Hoogleraar empirische sociologie, Erasmus Universiteit Rotterdam

Pearl Dykstra

Nieuwe verklaringen van sociale ongelijkheid

De bestudering van het ontstaan en voortbestaan van sociale ongelijkheid tussen groepen (sociale klassen, generaties, seksen) is een oud thema binnen de sociale wetenschappen. Statusverwervingsmodellen gebaseerd op investeringen in en opbrengsten van sociaal, cultureel en menselijk kapitaal worden standaard als verklaring gehanteerd. Deze modellen blijken echter maar gedeeltelijk te voldoen. Immers, ze beperken zich tot individuele kenmerken en houden, behalve wat betreft socialiserende jeugdinvloeden, onvoldoende rekening met afhankelijkheden binnen families en sociale netwerken. Wil men tot verbeterd methodisch en theoretisch inzicht in sociale ongelijkheid komen, dan is met name aandacht nodig voor de invloeden van de familie en andere sociale verbanden waarvan mensen deel uitmaken.

Aandacht voor afhankelijkheden binnen families en sociale netwerken veronderstelt dat individuele prestaties en levenskansen worden gestructureerd door bijvoorbeeld homogame trouwpatronen (met concentraties van hulpbronnen binnen huishoudens), zorg- en financiële verplichtingen (voor jong én oud), en intergenerationele overdrachten (met een cumulatie van voor- respectievelijk nadelen van generatie op generatie). Sinds kort zijn er aanwijzingen dat de toenemende economische gelijkheid tussen mannen en vrouwen binnen partnerrelaties een toenemende ongelijkheid tussen sociale klassen en tussen generaties tot gevolg heeft. Onderbelicht blijft dat gendergelijkheid vooral geprivilegieerden betreft. Onder hen zijn de kansen op echtscheiding het kleinst. Degenen met de beste arbeidsmarktpositie bieden hun kinderen de beste levenskansen en kunnen de beste zorg en opvang regelen voor hun hulpbehoevende ouders.

Juridische kaders en beleidsmaatregelen structureren de mate waarin mensen in staat zijn zelfstandig en autonoom te leven dan wel afhankelijk zijn van anderen. Geïndustrialiseerde landen verschillen sterk wat betreft hun zorgarrangementen voor kinderen en voor hulpbehoevende ouderen. Ook verschillen ze sterk wat betreft de financiële en praktische steun voor alleenstaanden, kinderen, jongeren, ouderen, werklozen en arbeidsongeschikten. Evaluaties van afzonderlijke arrangementen tonen allerhande voor- en nadelen, inclusief perverse prikkels en ontmoedigingsverschijnselen. Systematisch, theoretisch-gestuurd empirisch onderzoek zal de volgende vraag moeten beantwoorden: welk pakket (beleids)arrangementen biedt de beste kansen voor gendergelijkheid, de minste risico’s bij het aangaan van zorg- en financiële verplichtingen, en de minste ongelijkheid in welzijn onder de jongste en oudste generaties?

Nederlandse wetenschappers zijn bij uitstek geschikt om het onderzoek uit te voeren. Ze behoren tot de internationale voorhoede waar het de multidisciplinaire bestudering van de interrelaties tussen de levensloop, familierelaties en ongelijkheid betreft, mede dankzij investeringen in data-infrastructuren zoals de Netherlands Kinship Panel Study (NKPS), en het Sociaal Statistisch Bestand (SSB).

Waarom is Nederland hier goed in?

De bestudering van de invloeden van de familie bij het ontstaan en voortbestaan van sociale ongelijkheid vereist zowel een international vergelijkend en een historisch-vergelijkend perspectief als multidisciplinaire samenwerking van sociologen, demografen, pedagogen, gerontologen, economen en beleidswetenschappers. Naast internationaal erkende inhoudelijke expertise, heeft Nederland het afgelopen decennium hiervoor een uitstekende infrastructuur opgebouwd. Zo is er de mede door het NWO Investeringen Groot Fonds gefinancierde Netherlands Kinship Panel Study (NKPS), een grootschalig, longitudinaal, multi-methode en multi-actor onderzoek naar solidariteit in familierelaties, waarin naast het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI-KNAW), de Universiteiten van Amsterdam, Utrecht, Tilburg en Rotterdam participeren. De NKPS heeft als model heeft gediend voor het onder auspiciën van de Verenigde Naties uitgevoerde internationaal vergelijkende Generations and Gender Programme (GGP), een gecombineerd systeem van nationale surveys en een contextuele database met beleidsindicatoren. Deze unieke combinatie maakt het mogelijk om de effecten van beleidsarrangementen op ongelijkheid te toetsen. De GGP wordt vanuit Nederland (NIDI-KNAW) gecoördineerd en maakt onderdeel uit van de European Strategy Forum on Research Infrastructures (ESFRI) roadmap. De NKPS is in 2010 genomineerd voor de eerste Data Archiving and Networked Services (DANS) dataprijs. Voor specifiek op Nederland gerichte analyses over een langere periode, biedt het Sociaal Statisch Bestand (SSB) van het Centraal Bureau voor de Statistiek uitgelezen mogelijkheden. Het SSB omvat microbestanden (sociaal-economisch, demografisch, gezondheid) gekoppeld aan de Gemeentelijke Basisinformatie Persoonsgegevens (GBA) waarmee het voorzieningengebruik en de sociaal-economische positie van individuen en hun familieleden in de loop van de tijd kunnen worden gevolgd. Internationaal gezien is Nederland (samen met de Scandinavische landen) een voorloper wat betreft de beschikbaarstelling van registerbestanden voor wetenschappelijk onderzoek.


Bekijk ook de pagina van Pearl Dykstra bij de Erasmus Universiteit