Pelota in fryslân

Zoals geuren schijnbaar vergeten verleden terughalen, zo ook soms televisieprogramma’s. Laatst, ziek en zappend, belandde ik, op zondag aan de hand van Omrop Fryslân in Spanje. Geen voor de hand liggende reisleider, maar ik wist dan ook niet dat het een aflevering uit een reeks over kaatsen betrof. En ook niet dat de man in beeld Paco Cabanes, was, de held van het ‘pelota’ in de Valenciaanse variant.

Had ik in de gids gekeken, ik had het zonder smart voorbij laten gaan. Maar nu pakte de scène onmiddellijk: een lange veertiger te midden van veel ouderen, getaand van huid, rampen van gebitten, petten - van wie één hem toezingt, met de tegelijk jubelende en huilende intonatie die ik alleen uit flamencozang ken, op een kennelijk geïmproviseerde tekst die naast loftuitingen smeekbeden aan de Heilige Maagd bevatte om de toegezongene te beschermen.
Zulk vertoon van hartstocht en bewondering zou bij ons gêne oproepen, maar de omstanders toonden juist tevredenheid en instemming; en de aanbedene, met het hoofd van de zanger op nog geen meter afstand, zat er al helemaal niet mee. Hij leek het niet alleen gewend, hij wekte de indruk dat dit alles hem toekwam. En wie zal zeggen dat dat niet zo is? Hij bleek held en redder tegelijk van een tak van sport die weliswaar regionaal was, maar die binnen de streek oneindige spanning en vreugde bood.
Over sport valt door commercialisering en televisie nauwelijks nog een vrolijk woord te zeggen, maar ik weet te goed hoe fijn het was wedstrijdjes te doen in alle varianten die we maar van de grote-mensenwereld konden nabootsen; en hoe heerlijk naar echte wedstrijden te kijken, van de suizende wielerbandjes op het beton van het Olympisch Stadion (die kleurenpracht tussen al onze grauwe arme-mensenmode!) tot roeien op de Bosbaan, Blauw-Wit tegen Volewijckers en de Europese kampioenschappen honkbal in Haarlem tegen de eeuwige Italianen. Nee, kaatsen deden Mokummers niet, trouwens wie wel buiten Fryslân?
Dacht ik. Tot ik in 1963 naar Madrid ging, mijn lief achterna. Dat mocht helemaal niet van mijn geweten, want Franco was de baas. Bovendien bleek bij aankomst dat mijn lief mijn lief niet meer was. Treurig dwaalde ik door het Prado, vol heimwee naar de Hollandse luchten die daar onder veel meer hingen, en zwierf ik door en om de stad. Om voorbij een buitenwijk te belanden bij een hoge rotswand waar soms twee, soms vier mannen elkaar bestreden met een balletje dat ze er tegenaan mepten. Ik bleef uit een mengsel van radeloosheid en verveling hangen, maar raakte geboeid toen ik de regels doorkreeg, de spelers leerde herkennen. Er waren er verscheidene en er was publiek, op zondagen zelfs flink wat. Ze bleken geen Madrilenen maar geëmigreerde Basken. Valencianen zullen er niet bij zijn geweest. Uit de documentaire begreep ik dat die sport onder Franco werd ingeperkt vanwege het regionale karakter, maar na zijn dood weer tot bloei kwam. En dat het Valenciaans als taal uitgestorven is, behalve binnen pelota - alsof Fries alleen nog op de kaatsbaan zou bestaan. Zondag keek ik weer en hoorde hoe een Friese bard de lof zong van de mannen die het kaatsveld van Marssum tot een Wimbledon maaien. Die lof evenzeer verdienend als Cabanes de zijne. Want kampioenen, sponsors en bestuurders zijn ondenkbaar zonder de vrijwilligers, uit wie, voor wie en door wie sport bestaat. En leuk kan zijn.