Het onontgonnen brein van pedoseksuelen

‘Pedofilie kun je managen’

Het taboe op pedofilie moet opgeheven worden, vinden bekende neurobiologen en psychiaters, zodat degelijk onderzoek gestart kan worden naar oorzaken en mogelijke oplossingen. ‘Opjagen werkt averechts.’

Medium pedobrein

PEDOFILIE: wat moeten we ermee? was de titel van een bijeenkomst die het Amsterdamse debatcentrum De Balie onlangs organiseerde. De directe aanleiding was evident: Nederland is opgeschrikt door de ontdekking van grootschalig misbruik van (zeer jonge) kinderen door medewerkers van de kinderdagverblijven Het Hofnarretje en Jenno’s Knuffelparadijs.
‘Voor velen is pedofilie het ergste kwaad waar de mensheid toe in staat is. Zo wordt er direct geschreeuwd om de doodstraf, het castreren van pedofielen en verregaande veiligheidsmaatregelen om kinderen te beschermen. Ondertussen spinnen media en pedojagers garen bij deze publieke woede’, zei de gespreksleider als opmaat voor 'een verstandig gesprek’. Maar wat is 'verstandig’ als er zo weinig bekend is over de oorzaken van pedofilie? Het verschijnsel is bovendien voor de samenleving alleen zichtbaar als een pedofiel tegen de lamp loopt of een kinderpornonetwerk wordt opgerold. Het 'gesprek’ leek deze avond meer op een pleidooi tegen een heksenjacht, waarbij Bart Swier, strafrechtadvocaat en auteur van het boek Recht rond zedendelicten, de maatschappelijke onrust over de terugkeer van de ex-gedetineerde pedofiel Sytze van der V. naar Eindhoven als hét voorbeeld aanhaalde. 'Niet opjagen, als desperado’s hebben ze niks meer te verliezen en dan worden ze juist gevaarlijk.’ Ook Corine de Ruiter, hoogleraar forensische psychologie, sprak haar zorg uit dat 'in de doorgeslagen maatschappelijke angsthysterie het onderscheid tussen handeling en seksuele preferentie vervaagt en we op een hellend vlak belanden’.
Daarnaast deden 'nette’ pedofielen, zoals Roderik Muit, co-beheerder van pedofilie.nl, en 'niet-praktiserend pedofiel’ Jorrit een goede poging om tegenwicht te bieden aan het beeld van de griezel die zich vergrijpt aan kinderen, kleuters, en baby’s. De strekking was: de meeste pedofielen vinden kinderen rond de twaalf jaar aantrekkelijk en zijn in staat om hun seksuele impulsen af te remmen of op andere wijze te ontladen. 'Ik heb een goede relatie met mijn rechterhand’, zei Muit terwijl hij zijn hand in de lucht stak. Waarop iemand uit de zaal tegenwierp: 'Maar je hebt voor je lusten wel kinderporno nodig, en dat is een walgelijke industrie.’
Frans Gieles, forensisch orthopedagoog en oprichter van een zelfhulpgroep voor pedofielen, hield een weeïg verhaal over 'bespreekbaar maken’ en goochelde wat met recidivecijfers. Hij ontvouwde hoe groot het probleem is voor pedofielen zelf, met als steekwoorden 'obsessie’, 'isolement’ en 'depressie’. Gieles, een representant van de softe jaren zeventig toen de emancipatie voor pedofilie in zwang raakte, strijdt met open vizier voor acceptatie en hulp. 'Benader hen als medemensen, ze zijn wel een beetje anders maar niet ziek, gestoord of gevaarlijk. Probeer hen te zien als mensen met pedofiele gevoelens. Zoals de meeste mannen ook van hun buurvrouw kunnen afblijven, kunnen pedofielen afblijven van hun buurkinderen. Alleen, je moet ze niet stigmatiseren en frustreren.’ Ook Muit zei zoiets: 'Als je dagelijks kinderen in je omgeving hebt, verdwijnt de obsessie. Over de groep probleemloze pedo’s horen we nooit wat, maar die zou uit de kast moeten komen zodat er een meer evenwichtig beeld ontstaat.’
De sfeer in de zaal was als een strak gespannen snaar. Dapper hoor, mompelde iemand. Op de tweede rij keek een groepje pedofielen zwijgend toe. Pedofielen ja, want behalve dat deze mannen-op-leeftijd onmiskenbaar ervaringsdeskundigen waren, werd hun signatuur na afloop in informele sfeer ook duidelijk.
Het valt niet te ontkennen dat hun aanwezigheid confronterend was. Want wanneer kom je nou bewust een pedo tegen, hoe herken je hem? Het stereotype beeld uit de media en literatuur (bijvoorbeeld Onvoltooid verleden van Hugo Claus) is een vieze man, een ik-gericht obsessief roofdier dat beweert kinderen geen pijn te willen doen, meent controle over zichzelf te hebben maar zijn grenzen van intimiteit steeds verlegt en kinderen permanent seksualiseert. De klassieke kinderlokker kent iedereen wel uit zijn jeugd, maar meestal blijkt het juist de spreekwoordelijke aardige buurman of attente groepsleider te zijn. Zoals Robert M., 'het Monster uit Riga’, ook bekendstond als behulpzaam en zachtaardig. Maar doorgaans is een pedofiel onzichtbaar, omdat de maatschappij pedofiele gevoelens - ook als iemand er niks mee doet - volledig afkeurt. Hoewel pedofilie niet als zodanig in het Wetboek van Strafrecht geformuleerd wordt, zijn 'ontuchtige handelingen met iemand die jonger is dan zestien jaar waar men niet mee is getrouwd’ strafbaar (artikel 247 WvS). Er wordt onderscheid gemaakt tussen pedofilie en pedoseksualiteit. Het eerste begrip wordt gebruikt voor 'het zich seksueel primair aangetrokken voelen van volwassenen (ouder dan achttien jaar) en bepaalde adolescenten (als zij minimaal vijf jaar ouder zijn dan het kind) tot kinderen die nog niet geslachtsrijp zijn’. Pedoseksualiteit heeft daarentegen wél betrekking op seksueel handelen en kindermisbruik.
De beeldvorming schept kortom verwarring. Van de groep pedofielen (er zijn geen cijfers) is blijkbaar een deel een passieve kindervriend en een deel zedendelictpleger. Of het zit er zo'n beetje tussen: geobsedeerd door de pure schoonheid van jonge jongens, zoals wordt beschreven in De dood in Venetië van Thomas Mann, of door pril ontluikende meisjes, bekend uit Lolita van Vladimir Nabokov. Hoe de verhouding tussen fantasie en daad ligt is niet duidelijk, zoals er überhaupt weinig bekendheid is over wat pedofilie eigenlijk precies is. Wat zijn de oorzaken en is het te behandelen? Hoe slecht is het als niet-praktiserende pedofielen met kinderen spelen, ook al komen daar wellicht erotische gevoelens bij kijken? Wat zijn bij zedendelictplegers de recidivekansen? Wat gaat er om in het brein van deze mensen, voornamelijk mannen, en hebben zij last van hun geweten als ze kinderen misbruiken? Hier is nauwelijks een antwoord op te geven, om de eenvoudige reden dat er tot nu toe weinig wetenschappelijk onderzoek naar is verricht. Dat is weer inherent aan het probleem zelf: het stuit op weerstand. Toch smeekt pedofilie om meer inzicht in de achtergronden van de pedofiele psyche.

ONDER DESKUNDIGEN bestaat geen consensus over de oorzaken. Wel wordt pedofilie algemeen beschouwd als een pathologische aandoening en komt het voor in het DSM-IV, internatonaal handboek voor diagnostiek en statistiek van psychische aandoeningen, onder de categorie 'parafilieën’: 'terugkerende, seksueel intens opwindende fantasieën, impulsen of gedragingen, die prototypisch betrekking hebben op niet-menselijke objecten, het lijden of vernederen van een persoon of zichzelf, en/of kinderen of andere niet-instemmende personen.’
Een van de pleitbezorgers voor gedegen onderzoek naar pedofilie is Dick Swaab, hersenonderzoeker, emeritus hoogleraar neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam en auteur van de bestseller Wij zijn ons brein. 'Het is een totaal onontgonnen onderzoeksterrein’, zegt hij. 'En als er al onderzoek wordt gedaan gebeurt dat met een groep die een delict heeft gepleegd, waardoor je werkt met een selecte groep van gedetineerden. Waar heb je het dan over: pedofielen of mensen met een criminele aanleg, psychopaten? Een pedofiel die niet in aanraking is gekomen met justitie durft zich echt niet te melden om deel te nemen aan onderzoek. Deze groep is onbereikbaar door het maatschappelijke taboe of zij worden, zoals we inmiddels weten, beschermd door hogere echelons binnen de kerken. Het massale karakter van kindermisbruik binnen de katholieke kerk is onthutsend, en veelzeggend. Het is een combinatie van het celibaat, een gesloten en hiërarchische gemeenschap en een selectie van mensen met een afwijkende interesse voor kinderen, zoals dat ook het geval is in andere sectoren waar met kinderen wordt gewerkt - zwembaden, kinderopvang of kinderboerderijen. Ik ben ervan overtuigd dat we nu het topje van de ijsberg zien. De onrust onder ouders is terecht, de wanhoop begrijpelijk. Daarom moet er onderzoek van de grond komen, zodat we de beste methoden kunnen ontwikkelen om de pedofiele impulsen te leren beheersen. We hebben ook geen idee hoe frequent het voorkomt.’ Swaab constateert dat de oorzaak in een biologische aanleg ligt. Iemand wordt volgens hem niet een pedofiel, bijvoorbeeld door misbruik in de vroege jeugd of door frequent kijken naar kinderporno. Als de aanleg er niet is, leidt ervaring niet tot deze seksuele gerichtheid. 'De bron moet in de hersenontwikkeling in de baarmoeder en de vroege ontwikkeling na de geboorte gezocht worden. Onze genderidentiteit en seksuele oriëntatie (homo-, hetero- en biseksualiteit) worden bepaald door onze genetische achtergrond en door de interactie tussen de geslachtshormonen van het kind in de zich ontwikkelende hersenen voor de geboorte. Ook pedofilie lijkt te verklaren door genetische en andere vroege ontwikkelingsfactoren waardoor de hersenen een atypisch ontwikkelingstraject volgen en er vroeg structurele hersenverschillen ontstaan.’
Die eerste structurele verschillen in relatie tot pedofilie zijn de afgelopen jaren inderdaad gerapporteerd met behulp van MRI-scans. Beelden lieten onder meer zien dat er minder grijze stof is in een aantal hersengebieden en de amygdala, een deel van het brein dat betrokken is bij onder meer angst en agressie. Er bleek dat hoe kleiner de amygdala was, hoe groter de kans op pedofiele delicten. Uit onderzoek met het kijken naar volwassen porno bleek ook dat er bij pedofiele mannen minder activiteit was van de hypothalamus en de prefrontale cortex dan bij een 'normale’ controlegroep.’
In Wij zijn ons brein beschrijft Swaab dat pedofilie verschillende oorzaken kan hebben; zo kan het zich plotseling voordoen als een volwassen persoon bijvoorbeeld een hersentumor heeft in de prefrontale hersenschors of na infecties in de hersenen. Dit komt zelden voor. Het gaat meestal om iemand die altijd al een fascinatie voor kinderen had. Ook schrijft hij dat de mythe dat vrouwen onschuldig zouden zijn achterhaald is. Seksueel misbruik van kinderen door vrouwen betreft meestal moeders die hun eigen jonge kinderen - meestal meisjes en gemiddeld zo'n zes jaar oud - misbruiken. Vaak zijn de sociale omstandigheden belabberd en hebben de vrouwen psychiatrische stoornissen.
Door de nieuwe technische mogelijkheden leg je veranderingen in de hersenen bloot, waarmee je gedrag deels kunt verklaren; maar, werpt Swaab op, hoe verander je gedrag dat is geprogrammeerd in de hersenen? 'Er is in het verleden ook geprobeerd om homoseksuelen te veranderen in heteroseksuelen, en dat bleek natuurlijk niet te kunnen. Hetzelfde geldt voor pedofielen. Je kunt het niet genezen, maar wel managen. Alleen, nu is er geen beleid dat is gebaseerd op onderzoek. Zo weet je niet welke groep gebaat is bij chemische castratie waardoor een verlaagd testosteron het libido afremt. Dat gebeurt steeds meer bij tbs'ers. Sommigen zijn opgelucht dat niet alles meer wordt geseksualiseerd. Maar het middel verandert de seksuele oriëntatie niet en is niet voor alle zedendelicten geschikt.’
Swaab wijst op andere vormen van aanpak en preventie. In Canada worden pedofielen na hun detentie opgevangen door een netwerk van vrijwilligers die hen helpen te socialiseren, waardoor er een beduidende vermindering van delicten plaatsvindt. Of de inzet van 'nepkinderporno’ om de druk van de ketel te halen. Zo ontdekte de Amerikaanse professor in de seksuologie Milton Diamond tijdens een grootschalig onderzoek naar de effecten van kijken naar kinderporno, onder andere in Denemarken en Japan, dat frequent kinderpornogebruik leidt tot een afname van zedendelicten - precies andersom dan meestal wordt gedacht, namelijk dat kinderporno een aanjagende werking heeft wat leidt tot dadendrang en vergrijp.
Swaab: 'Ik ben een realist: pedofilie verdwijnt niet, er zullen altijd mensen met pedofilie worden geboren. We moeten als samenleving er dus alles aan doen, onder meer door het vergaren van kennis, om de risico’s op kindermisbruik te reduceren. Maar hoe die nepkinderporno - en ik bedoel dan niet cartoons - dan gemaakt moet worden, dat is niet mijn vak.’

HOOGLERAAR forensische psychiatrie Hjalmar van Marle wijst op verschillende breinonderzoeken, maar benadrukt dat hersenafwijkingen nog lang niet alles zeggen over de oorzaak van pedoseksualiteit. Waar de pedofilie (dus puur het seksuele gevoel voor kinderen) nu precies vandaan komt is volgens hem nog steeds onbekend. 'Neurobiologische factoren spelen ongetwijfeld een rol, maar die vertellen ons vaak meer over iemands neiging tot ontremming, verslaving of dwangmatigheid’, legt hij uit. 'Kinderen met een beschadigde beloningskern bijvoorbeeld, zijn minder gevoelig voor beloning en daardoor vaak moeilijk in de omgang. Dat kan ertoe leiden dat een ouder meer geweld gaat gebruiken. Vanuit opvoedkundig oogpunt is dat niet bevorderlijk en soms zelfs schadelijk voor de ontwikkeling en het kan resulteren in afwijkend gedrag. Los van de fysiologie van het brein speelt ontwikkelingspsychologie een onmiskenbare rol. Dat blijkt ook uit de behandelingspraktijk, waar mensen maar al te vaak met jeugdtrauma’s aankomen.’
Net als de neurologische aanwijsbaarheden zijn de psychologische factoren die van verstorende invloed kunnen zijn op de ontwikkeling enorm divers. Bovendien manifesteert pedoseksualiteit zich op allerlei uiteenlopende manieren. Van Marle meent echter wel dat er een aantal ruwe categorieën is. 'De overgrote meerderheid van pedoseksuelen bestaat uit mannen die kinderen seksualiseren, zoals dat heet. Veel van de schuldige leraren, badmeesters en pastoors behoren tot dit type. Zij zijn aanvankelijk weinig agressief maar wel buitengewoon seksueel georiënteerd. Ik heb meegemaakt dat dit soort mannen zelfs Sesamstraat seksualiseert.’
Vergrijpers met een meer antisociale tendens behoren vaak tot wat hij de groep opportunistische pedoseksuelen noemt. 'Die plegen meestal ook geweld, ze stelen of vergrijpen zich niet alleen aan kinderen maar ook aan volwassen vrouwen. Niet zelden gaat daar dan ook een flinke persoonlijkheidsstoornis achter schuil. Ten slotte zijn er kleinere groepen van zogenaamde “wraaktypes”, die het bijvoorbeeld op seksueel vlak in hun huwelijk niet treffen, en je hebt de meest agressieve groep van sadistische en psychopathische gevallen. Deze variëteit wordt overigens ook weerspiegeld in het uitdijende aanbod aan kinderporno. Een groot deel daarvan toont relatief onschuldige beelden van blote kinderen, maar het varieert tot gruwelijke registraties van babyverkrachting.’
De grenzen tussen de genoemde groepen zijn echter niet altijd scherp. Zo komt het voor dat de situatie van iemand uit de weinig agressieve groep escaleert. 'Dat heb je met lust’, zegt Van Marle, 'net als met andere verslavingen. Er zijn pedo’s van de seksualiserende soort die nooit handelen naar hun verlangens, maar tegenwoordig is de stap naar de relatief makkelijk toegankelijke internetporno snel gezet. Uiteraard blijft het dan niet bij kijken, en masturbatie is een belangrijke bekrachtiger. Al daar begint het eigenlijk te escaleren.’ Het ruim voorhanden zijn van kinderporno is volgens hem dan ook niet bevorderlijk en van Swaabs idee over virtuele porno gelooft hij helemaal niets. 'Het doel van porno is om opgewonden te raken, en na de derde pornofilm denk je: dit wil ik ook beleven. Zeker bij moeilijke mensen met neurologisch beperkte remmingen en verslavingsgevoeligheid werkt het dus vooral te stimulerend.’
Ook psycholoog Nel Warner, die al zo'n dertig jaar met zedendelinquenten werkt, vermoedt dat nepporno averechts zal werken. Maar ze benadrukt evenzeer dat je onmogelijk kunt generaliseren. In polikliniek het Dok in Rotterdam, waar Warner momenteel groepstherapie geeft aan pedoseksuelen, krijgt ze te maken met allerlei gevallen. Volgens haar is het belangrijk in de behandeling dat die verschillende categorieën gezamenlijk groepstherapie krijgen. Dat resulteert er namelijk in dat de patiënten elkaar kritisch bekijken. 'Het gaat er stevig aan toe’, zegt Warner over haar groepen. 'De een kan zich bijvoorbeeld onmogelijk voorstellen dat je zoiets met je eigen kind kunt doen, terwijl de ander er de ballen van snapt wat je in een klein jongetje ziet. Bovendien is het vaak zo dat veel mensen binnen de groep zelf als kind misbruikt zijn en bij tijd en wijle steekt er dus intense woede, pijn of verdriet de kop op. Het leidt echter ook tot momenten van inzicht, want in het veilige klimaat dat het Dok probeert te scheppen kunnen de mannen, die vaak zeer geïsoleerd hebben geleefd, hun eigen obsessies eindelijk toetsen aan de werkelijkheid van anderen. Doordat ze elkaar voortdurend kritisch bevragen helpen ze elkaar in het gunstigste geval om wakker te worden van hun denkfouten.’ Met 'denkfouten’ refereert Warner aan het verschijnsel dat heel veel pedoseksuelen zichzelf, meer of minder bewust, voorhouden dat ze hun slachtoffer niet zo veel kwaad doen. 'Als een slachtoffer zich bijvoorbeeld stil houdt, interpreteren ze het vaak als instemming, maar het betekent juist meestal dat zo'n kind zich wezenloos schrikt.’
Het gaat hier om een essentieel mechanisme dat Van Marle 'cognitieve distorsie’ noemt: 'De verdraaiingen die je zelf maakt om te verantwoorden dat je een grens over gaat. Dit is vooral van toepassing op de grootste groep, de seksualiserende pedofielen. Zij praten zichzelf aan dat ze het kind een plezier doen, dat ze het oprecht liefhebben, dat het seksuele behoeften heeft en dat zij de aangewezen persoon zijn om het liefdevol in te wijden. Aan het daadwerkelijke misbruik gaan daarom meestal maanden vooraf waarin een slachtoffer geleidelijk wordt bewerkt. Daarvoor bestaat zelfs een naam: “grooming”. Het kind wordt gepaaid met dingen die het thuis niet mag en met aandacht wordt het vertrouwen gewonnen zodat langzaam en voorzichtig op seksuele situaties kan worden aangestuurd. In wel tachtig procent van de gevallen van kindermisbruik gaat het dan ook om bekenden van het slachtoffer.’ Warner voegt hieraan toe dat het in veel gevallen die zij waarneemt ook ontbreekt aan empathie. Bij veel pedofielen ziet ze Autisme Spectrum-problematiek. 'Ze kunnen zich amper verplaatsen in anderen en hebben bovendien van jongs af aan weinig aansluiting kunnen vinden bij volwassenen. Als je hun vraagt wat ze zien bij een slachtoffer, ontgaat het ze vaak compleet dat het kind bang is. Ze zien het niet, of ze sluiten zich ervan af omdat ze zo opgaan in hun eigen gevoel.’
Hiermee raakt Warner aan een gevoelige kwestie. Pedofilie aan autisme verbinden is controversieel. Dat ondervond ook hoogleraar forensische psychologie Corine de Ruiter. In Nieuwsuur vertelde ze onlangs over haar onderzoek en het kwam haar op fikse kritiek te staan van belangenverdedigers voor autisten. In een publicatie met de titel Ontucht met kinderen is niet hetzelfde als pedofilie wijst ze erop dat een kindermisbruikpleger niet altijd pedofiele gevoelens hoeft te hebben en dat autisme een denkbare oorzaak kan zijn voor pedoseksualiteit. 'Jeugdige autisten zijn in hun gecompliceerde seksuele ontwikkelingsproces namelijk kwetsbaar door mogelijke beperkingen, waaronder zwakke empathische vermogens en de neiging om minder goed te kunnen afstemmen op sociale normen en waarden. Een autistische patiënt die zich seksueel eigenlijk aangetrokken voelt tot leeftijdsgenoten kan toch zijn toevlucht nemen tot jongere kinderen, omdat hij binnen de eigen leeftijdsgroep wordt afgewezen, ofwel geen contact kan maken. Er is dan weliswaar sprake van pedoseksueel delictgedrag, maar niet van een pedoseksuele voorkeur.’
De maatschappelijke weerstand waar De Ruiter op stuit, bevestigt het taboe waar ook Dick Swaab op wijst. Net als Van Marle en Warner meent ook hij dat stigmatisering een averechts effect heeft. Opnieuw moet je nuanceren, vindt Warner, 'want er zijn inderdaad mannen die vinden dat de hele wereld gek is en dat ze in hun recht staan’. Ze leest een stuk voor uit een rapport van een patiënt die zich veroordeeld voelt omdat hij werkelijk vindt dat het oké is om het met elfjarige jongens te doen. 'Maar een heel groot deel van de daders veroordeelt zichzelf ook streng. Het is juist belangrijk dat mensen in een vroeg stadium, dus niet als je op het punt staat klaar te komen, de kans krijgen en het aandurven om in contact te komen met hun gevoelens. Zo kun je er controle over krijgen, het “managen”, zoals Swaab het formuleert.’


Pedofilie in de psychoanalyse
In de klassieke psychoanalyse is eigenlijk altijd relatief weinig aandacht besteed aan pedofiele perversies. In zijn Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie uit 1905 schreef Freud dat 'kinderen slechts bij uitzondering exclusief seksueel object zijn; meestal krijgen zij deze rol toebedeeld wanneer een lafhartig en impotent geworden individu tot dit surrogaat bereid is of wanneer een impulsieve drift (die geen uitstel gedoogt) zich op dat moment van geen passender object weet meester te maken (…) Om esthetische redenen zou men deze en andere aberraties van de geslachtsdrift graag voor de geesteszieken reserveren maar dat is onmogelijk (…) Zo worden kleine kinderen griezelig vaak seksueel misbruikt door onderwijzers en verzorgers, alleen omdat deze daartoe bij uitstek in gelegenheid zijn.’
In 1933 wees Ferenczi voor het eerst kort op de psychische gevolgen van kindermisbruik door ouders. De beroemde psychiater Socarides verklaarde pedofilie in 1953 als een verdedigingsmechanisme tegen opspelende jeugdangsten en trauma’s. Al eerder, in 1950, had de arts Karpman verslag gedaan van een geval van pedofilie dat hij verbond aan de doodsangst voor vrouwelijk schaamhaar. De Nederlandse professor Kuiper besteedde er in zijn standaardwerk Neurosenleer uit 1971 slechts twee korte paragrafen aan. Daaruit kwam naar voren dat het de pedofiel niet zozeer om seksuele maar om emotionele bevrediging zou gaan. Opvallend genoeg wijst Kuiper erop dat 'men de indruk heeft dat de wijze waarop kinderen worden ondervraagd, wanneer deze seksueel zijn benaderd, dikwijls meer beschadigend zijn dan het gebeuren zelf.’


'Ik ben een onschuldige pedofiel’
Jeroen (niet zijn echte naam), 25 jaar en student, noemt zichzelf een passieve pedofiel en zonder enige aarzeling 'een afwijkend figuur’. Hij is alternatief gekleed, scherpzinnig, zachtaardig, een beetje kinderlijk, dromerig. 'Je groeit op en je merkt dat je die gevoelens hebt. Al op mijn elfde wist ik dat ik homo was, maar terwijl ik zelf ouder werd bleef ik vallen op jongens van zo'n twaalf jaar. Elk jaar weer bleef ik kijken naar de mooie nieuwe brugklassers. Op een website werd dit beschreven als boylove. Via internet kwam ik in contact met mensen die hetzelfde zijn. Dat was een enorme opluchting en zo raakte ik ingebed in een pedofielen-community. We organiseerden ook bijeenkomsten in cafés, waar dan zo'n zestig man op af kwamen. Nu ligt dat lastiger, omdat de maatschappij hardvochtiger is geworden.
Mijn ouders en mijn broer heb ik het niet verteld, maar ik denk wel dat ze iets weten omdat ik altijd jonge vriendjes over de vloer had. Ook ging ik wel eens in parken spelen, bijvoorbeeld met een jochie van acht jaar. Een leuk energiek, vrolijk ventje. Hij kwam meestal zelf naar me toe om te spelen. Voor hem had ik geen seksuele gevoelens. Dat heb ik sowieso bijna nooit. En als ik dat ooit wel heb, bijvoorbeeld als een jochie net iets te intiem tegen me aan ligt, dan let ik even extra op. Iets seksueels met kinderen zou risico’s en heisa met zich mee brengen, dus dat doe ik niet. Zelf zou ik nooit initiatief nemen, en als een kind dat zou doen dan zou ik uitleggen waarom het niet kan. Ik ken ook iemand die kinderen helemaal inlicht, en ze zélf laat kiezen - ook als ze willen. Zelf vind ik dat twijfelachtig.
Maar ik vind het wel belangrijk voor pedofielen om voorzichtig hun grenzen te verkennen. Dat is nuttig om controle te houden, want met alleen maar onderdrukken is het risico te groot dat je wel iets gaat doen. Erover praten in groepen op het internet kan wel helpen. Ik vind het niet zo erg dat ik geen uitzicht heb op een normale relatie, maar misschien val ik later wel op een meisje, een beetje een hippieachtig type. Mijn behoefte aan seks is bovendien niet zo groot. Seks heb ik zeer zelden en alleen met oudere personen, ik blijf dan passief. Het is dan enkel lichamelijke bevrediging. Als ik verliefd ben op een jongen, dan wordt dat in het uiterste geval een fijne vriendschap. Karakter trekt mij het meest aan in jongens, maar blond met een eigenwijze uitstraling is een bonus. Dan praat of stoei ik met ze, maar net wat zij willen. Fantaseren over méér doe ik soms, maar niet op dat moment.’
Zijn jeugd was normaal en gelukkig. Uit zichzelf zegt hij: 'Achteraf zie ik wel dat ik best een autistisch kind was, maar daar ben ik denk ik overheen gegroeid.’ Momenteel kijkt hij enkel nog naar 'legale’ pornoplaatjes zoals Japanse manga. Echte kinderporno heeft hij vroeger bekeken, 'toen ik nog een jonge nerd was’.
'Ja, het haalt wel de lust weg, maar het spreekt me niet aan. Ik download en bezit echte kinderporno niet meer, veel te riskant. Het is ook geen fijn gebeuren. Een deel is “slechts” twijfelachtig, maar een deel is ronduit walgelijk. Het is een wereld die het daglicht niet kan verdragen. Ik heb er wel eens naar gekeken, maar ben eruit gestapt. Het vervelende is dat kinderpornobezit zo hard wordt aangepakt, terwijl het het kindermisbruik is waar de prioriteit zou moeten liggen. Door de vele zaken komen ze daar helemaal niet aan toe.’