuisklerk, nachtclubportier en kunstpaus. De Vlaamse poeet was een Man met Zoveel Eigenschappen dat iedereen onbekommerd zijn eigen visie op hem kan projecteren.

Het ligt het meest voor de hand om een romantisch verhaal over Paul van Ostaijens leven en kunstenaarschap te schetsen. Een verhaal waarin de kiem van zijn eigenzinnige dichterschap al vroeg te ontwaren was. De in 1896 in Antwerpen geboren dichter was immers in zijn jeugd al een onaangepast ventje. Zijn schoolvrienden beschreven de jonge Paul - ‘zot Polleken’ - als een mager kereltje met verfomfaaide kleren en pikzwarte handen dat van reglementen niets wou weten. Tegen de schoolregels in bezocht hij elke zondag de Vogeltjesmarkt waar de 'lutteurs’ met elkaar wostelden - worstelen werd zijn favoriete tijdverdrijf. Tegelijk leverde hij strijd over poezie: Streuvels was ontegenzeggelijk een groter dichter dan Kloos. Tijdens de lessen werkte hij in een blauw schrijfboek aan de klucht De muizejacht, waarin een knecht muizen moest vangen van zijn baas. Gevoel voor absurditeit had hij toen al, herinnerde zijn schoolvriend Jos Leonard zich. Toen de baas aan de knecht vroeg: 'Jan, hoeveel heb g'er al gepakt?’ antwoordde Jan: 'Als ik die heb waar ik achter zit en nog een, heb ik twee.’
Op de middelbare school, een jezuitencollege, kreeg hij de bijnaam 'de Poeet’. Terwijl zijn medeleerlingen dweepten met Gezelle en Van de Woestijne, kwam hij aandragen met Else Lasker-Schuler, Rilke en Verlaine. Hij verzette zich tegen de opvattingen van de paters en las 'verboden lectuur’: Tolstoj, Ibsen, Balzac, Zola, Huysmans en Van Eeden. Als ware missionaris gaf hij de verboden boeken ook aan zijn klasgenoten. Vandaar dat het hen door de paters verboden werd met hem om te gaan en hij in het speelkwartier als een eenzaam musje in de hoek stond. Uiteindelijk werd hij van het college gestuurd.
Hij zette zijn Sturm und Drang voort op het atheneum, waar hij zich aansloot bij de Vlaamsche Bond die protesteerde tegen de bevoordeling van het Frans in het onderwijs en het maatschappelijk leven. Van Ostaijen werd een overtuigd flamingantisch activist en keerde zich tegen het conservatieve Franstalige establishment van burgerij, kerk en monarchie, het 'Grote Zirkus van de H. Geest - Godsdienst & Vorst & Staat’, zoals hij het later in Bezette stad zou omschrijven. In 1913 verliet hij het atheneum, nadat hij voor de tweede keer was blijven zitten, en werd hij klerk op het Antwerpse stadhuis.
Het romantische beeld van zijn schrijverschap zet zich voort in de oorlog - in oktober 1914 bezetten de Duitsers Antwerpen. In die gevaarvolle periode groeide Van Ostaijens politieke engagement, ontwikkelde hij zijn dichterschap en gaf hij zich over aan de liederlijkheid van de stad. De oorlog stelden de flaminganten in de gelegenheid om de achterstelling van Vlaanderen weg te werken. Van Ostaijen ging over de Vlaamse beweging schrijven - hij was voorstander van een sterk Vlaanderen in een federatieve Belgische staat - en publiceerde zijn eerste artikelen over beeldende kunst.
In die tijd nam hij, geinspireerd door buitenissige Franse dichters, de pose van dandy aan. Hij flaneerde over de Keyserlei en de Groenmarkt in zwierige jas met fluwelen kraag, hield het hoofd in de wolken en wees de wereld af. Hij werd 'meneer 1830’ genoemd om zijn zonderling precieuze uitdossing. Maurice Gilliams beschreef hem in De man voor het venster: ’ ’s Avonds op de Keyserlei, ontmoette ik Orpheus in Biedermeier costuum. Hij werd aangegaapt om zijn onmodische rode das, om zijn roodfluweelen ondervest en zijn vreemde zwarte kleding. Somtijds droeg hij een parelgrijze Mac-farlane, en wanneer de wind in het kapje speelde, kreeg hij als het ware vleugelen gelijk een keizerlijke adelaar. ’s Winters zag men hem met een bontmuts; hij droeg een hoge stijve boord. Hij was de dandy, de lord in het machtig grauwe Antwerpen.’
Hij stortte zich in het bloeiende nachtleven van de grauwe oorlogsstad. Hij bezocht de Wintergarten, een music-hall aan de Meir, keek naar de laatste films, zat tussen de Duitse militairen in concertzalen, experimenteerde met verdovende middelen, stortte zich in vluchtige liefdesaffaires en ging naar danslokalen en cafes, vooral naar Hulstkamp aan de Keyserlei waar de stedelijke boheme zich verzamelde. Hij speelde daar met zijn vrienden - de kunstenaars Jozef Peeters, Jos Leonard, Paul Joostens, Oscar en Floris Jespers, de literatoren Paul Verbruggen, Victor Bunclair en Gaston Burssens - schaak, domino en biljart, en discussieerde over de nieuwste richtingen in de kunst. Van Ostaijen was de onbetwiste leider van de Antwerpse kunstenaarskring, de profeet van de Keyserlei.
EN HIJ LEGDE ZICH toe op de poezie. In 1916 verscheen zijn debuut, Music-Hall, een bundel vol impressionistische, sentimentele verzen waarin hij het liederlijke leven in de grootstad en de kunstmatigheid van het variete verheerlijkte. Dronkaards en bedrogen minnaars zingen melancholische liedjes - 'falderideine falderidom’ - een danseresje kweelt in het Spaans en kleppert met haar castagnetten. De mensen op straat horen het 'getrappel’ van vrolijke pianoklanken uit een open raam. Een harmonika snikt ergens in een achterbuurt. De dichter is een verstoteling die zich wentelt in drank en baudelaireaanse Weltschmerz. Vaak verkeert hij in een roes en probeert hij in het uitzinnige vermaak de wereld te ontvluchten: 'O, m'n Music-Hall wieg ’m op uw geluiden,/ Dat ik weer eens de ware wereld buiten/ Treed; dat ik weer eens wone/ In illuzie’s hogere regionen.’
Twee jaar later volgde Het sienjaal, waarin hij zijn dichterschap profetische proporties gaf. De kunstenaar wordt in de bundel afgeschilderd als een door God uitverkorene en geroepene, vervuld van een 'kosmiese liefde’ voor de mensheid, als 'priester: meester en dienaar’ zoals hij over Vincent van Gogh dichtte. Het sienjaal staat vol holle belijdenispoezie, 'O Mensch’-lyriek die is beinvloed door dichters als Walt Whitman, Franz Werfel en Else Lasker-Schuler. De 'ik’ in de gedichten zoekt naar eenwording met de mensheid en richt zich op de zwakkeren en onderdrukten. Later zou Van Ostaijen de profetische orakeltoon van Het sienjaal betitelen als 'buiten-lyriese hogeborst-zetterij’.
HET ROMANTISCHE verhaal over Paul van Ostaijen gaat nog verder. Kort na het verschijnen van Het sienjaal en kort voor de wapenstilstand vluchtte hij met zijn vriendin Emmeke als balling naar het politiek turbulente maar artistiek bloeiende Berlijn. Na de oorlog werd duidelijk dat alle flaminganten die zich - al dan niet in samenwerking met de Duitsers - hadden ingezet voor de Vlaamse Beweging, zouden worden gestraft. Van Ostaijen vreesde vervolging, onder andere omdat hij in de zomer van 1917 had meegedaan aan het bespotten van de Mechelse kardinaal Mercier. Inderdaad werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden en het betalen van een geldboete.
In Berlijn leefde hij, zoals het een romantisch dichter betaamt, in bittere armoede. Berlijn was na de oorlog een grimmige stad, de schappen van de winkels waren nagenoeg leeg. In zijn korte Zelfbiografie schreef Van Ostaijen over zijn ballingschap: 'Na zorgeloos leven kamp voor het bestaan te Berlijn, Potsdam en Spandau. Niet romanties. Fantasie is de vertelling dat ik het van liftboy tot eigenaar van een nachtlokaal zou hebben gebracht. Ben veel te primitief om vooraanstaande plaats in de samenleving te bekleden. Spijts zeer verlangend het niveau der vlaamse dekadenten te bereiken, begrijp ik mijn “Unfahigkeit”. Op het punt leraar voor ritmies-typografiese poezie te worden benoemd, moest ik bedanken daar niet in het bezit van een geklede jas. Had ik maar een geklede jas. In de tang van struggle f.l. sigaretteventer, oppikker (Schlepper) in dienst van nachtlokaal alwaar naaktdansen. Eindelik fatsoenlike plaats door voorspraak van een vooraanstaand kunstkritieker: verkoper in een schoenmagazijn, afdeling dames. Van daar sterke beinvloeding.’
Ook de baantjes als sigarettenventer, oppikker en schoenverkoper zijn fantasie; Van Ostaijen zou in Berlijn geen betrekking vinden. Ze leefden van het geld dat Emmeke als mannequin en fotomodel verdiende. In Berlijn radicaliseerde hij op politiek en artistiek gebied. Hij sympathiseerde met de Spartakisten Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg en maakte de bloedige onderdrukking van hun opstand mee. Zijn humanitaire idealen, zoals hij die had geformuleerd in Het sienjaal, leden schipbreuk en hij raakte in een crisis. Bovendien behoorde hij in Berlijn niet tot de prominenten van de kunst-scene. 'Er is hier geen beweging’, schreef hij aan een vriend, om vervolgens mee te delen dat hij de beste relatie met schilders had: 'Ik ben het meest op schildersateliers. Schilders zijn verstotelingen zowel als ik: Seelenverwantschaft. (…) Literaten zijn hier zowel als bij ons strebers.’
Hoe dan ook leerde Van Ostaijen in Berlijn een groot aantal schrijvers en schilders kennen, onder wie Walden, Stuckenberg, Topp, Campendonck, Grosz, Behne en Feininger. Via de schilders kwam hij in aanraking met het avantgardisme, vooral het dadaisme - hij zoog de revolutionaire gedachten over kunst als een spons op. En hij bezocht het Cafe des Westens, dat als de 'wachtkamer van de literatuur’ werd bestempeld omdat literaire coryfeeen als Thomas Mann, Hugo von Hofmannsthal en Stefan Zweig zich in elitaire salons ophielden. Daar ontmoette hij Friedlander, de neo-kantiaanse filosoof die onder het pseudoniem Mynona grotesken schreef. Onder diens invloed begon hij proza te schrijven waarin hij mensen 'voor aap’ probeerde te houden: 'Ik voel tans voor novellen waar je zo heerlik in kunt zwansen. De mensen zijn niet waard gekritiseerd te worden. Enkel stof voor burleske novellen.’
ZIJN LITERAIRE produktie was in Berlijn ongehoord groot. Hij schreef de dichtbundels De feesten van angst en pijn (onuitgegeven) en Bezette stad, legde zich toe op het schrijven van satirische grotesken als De kudde van Claire en Het gevang in de hemel en publiceerde een reeks artikelen over de Vlaamse Beweging, beeldende kunst en kunstkritiek. Zijn Berlijnse dichtbundels waren nihilistisch en dadaistisch geinspireerd. Het gebruik van objets trouves - reclameslogans, flarden uit liedjes, titels van films, opschriften van uithangborden - deed denken aan de dadaistische fotomontage, de zogenaamde ritmische typografie sloot aan bij de onconventionele manier waarop de dadaisten Hugo Ball en Raoul Hausmann hun gedichten lieten drukken. Hij liet de poezie werkelijk op alle mogelijke manieren ontploffen: van rijm en prosodie was geen sprake meer, de syntaxis werd afgeschaft, de stem van de dichter was vervangen door een koor van tegen elkaar in zingende stemmen.
Bezette stad geeft Van Ostaijens herinneringen aan Antwerpen in oorlogstijd weer: het binnenmarcheren van de vijandelijke legers, de lege havens, de bordelen, de bars, de bioscopen en de music-halls, en het einde van de bezetting. Samen met zijn vriend Oscar Jespers werkte hij aan de 'ritmiese’ vormgeving van de bundel om, zoals hij in een van zijn poeticale uiteenzettingen zou stellen, 'de lezer attent te maken op de meer dan journalistieke betekenis van het woord. Op de stam. De klinker. De medeklinker. Het interval. Het zwijgen. Het ademhalen. Het spilwoord - aantrekkingskern, waar rond de atomen zich groeperen. Kristallisatie. De spanning van het oppervlakkige woord tot het dimensieloze.’
Het romantische verhaal is nog niet afgelopen. Paul van Ostaijen voelde zich slecht op zijn gemak in Berlijn - 'het is hier alles zo monotoon triestig. Een pissebloem kan hier zelfs niet groeien’ - en besloot terug te keren naar Antwerpen. Dan maar het risico nemen van de gevangenisstraf - 'Een ding: liever 2 jaar dan een heel leven verloren.’ Hij was nauwelijks terug of hij moest soldaat worden. De ironie wil dat hij weer werd teruggestuurd naar Duitsland, naar Krefeld, waar de Belgen gebied bezetten, om dienst te doen als 'vertaler-klerk-telefonist-buroreiniger’.
Na zijn diensttijd verdedigde hij wederom vurig zijn kunstopvattingen, ijverde hij voor de oprichting van een eigen tijdschrift en ontwikkelde hij zijn poetica verder. Als dichter van steeds 'zuiverder’ en steeds meer 'ge-ontindividualiseerde’ lyriek meende hij dat hij nu pas goed begonnen was. Hij maakte plannen voor de bundel Eerste boek van Schmoll - de titel verwees naar een bekend pianoboek voor beginners - en hij schreef een reeks grotesken.
HET MOCHT ALLEMAAL niet erg lang duren. Halverwege de jaren twintig openbaarde de ziekte zich waar hij jong aan zou sterven. Het was de kunstenaarsziekte par excellence, tuberculose, waar eerder al zijn broer en zus aan waren gestorven. Zijn laatste maanden sleet hij in het sanatorium Le Vallon in Miavoye-Anthee in de Ardennen. Op zijn ziekbed bleef hij onverwoed schrijven en theoretiseren en richtte hij met Du Perron het tijdschrift Avontuur op. Zijn dood op 18 maart 1928 was de apotheose van zijn romantisch kunstenaarschap.
Hoe romantisch het verhaal ook is en hoezeer het ook op feiten is gebaseerd, het heeft iets onrechtvaardigs zo uitgebreid bij de biografie van Paul van Ostaijen stil te blijven staan. Het is niet alleen onrechtvaardig omdat hij zelf zijn leven in zijn Zelfbiografie op slechts een pagina samenvatte, maar ook omdat hij in zijn latere kunstopvattingen er als geen ander op heeft gehamerd dat de kunstenaar er niet toe doet, maar alleen zijn kunstwerk. 'Niet het Ik van de dichter, maar wel het Ik van het gedicht’ moest van hem centraal staan. Het kunstwerk moest 'voor-zich individueel’ zijn. Als geen ander heeft hij in het Nederlands taalgebied de autonomie van het gedicht verdedigd. In zijn latere programmatische pleidooien distantieerde hij zich van zijn eerdere 'romantiese expressionisme’ - 'oneerlikheid, die ik eerlikheid waande’ - en brak hij ook met het dadaisme van Bezette stad. De Berlijnse bundel karakteriseerde hij als 'vergif, als tegengif gebruikt’. In de laatste fase van zijn dichterschap stelde hij dat hij alleen nog maar gedichtjes maakte voor zijn plezier, 'zoals een duivemelker duiven houdt’. Poezie, zo benadrukte hij, had niks te vertellen, behalve de transcendentie van het woord. Poezie had niks te maken met de intentie van de dichter, hoe nobel ook, of de werkelijkheid om de dichter heen. In plaats van een mededeling over de wereld of een expressie van gevoel, was het louter een spel van woorden en klanken. Kort gezegd: 'Poezie = woordkunst. Poezie is niet: gedachte, geest, fraaie zinnen, is noch doctoraal, noch dada. Zij is eenvoudig een in het metafysiese geankerde spel met woorden.’
Misschien kan een portret van Paul van Ostaijen het beste worden gegeven aan de hand van zijn Zelfbiografie. Die begint met: 'Ik ben geboren. Dit moet worden aangenomen, alhoewel een absoluut-objektief bewijs niet is voort te brengen. Aksioom in het domein van de subjektieve ervaring. Objektief is het slechts gissen.’ Nog geen dertig regels later rondt hij af met: 'Drie boeken uitgegeven: Music-Hall, Het sienjaal, Bezette stad. Misschien is ook dit slechts massahipnose. Wie kan bewijzen dat hij deze boeken heeft gelezen, laat staan: begrepen. God beware: begrepen. Ik heb ze zelf niet begrepen.’