Paul Wilkinson 9 mei 1937 - 11 augustus 2011

Hij voorzag hoe het internationale terrorisme zich in de toekomst verder zou ontwikkelen en had opvallende ideeën over de bestrijding ervan. Maar hij was ervan overtuigd dat democratische staten niet onder de druk hoeven te bezwijken.

BIJ ALLE OPHEF rond Osama bin Ladens dood zouden we bijna vergeten hoe zijn verblijfplaats is ontdekt. Niet dankzij martelingen in Guantánamo Bay, wereldwijde elektronische vangnetten of de interventie van commando’s en inlichtingendiensten. Osama werd gevonden doordat een Pakistaanse inlichtingenofficier aanspraak maakte op de beloning van 25 miljoen dollar die het State Department op zijn hoofd had gezet. Het bedrag was beschikbaar gesteld in het kader van het Rewards for Justice-programma, een van de meest succesvolle programma’s voor internationale terrorismebestrijding.

Osama is dus uitgerookt met een methode waarvan de wet zich sinds mensenheugenis met succes bedient. Om de verklikkers te lokken, wordt het hen makkelijk gemaakt. De Pakistaanse officier krijgt een nieuwe naam en een nieuw bestaan in de Verenigde Staten. Hij moet misschien zijn snor afscheren, maar een kappersbezoekje kan hij nu wel betalen. Het feit dat hij deel uitmaakte van een organisatie die Osama jarenlang beschermde wordt hem vergeven op grond van het even vertrouwde opportuniteitsbeginsel dat zegt dat de staat van rechtsvervolging kan afzien als zulks in het algemeen belang is.

De toedracht bevestigt de opvatting die terrorismedeskundige Paul Wilkinson gedurende zijn hele carrière heeft uitgedragen. Wilkinson vond dat terroristen bij voorkeur moesten worden bestreden met justitiële methoden, niet met militaire middelen en uitzonderingswetgeving. Hij begreep best waarom veiligheidsdiensten graag gebruik maken van draconische middelen: ‘Terrorisme bestrijden is net als keepen in het voetbal. Je kunt nog zoveel briljante reddingen verrichten, de mensen herinneren zich toch die ene bal die je liet doorgaan.’ Maar Wilkinson vond de 'war on terrorism’ misleidend omdat er geen militaire oplossing voor het probleem is. Veel belangrijker was de 'ideeënstrijd’ die plaatsvond in alle geledingen van de samenleving, zei Wilkinson na de bomaanslagen van 2005 in Londen: 'Wat er op de campussen van onze universiteiten gebeurt is bijvoorbeeld van het grootste belang. Daar worden de nieuwe rekruten geworven.’

Wilkinson zelf was voor die ideeënstrijd geboren. Hij groeide op als astmatische boekenwurm en ging in de voetsporen van een geliefde oom geschiedenis studeren. In de eerste helft van de jaren zestig was hij docent aan de academie van de Royal Air Force, maar de universiteit trok. Als lector politieke wetenschappen in Cardiff legde Wilkinson zich toe op terrorisme en wijdde er in 1974 zijn eerste boek aan. Political Terrorism (1974) werd niet juichend ontvangen, al was het in diverse opzichten baanbrekend. 'In die tijd had je twee misvattingen over terrorisme-experts’, zei hij ooit: 'De eerste was dat je waarschijnlijk een heimelijke sympathie koesterde voor de daders. De andere was dat je waarschijnlijk rechtser was dan Djengis Khan en voor de veiligheidsdiensten werkte.’ Als hoogleraar internationale betrekkingen aan St. Andrews University in Schotland heeft hij nog heel wat meer misverstanden moeten wegwerken.

Terreurbestrijding was lange tijd het werkterrein van militaire deskundigen die zich lieten leiden door de grotendeels mislukte counter-insurgency campagnes van de oude koloniale machten. Wilkinson voegde een politieke dimensie toe die node gemist werd. Hij maakte onderscheid tussen terrorisme en bevrijdingsstrijd en reisde de wereld af om actieve en gewezen leden van terreurgroepen te interviewen, een werkwijze die in de oude benadering ondenkbaar was geweest. Omgekeerd wisten ze ook hem te vinden. In 1990 kwam het gevaar even heel dichtbij toen de IRA een bom onder zijn spreekgestoelte op het instituut had geplaatst. Nadat de helse machine onschadelijk was gemaakt nam Wilkinson onverstoorbaar het woord: 'I believe today’s incident rather underlines our relevance.’

Volgens een andere gerenommeerde deskundige die aanwezig was, Alex Schmidt, was de bom 'een compliment voor Paul omdat hij iets te zeggen heeft wat terroristen niet graag horen’. Dat 'iets’ was Wilkinsons opvatting dat democratieën zeer wel in staat zijn om terreuraanslagen te overleven, niet alleen fysiek maar ook in politiek opzicht. Het was zijn grote thema. Wilkinson had een aantal trends voorzien. Bijvoorbeeld de trend dat het internationale terrorisme van de toekomst niet zozeer politiek als wel etnisch en religieus gemotiveerd zou zijn. Hij zag aankomen dat terroristen hun werkterrein zouden verleggen van de Derde Wereld naar de democratische landen in het centrum van het wereldsysteem. En hij voorzag dat ze steeds meer ongericht, massaal bloedvergieten zouden toepassen om die democratieën te destabiliseren. Hij meende echter dat democratische staten, hoewel buitengewoon gevoelig voor die uitschieters, allerminst onder de druk hoeven te bezwijken.

Ook na '9/11’ bleef hij met grote nuchterheid dit standpunt verkondigen. De invasie in Afghanistan achtte hij onvermijdelijk omdat het regime van de Taliban de uitvalsbasis voor al-Qaeda was geweest. Maar de invasie van Irak in 2003 noemde hij een kolossale vergissing. Er bestond geen band tussen al-Qaeda en Irak, maar dankzij de invasie is die band door de geallieerden zelf gecreëerd. 'Het is algemeen erkend dat de bezetting van Irak een kostenloos en krachtig propagandawapen aan al-Qaeda verschafte’, schreef hij: 'Zodoende is de beweging het wegvallen van het Taliban-regime te boven gekomen.’ Vlak voor zijn dood wees hij erop dat het 'epicentrum’ van dit herboren al-Qaeda zich verplaatst naar Pakistan, waar het vanwege de aanwezige kernwapens een groter gevaar voor de wereld vormt dan ooit tevoren. Het is te hopen dat hij niet opnieuw gelijk krijgt.