Pelgrim blijkt toerist

Frank Westerman
Ararat
Atlas, 287 blz.,19,90

Frank Westerman (Emmen, 1964) had een grootvader die zeker wist dat de wereld niet ouder was dan zesduizend jaar– ‘lees er de Geslachtsregisters maar op na’ – en een moeder die vast geloofde dat het Russische kosmonauten van staatswege was verboden te vertellen dat ze in de ruimte God hadden gezien. Westerman ging naar een christelijke school, met stevige catechisatie én uitstekend onderwijs in de exacte vakken. Zijn geloof was sterk. Als hij op z’n elfde op een Oostenrijkse camping plotseling door een rivier wordt meegesleurd en níet om het leven komt, besluit hij daarna nog vuriger te gaan bidden dan hij al deed.

Maar Frank Westerman werd volwassen, reisde de wereld rond en verloor het geloof. In Ararat vraagt hij zich af waarom dat eigenlijk is gebeurd. Het is het verslag van het ‘terugspoelen van zijn geheugenfilm’, gestructureerd rond de voorbereidingen op een éénmansexpeditie naar de Ararat. In het Turks: de Pijnberg, de vulkaan op de grens van Turkije en Armenië waar volgens de legende de Ark van Noach strandde. Het is een pelgrimage, een ‘omgekeerd Job-experiment’: kan Westerman zijn standvastig seculiere wezen, zijn hardnekkige ongeloof, zodanig op de proef stellen dat hij net als vroeger een hogere macht zal aanroepen?

Het is zonder meer een actueel idee. ‘In mijn naaste omgeving zat godsdienstigheid weggestopt onder een loden putdeksel’, schrijft Westerman. Zijn vrienden en generatiegenoten kijken naar het geloof als naar harddrugs, als iets gevaarlijks, iets wat je uit het gewone leven zal wegrukken. Westermans vrouw is bang dat hij als een bekeerling van de berg zal afdalen: ‘Doodeng leek haar dat, ineens met een ander verder te moeten.’

Ararat is zeker een onderhoudend en vlot boek, met allerlei aardige vignetten van negentiende-eeuwse naturalisten, Armeense monniken, Hollandse ingenieurs, Russische en Amerikaanse arkzoekers. Westerman bezoekt zijn oud-docent geologie, hij portretteert de leraren van zijn oude school, praat met zijn kind en loopt ter voorbereiding van de tocht met zijn vrouw over het wad naar Rottumeroog. De bijbelse beeldspraak – geologie, vulkanisme, aardlagen die plotseling naar boven komen, een boortoren die wordt verzwolgen, bij hoogwater van het wad worden gehaald door een platbodem – is nooit ver. Er zijn uitstapjes naar Darwin, Lyell en de Intelligent Design-kwestie. Tijdens de reis geven de Turkse bureaucratie en de gevoeligheden over Armeense en Koerdische kwesties het verhaal kleur en actualiteit.

De vraag is of het uitgangspunt van het hele boek ook hout snijdt. Waarom wil Westerman zich eigenlijk bezinnen op die reststraling van zijn gelovige jeugd? Is het een buiging naar de geest van de tijd, een verlangen zich af te zetten tegen de Knevels, Rouvoets en Bodars van vandaag? Is het het verlangen van de oud-maoïst naar de montere standvastigheid van zijn ouders? Westerman heeft een broertje dood aan de dogmatiek van georganiseerde religie, schrijft hij; collectieve onderwerping stuit hem tegen de borst, of dat nu in de moskee is of in schilderachtig Etsjmiadzin, het Vaticaan van Armenië. Voor Westerman is religie vooral dat: leerstelligheid, bekrompenheid, je ogen sluiten voor wat als een paal boven water staat. ‘Als geloven inhield dat je vrijwillig de knop van je verstand moest uitzetten, dan boog ik het hoofd en paste.’ Het is de strijdbare verontwaardiging van de adolescent.

Zijn geloofsafval is dus even rationeel als compleet, en toch aarzelt Westerman om zich ‘atheïst’ te noemen. Er zit nog ‘iets’. Als hij ziet dat op zijn doopakte een regeltje Jesaja staat – ‘… gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen’ – dan treft de overeenkomst met wat hem als jongen in Oostenrijk overkwam hem zo sterk dat hij alle zeilen moet bijzetten om niet toch aan de Voorzienigheid te geloven.

Het Job-experiment lijkt mij dan ook, met die uitgangspositie, modieus maar relevant. Een moderne Amsterdamse veertiger verwijdert het loden putdeksel van zijn oude religie en stelt zijn ongeloof op de proef. Het is een vorm van coming-out, zoals die van Willem-Jan Otten – en dus interessant. Als je dat standaardriedeltje over oogkleppen en dogmatiek et cetera gepasseerd bent, wat is dan de werkelijke, diepe geloofservaring van zo’n man als Westerman? Bij dat zelfonderzoek kan ook de atheïstische lezer zich iets voorstellen. Is geloof een ander woord voor zoeken, is het een manier om om te gaan met de dood of met het lijden van anderen, is geloof de drijvende kracht van gemeenschapszin, is geloof het bindend cement van een familie?

De auteur verwacht (en met hem de lezer) dat in de omslachtige tocht en de zware klim dat soort fundamentele aspecten aan de oppervlakte zal komen. Westerman staat ervoor open. Vlak voor de beklimming schrijft hij: ‘Geloven was voor mij een privé-aangelegenheid waarbij het niet ging om het zoeken van troost bij gelijkgestemden, maar om de contemplatie.’ En even later: ‘Ik zag in dat het broze wereldbeeld van de arkzoeker bestond bij de gratie van het niet-vinden – dát hield hem op de been en gaf zijn leven richting. De arkzoeker ontleende zijn eigenaardigheid niet aan de ark, maar aan het feit dat hij zocht. En dat deed ik ook.’

Zo beklimt de vrijgevochten bijna-atheïst de beijsde flanken van de Ararat, en dat blijkt een taaie, gevaarlijke tocht. Zijn telefoon heeft geen bereik meer, hij praat nauwelijks tegen zijn reisgenoten, meer tegen zichzelf.

Maar de beloofde contemplatie blijft uit. The view does not exist, om met Philip Larkin te spreken. Van reiniging, catharsis, transfiguratie, angst, beproeving, onthutsend zelfinzicht, zondvloed, schone lei of overgave is geen sprake. Een keertje bidden? Ook niet. De zorgvuldig opgebouwde hypothese, ‘de complexiteit van de vragen’ die hem naar Ararat hebben gebracht, de ‘ingewanden van het mysterie’ waarvoor de taal tekortschoot, die zeilen die moesten worden bijgezet om niet aan de Voorzienigheid te geloven, het waait allemaal in een fractie van een pagina weg. ‘Ik was geneigd te denken dat er kennis was en wetenschap – die zaken bestonden echt. Maar achter het voorhangsel van de tabernakel zat niets.’

Waarmee het verhaal terug is bij af. En de lezer zich, eerlijk gezegd, bekocht zal voelen. De Ark ligt niet op de Ararat. De Tempel is leeg. God bestaat niet. Dat wist Westerman toch allemaal al? Het ging toch juist om de diepere lagen, de geologie van zijn geloof, om wat er onder dat loden putdeksel zat? Was die drang tot experimenteren dan niet oprecht? Het is een onbevredigende, gemakzuchtige en oppervlakkige conclusie. De pelgrim blijkt een toerist, zowel op de berg als in eigen ziel.

Zonder twijfel zal Westerman na de verschijning van het boek aan de tafel van Andries Knevel worden genodigd, want: leuke jongeman, bestsellerauteur, voormalig communist, actueel onderwerp, nek uitgestoken. Blij zal de predikant kraaien dat Ararat nog maar weer eens aantoont dat Westerman en zijn generatiegenoten dan wel en masse afscheid hebben genomen van de kerk, maar dat de vonk nog altijd gloeit, en Westerman er met al zijn seismologie en zijn humanisme niet aan ontkomt het hogere een plaats te geven in zijn leven. De kosmonaut moet erkennen dat hij tóch God gezien heeft.

Misschien dat dat Westermans bedoeling niet is. Misschien wil hij dat Ararat juist wordt gelezen als een definitief afscheid van het geloof van zijn jeugd – maar het lijkt me waarschijnlijk dat daar flinke verwarring over optreedt. Dat is dan zijn eigen schuld. Hij is de confrontatie met zijn gelovige kern niet werkelijk ernstig aangegaan. Wat dat ‘standvastig niet-atheïstisch ongeloof’ van hem zou kunnen betekenen, daar geeft Ararat geen antwoord op. Het is een mooie reis, maar een beproeving van niks. Het is wadlopen – frisjes, maar niet werkelijk riskant.