Kunst

PEN IN CHEEK

KUNST The Illustrators

Wanneer ik op vrijdagmiddag het weekblad The Spectator ontvang, bekijk ik altijd eerst de cartoons. Op elke pagina is wel een geschetst commentaar uit de politiek of de maatschappij terug te vinden. Sterker, in het colofon staan niet de namen van de schrijvende redacteuren vermeld, maar van de twintig tekenende medewerkers. Hoogtepunt is de cover. Sommige zijn dermate geestig dat ze een plaatsje krijgen op het prikbord in de studeerkamer. Terwijl ik dit schrijf zie ik een oude, inmiddels wat vergeelde voorkant waarop de politieke vrijbuiter (en voormalig Spectator-_hoofdredacteur) Boris Johnson boven een vuurstapel hangt, met een sigaret in zijn mond. Enkele doodgravers uit het kabinet lezen voor uit het Heilige Boek, of het partijmanifest. Boven Johnsons hoofd hangt het bordje _‘No smoking’.

Deze cartoon had niet misstaan in de galerie van Chris Beetles in Londen, waar bij de tentoonstelling The Illustrators. The British Art of Illustration: 1800-2007 momenteel duizend cartoons en illustraties te koop en te zien zijn. Met deze expositie viert de galerie haar 25-jarig bestaan als specialist op dit terrein, een jubileum dat onder een goed gesternte plaatsvindt. Deze eeuwenoude kunstvorm verkeert immers in blakende gezondheid, getuige het twee jaar geleden opgerichte Cartoon Museum, het succes van de tentoonstelling Hogarth in Tate Britain en Satire in London in het gemeentemuseum, een jaar geleden.

Wellicht heeft deze opleving te maken met de herontdekking van Englishness. Hoewel het zijn wortels heeft in de Italiaanse karikatuurkunst is de cartoonkunst zo Engels als het maar kan. Politici, monarchen en andere prominente figuren worden al eeuwen bespot en te kijk gezet door gevatte tekenaars. Vanuit Frankrijk en Duitsland werd lange tijd met afgunst gekeken naar deze humoristische variant op de vrijheid van expressie. De grootvaders van de cartoonkunst zijn William Hogarth en James Gillray, wier werken overigens niet in deze tentoonstelling te zien zijn. Dat gemis wordt gecompenseerd door tekeningen van Beatrix Potter, alsmede van de illustratoren van Alice in Wonderland en Winnie de Poeh. Tekeningen van Poeh, Eeyore en Teigetje belanden doorgaans in de privé-collectie van romanschrijver en ex-politicus Jeffrey Archer, vaste gast in deze galerie.

Eveneens te zien zijn tekeningen van Vicky, de belangrijkste erfgenaam van Gillray. Toen deze tekenaar (echte naam: Victor Weisz) vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwam werken bij de News Chronicle kreeg hij van zijn hoofdredacteur een spoedcursus Engelse cultuur. Dat omvatte de werken van Lewis Carroll, Charles Dickens en A.A. Milne, alsmede dozen vol exemplaren van Wisden, de cricketalmanak, en Punch, het legendarische satirische cartoontijdschrift. Dat humor, niet zelden in de vorm van zelfspot, het sleutelkenmerk van het Engelse karakter was, werd hem snel duidelijk. Bovendien begreep hij snel dat hij in Engeland het perspectief van het individu moest kiezen, de gewone man bij voorkeur, en niet van een bepaalde stroming of groep.

Het voordeel daarbij was dat Vicky en de meeste van zijn collega’s Einzelgänger waren, wier sociale leven zich grotendeels in rokerige clubs afspeelde, zoals de Garrick, de Savage en de London Sketch Club. Voor het clubleven is een aparte muur gereserveerd. Daar zijn vooral de werken van Henry Mayo Bateman te zien, de Tatler-_tekenaar die een fijn oog had voor schoonheidsfoutjes binnen de omgangsvormen van de hogere klassen, zoals de sigarenroker die een vriend een sigaret aanbiedt in _Cigarette Old Man?

De geestigste tekeningen op de expositie zijn trouwens niet van een Engelsman, maar van de Amerikaan Ed Sorel, cartoonist van The New Yorker. Misschien komt het doordat ik een poezenliefhebber ben, maar Sorels tekening van de poes die bij de dierenarts een oogtest ondergaat, waarbij de bonte patiënt niet moet staren naar letters maar naar verschillende maten muizen, heugde me nog lang.

The Illustrators. The British Art of Illustration: 1800-2007, Chris Beetles Art Gallery, Londen, tot 5 januari 2008