Pech, domme pech

Twee vrienden van vroeger, nu zestigers, hebben besloten met elkaar te gaan eten. Ze zitten in een klein restaurant. Na een tijdje speelt zich de volgende dialoog af.

‘Wat wil jij nog?’

‘Niks. Gewoon. Gezond blijven. Jij?’

‘Ik wil nog gelukkig worden.’

‘Je bent ongelukkig?’

‘Ja… Niet heel erg… Maar wel enigszins. Jij hebt er nog iets van gemaakt, al heb je veel vijanden. Ik zie je naam wel eens in de krant staan. Maar ik… Als ik terugkijk… zie ik… pech.’

‘Pech?’

‘Pech… Ik heb pech gehad met mijn ouders, pech gehad met mijn vrouw, pech gehad met mijn kinderen en pech gehad met mijn werk.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Domme pech. Dat ken je toch wel? Mijn ouders zijn toen ik twintig was omgekomen bij een auto-ongeluk. Maar voor de vrijheid die ik erfde was ik niet geschikt. Jeugd, vrijheid en geld waren de geheime ingrediënten van mijn verslavingen. Aan alcohol, aan weed, aan slaapmiddelen. Ik was mezelf niet, omdat ik niet wist wie ik wilde zijn. Ik wilde de roes, maar ondertussen deed ik niks. Goddank kwam ik bij de bibliotheek te werken waar ik weinig hoefde te doen voor net genoeg geld om verschillende verslavingen te onderhouden. Vreselijke baan. En daar kwam ik Maria tegen.’

‘Leuke vrouw toch?’

‘Je kent haar niet. Eerst wilde ze me redden, toen dronk ze mee, toen werd ze zwanger, maar niet van mij. Dat kon me niets schelen, ik zei dat ik voor het kind zou zorgen, en dat heb ik ook even gedaan. Toen werd ze zwanger van mij. Maar ik kon niet voor die kinderen zorgen. Het lukte niet. We gingen scheiden. Ze ging met de kinderen naar Frankrijk. Ze verdwenen uit mijn leven. Was het mijn schuld? Was het haar schuld? Ik noem het pech.’

‘Toen ik je ontmoette, schreef je gedichten.’

‘Werd ook niks. Ik heb te weinig woorden om mijn gevoel te beschrijven, te weinig gevoel om te dichten. De woorden die ik voor mijn gedichten gebruikte drukten altijd iets anders uit dan ik wilde.’

‘Ik deed maar alsof ik een dichter was. Je kunt daar ook redelijk ver mee komen’

‘Ik vond je gedichten goed. Ik heb er verstand van.’

‘Jij bent veel te aardig om eerlijk te zijn. Dat is je makke. Jij vindt eerlijkheid onaardig en onbeleefd als de waarheid vervelend is. Ik denk dat dat je opvoeding is.’

‘Ik kan heus wel kritisch zijn.’

‘Misschien voor jezelf. Maar wat maakt het uit. Ik zag dat mijn dichterlijke woorden ontoereikend waren. Ik deed maar alsof ik een dichter was. Je kunt daar ook redelijk ver mee komen. Maar wat is een dichter? Niks. En een slechte dichter is al helemaal niks.’

‘Wat somber. En de vrouwen?’

‘Vrouwen had ik genoeg. Maar mijn neuken vond ik meer een vorm van aftrekken. Ik kon geen liefde vinden. Pech.’

‘Wat is pech?’

‘Het gunstige lot dat je voorbij gaat. Je moet toevallig tegen iets aan lopen. Je moet geluk hebben. Ergens.’

‘En daar ben je naar op zoek.’

‘Ik heb genoeg van pech.’

‘Hoe ga je pech te lijf?’

‘Ik ben nu gepensioneerd. Ik heb dus weinig geld maar wel tijd. Ik ben zuinig en gezond gaan leven. Ik drink niet meer. Nu ook niet. Ik kwel mezelf daarmee enigszins, maar ik hoop op een bijna religieuze manier dat mijn lot zich daardoor keert. Ik zoek vrouwen via internet. Ik heb mijn kinderen via Facebook gevonden en schrijf ze korte aardige berichtjes. Ook met Maria heb ik weer enigszins contact. Ze is getrouwd en gelukkig en wil eigenlijk niks van me weten. Ik begrijp dat, dring niet aan. Wens haar op feest- en verjaardagen geluk.’

‘Hoe ziet jouw geluk eruit?’

‘Uiteindelijk denk ik toch dat het liefde is. Ik wil iemand die van mij houdt, en ik van haar. Ik heb liefde onderschat.’