Pausen, vorsten en penoze

TOM HOLLAND
DE GANG NAAR CANOSSA: DE WESTERSE REVOLUTIE ROND HET JAAR 1000
Vertaald door Christien Jonkheer, Athenaeum-Polak
& Van Gennep, 474 blz., € 29,95

Nadat hij met Rubicon en Persian Fire twee bestsellers over de Oudheid had geschreven, heeft Tom Holland zich nu gewaagd aan de tumultueuze eeuwen rond het jaar 1000. En wederom trakteert hij zijn lezers op wat de Engelsen een good read noemen. Het is een bloedstollend verhaal waarin ambitieuze pausen en vorsten elkaar bestrijden, uit de penoze van die jaren een niets en niemand ontziende ridderklasse ontstaat die brutaalweg kastelen bouwt en de bevolking meedogenloos begint uit te zuigen, en het christendom te vuur en te zwaard wordt uitgedragen onder de heidenen. Schier eindeloos beschrijft Holland de gruweldaden van de Vikingen, de opmars van de Saracenen en de bloederige veldslagen bij Hastings, de Lech, en op de nevelige vlakten van Oost-Europa, waar mensenoffers brengende stammen huisden.
Ook besteedt Holland uitgebreid aandacht aan de ontwikkelingen in de christelijke kerk, waarvan de gelovigen met een mengeling van angst en verwachting uitzagen naar de wederkomst van Christus. Volgens het evangelie zou die immers na duizend jaar plaatsvinden, al was het niet duidelijk of men moest rekenen vanaf de geboorte of vanaf de kruisdood van Jezus. Het is een boeiend verhaal, dat vooral in een tijd waarin sommige politici de mond vol hebben van ‘de joods-christelijke traditie’ soms tot reflectie noodt. Wat bijvoorbeeld te denken van het zero tolerance-beleid van de Poolse bisschop die gelovigen die zich niet aan de vasten hielden simpelweg de tanden uit de mond liet slaan, en die verkrachters met hun scrotum aan een brug liet spijkeren, waarbij ze overigens wel een mes kregen om zichzelf los te snijden of er een eind aan te maken?
Maar ondanks die in onze ogen wat ongeciviliseerde gebruiken werd volgens Holland in deze periode ook de grondslag gelegd voor onze moderne westerse samenleving. ‘Hoe het pact tussen een obscure paus en een middeleeuwse keizer leidde tot het homohuwelijk en Voltaire’, luidde de kop boven de recensie in The Independent. Het lijkt wat kort door de bocht, maar dat is inderdaad wat Holland beweert. De tegenwoordig weer zo bejubelde ‘moderniteit’ ontstond niet tijdens de Verlichting, de Reformatie of de Renaissance – nee, het was paus Gregorius VII die het fundament hiervoor legde.
Door zijn strijd tegen de keizer, waarbij de inzet werd gevormd door de vraag wie het recht had bisschoppen te benoemen, stond Gregorius aan de wieg van de scheiding tussen kerk en staat. Niet dat het zijn bedoeling was geweest om een deel van de menselijke samenleving hermetisch af te schermen voor God – volgens de ‘tweezwaardenleer’ van paus Gelasius I (492-496) was het geestelijk gezag in laatste instantie superieur aan de wereldlijke macht – maar, zo stelt Holland, revoluties hebben nu eenmaal onbedoelde gevolgen. Dat Gregorius veel minder bekend is dan Luther, Lenin of Mao heeft volgens hem twee oorzaken. Ten eerste blijven vooral onvoltooide revoluties in de herinnering hangen, terwijl succesvolle voor de latere generaties eenvoudig vanzelfsprekend zijn geworden. En ten tweede had de rooms-katholieke kerk er alle belang bij Gregorius niet al te veel te roemen, aangezien men niet graag toegeeft dat het hele idee van een seculiere samenleving uiteindelijk aan het pausdom te danken is.
Als men deze enigszins speculatieve theorie van Holland voor lief neemt, blijft eigenlijk een heel spannend maar ook enigszins ouderwets geschiedenisboek over. Ouderwets, omdat het vooral de faits et gestes van kerkelijke en wereldlijke machthebbers zijn die door Holland met veel verve en gevoel voor detail worden beschreven. De culturele en sociaal-economische ontwikkelingen in deze eeuwen worden beter beschreven in Europe after Rome: A New Cultural History 500-1000 van Julia Smith, of Chris Wickhams recente The Inheritance of Rome: A History of Europe from 400 to 1000.
Dat het Holland vooral te doen is om een meeslepend verhaal, en hij de lezer niet wil vermoeien met de twijfels en bedenkingen van de historicus, blijkt uit het feit dat hij regelmatig unverfroren vertelt wat zijn hoofdrolspelers op bepaalde momenten dachten en voelden. Het klinkt altijd heel plausibel, daar niet van, maar duidelijk is dat hij hierbij niet alleen uit de bronnen maar ook uit zijn verbeeldingskracht put. Dat is niet zo erg, maar de lezer moet hierdoor wel voortdurend alert blijven. Zo schrijft Holland nergens met zoveel woorden dat de befaamde Donatio Constantini, het document dat zou moeten aantonen dat de christelijke keizer Constantijn de toenmalige paus onder meer de volledige zeggenschap over het westelijke deel van het Romeinse Rijk had gegeven, een vervalsing uit het derde kwart van de achtste eeuw was. Wie dit niet weet maar secuur leest, kan het uit de ironische opmerkingen van Holland wel opmaken, maar echt duidelijk is het niet. En waar Holland helemaal over zwijgt is het feit dat er verschillende theorieën in omloop zijn over wat nu eigenlijk de bedoeling van dit curieuze document was.
Dat vakhistorici ongetwijfeld met kritiek zullen komen laat echter onverlet dat Holland voor de geïnteresseerde leek een onweerstaanbare pageturner heeft geschreven.