Paul vergilius

Onder schrijvers voor een jeugdig publiek is de klassieke oudheid ongekend populair. De omzwervingen van Odysseus zijn in uiteenlopende moderne toonaarden bezongen door Imme Dros en Evert Hartman, en Simone Kramer versloeg de tocht van de Argonauten in hedendaags Nederlands. De Griekse mythologie is toegankelijk in stripverhaalvorm, via de poëtische navertellingen van Imme Dros en de knap gecomponeerde verhalenbundels van Leon Garfield. Ook Paul Biegel leverde zijn bijdrage. In 1995 vertaalde hij een Tsjechische bewerking van de Ilias en onlangs verscheen zijn hervertelling van Vergilius’ Aeneïs, getiteld De zwerftochten van Aeneas.

Vergilius’ werk is aanzienlijk minder gekend dan dat van Homerus. Een heldendicht in twaalf boeken verhaalt over Aeneas’ moeizame pogingen om uit het verwoeste Troje de Italiaanse kust te bereiken, waar hij volgens de wil der goden ‘het ras van zijn voorvaderen moet laten uitgroeien tot een volk van wereldheersers’. Het meest bekend is de ongelukkige liefde tussen Aeneas en Dido, koningin van Carthago en de uitspraak dat men de Grieken dient te wantrouwen, zelfs als ze met geschenken komen aanzetten (het paard van Troje). De verwijzingen naar Homerus zijn talrijk en Aeneas’ beproevingen die gestuurd worden door elkaar dwarszittende goden, zijn duidelijk verwant met die van Odysseus. Ze zijn alleen veel eentoniger en minder briljant opgeschreven.
Vergilius is vooral doende om met ijzingwekkende precisie de ene slachtpartij na de andere uit te tekenen. Waar Aeneas ook voet aan wal zet, er is altijd wel weer een volk dat reden ziet om de wapenen op te nemen. Dat leidt tot dit soort beschrijvingen: 'De een na de ander neermaaiend, zodat hij een spoor van schuimend bloed, lillende darmen en uiteengespatte hersenen achterliet.’ En nog nauwkeuriger: 'Daarop hief Turnus zijn zwaard en kliefde met één slag de schedel van Pandarus precies in het midden, zodat beide gezichtshelften aan weerskanten tot op de schouders neerzegen, bloed en hersens uitgulpend.’ Naast al dit machtsvertoon en deze 'bloedhitsigheid’ - zoals Biegel het zo fraai aanduidt - komt de lezer ook het nodige te weten over begrafenissen (uiteraard!), offers, orakels en sportwedstrijden.
Biegel bedient zich voor de weergave van Aeneas’ wel en wee van verhalend proza in een gedragen stijl. Hier en daar duikt de vergelijking op en het zo goed als verdwenen tegenwoordig deelwoord - 'geen enkel onraad bespeurend’ of 'Aeneas, nog eenmaal omkijkend naar de kust’ - speelt een belangrijke rol. Het is allemaal keurig en klassiek, zoals ook de tekeningen van Fiel van der Veen, waarop we veel krijgers en hun paarden zich los zien maken van de scherven van vazen en schalen.
Toch bleef ik verlangen naar meer Biegel en minder Vergilius, naar de vrijheid waarmee de auteur eerder zulke springlevende bewerkingen maakte van Reinaert de Vos of de reizen van de heilige Brandaan (Anderland). Soms is er even een vleugje in de woordkeuze, waar de touwen 'knirpen’ of de god 'een twijg vol tover’ neemt, maar mij was het te weinig om wakker te blijven bij die eindeloze verslagen van gebeurtenissen uit de grijze oudheid. Nuttig en leerzaam - vooral voor aankomende gymnasiasten - dat is de categorie waarin het boek thuishoort, alle bloed ten spijt.