De Amsterdammer aan de vooravond van WO I

Pennenoorlog op neutrale bodem

In de Eerste Wereldoorlog, die deze maand negentig jaar geleden uitbrak, gingen intellectuelen uit verschillende landen elkaar met de pen te lijf. In het neutrale Nederland was ‹De Amsterdammer› een belangrijk strijdtoneel.

Negentig jaar geleden bevond Henri Wiessing, de toenmalige hoofdredacteur van De Amsterdammer, zich ergens op het Duitse platteland. Hij was er met een paar vrienden op fietsvakantie. Om bij te komen van een jaar journalistieke arbeid hadden de mannen besloten geen kranten te lezen. Dat de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken ervoeren ze pas in de trein op de terugreis naar Nederland. Net als veel tijdgenoten had Wiessing geen vermoeden dat de gebeurtenissen sinds de moord op Franz Ferdinand op 28 juni 1914 in Sarajevo zo’n vaart zouden nemen. Afgezien van een prent van tekenaar Johan Braakensiek over de moordaanslag besteedde De Amsterdammer (het bijvoeglijk naamwoord «Groene», naar de kleur van de kaft, zou pas in 1925 worden toegevoegd) dan ook geen letter aan de ophanden zijnde catastrofe.

Dat veranderde op slag na 3 augustus. Hoewel de Nederlandse neutraliteit gespaard bleef, wekte de Duitse inval in het eveneens neutrale buurland België grote verontwaar diging. Sinds dit moment zou de Eerste Wereldoorlog de voorpagina van De Amsterdammer grotendeels in beslag nemen.

De Eerste Wereldoorlog ging zeker niet onopgemerkt aan Nederland voorbij. Het verhaal wil dat koningin Wilhelmina het kanongebulder op de Vlaamse slagvelden in het Haagse Huis ten Bosch kon horen. Nederland ving bovendien in de eerste oorlogsmaanden honderdduizenden Belgische vluchtelingen op. De duikbootoorlog op zee en de Engelse blokkade van het Duitse keizerrijk bemoeilijkten de handel, waardoor Nederland vooral in de laatste twee oorlogsjaren te maken kreeg met voedselschaarste. Levensmiddelen en kolen moesten worden gerantsoeneerd. De voortdurende dreiging om alsnog bij de oorlog betrokken te worden, hing als een zwaard van Damocles boven Nederland. Dat de neutraliteit daadwerkelijk gerespecteerd zou worden, stond van tevoren allerminst vast.

Het waren vooral deze laatste onzekerheid en de angst voor een aanval van Duitsland die de toon van de artikelen in De Amsterdammer bepaalden. De Amsterdammer koos tijdens de Eerste Wereldoorlog duidelijk partij tegen Duitsland en voor de Entente, waardoor het opinieblad niet alleen in Nederland, maar ook in het keizerrijk bekend stond als «Deutschfeindlicher Presse». Hiermee week De Amsterdammer af van de meeste andere Nederlandse dag- en weekbladen, die zich in het algemeen hielden aan de wens van de regering-Cort van der Linden om zich terughoudend op te stellen en zo neutraal mogelijk te berichten.

Deze voorbeeldige neutrale berichtgeving laat zich vooral verklaren door de vóór de Eerste Wereldoorlog heersende journalistieke cultuur. Sinds de afschaffing van het dagbladzegel in 1869 was er in Nederland een massapers ontstaan en hadden de kranten alles in het werk gesteld om te bewijzen dat ze geen gevaar voor de samenleving waren, zoals daarvoor wel werd gevreesd. De redacties wilden graag laten zien dat de krant juist een opbouwende rol kon spelen door burgerlijke deugden zoals fatsoen, loyaliteit en beheersing uit te dragen en door zich in te zetten voor het maatschappelijk belang. De wijd verbreide veronderstelling dat de buitenlandse kranten de aanstichters waren geweest van de Eerste Wereldoorlog en de oorlogszuchtige stemming hadden aangewakkerd in de hoop zo meer kranten te verkopen, versterkte de Nederlandse ijver om neutraal te berichten. Hoewel op de meeste redacties wel verschillende sympathieën en antipathieën bestonden, werd in het algemeen gepoogd de voorkeur voor een bepaalde oorlogvoerende partij netjes weg te poetsen. De meest in het oog lopende uitzondering hierop was De Tele graaf. Deze krant was zo uitgesproken pro-Entente dat hoofdredacteur J.C. Schröder ervoor in de gevangenis belandde.

Hoewel ook De Amsterdammer onmiskenbaar pro-Entente en anti-Duits was, was de berichtgeving over Duitsland zeker niet eenzijdig negatief. De Duitse cultuur, Goethe, Schiller en Bach werden bewonderd. Het waren vooral de machthebbers in het keizerrijk en de legerleiding — de «krijgslieden kaste» — en de eigentijdse generatie intellectuelen die het moesten ontgelden. Deze partijdigheid van De Amsterdammer werd ingegeven door de vrees dat Duitsland Nederland zou opslokken, dan wel economisch wilde overheersen. Met de stichting van het Duitse keizerrijk in 1871, na de Frans-Duitse oorlog, was aan de oostgrenzen van Nederland een militaire en industriële supermacht verrezen. De Amsterdammer was bang dat Nederland de volgende zou zijn in het rijtje Sleeswijk- Holstein, Elzas-Lotharingen en Polen. Daarom vatte de redactie het als taak op de lezers voor te lichten over de gevaren die Nederland van het keizerrijk te duchten had. Wanneer dit «onneutraal» was, zo schreef het blad, dan was die «onneutraliteit» een plicht. De Amsterdammer was daarmee, zo meenden de redacteuren, niet zozeer anti-Duits, maar vooral pro-Nederlands.

Niet alleen dit «annexatiesyndroom», maar ook de persoonlijke achtergronden en voorkeuren van de redactieleden bepaalden de inhoud van De Amsterdammer tijdens de Eerste Wereldoorlog. Aan het begin van de twintigste eeuw was De Amsterdammer een elitair, intellectueel en links-liberaal opinieblad, waarin soms zeer uiteenlopende standpunten werden gehuldigd. De redacteuren en medewerkers waren destijds veelal vooraanstaande — en vooruitstrevende — figuren in de wereld van de kunst en de wetenschap. Opvallend is dat veel redacteuren een bijzondere band hadden met Frankrijk of Engeland, dan wel een moeizame relatie met Duitsland.

Cruciaal voor de inhoud van De Amsterdammer tijdens de Eerste Wereldoorlog waren vooral de persoonlijke ervaringen van Frederik van Eeden. Het was aan hem te danken dat het weekblad tijdens de oorlog het toneel zou worden van een onstuimig internationaal debat.

De schrijver-psychiater Van Eeden werd in december 1914 opgenomen in de hoofdredactie van De Amsterdammer, nadat Wiessing na een conflict met de uitgevers was opgestapt. Daarvoor publiceerde hij al — in zijn eigen afwijkende spelling met een overmaat aan dubbele klinkers — regelmatig in het blad. Door zijn biograaf Jan Fontijn is Van Eeden gekarakteriseerd als een prototype «fin de siècle-mens». Zich bewust van het verdwijnen van oude waarden — zoals rationalisme en vooruitgangsgeloof — probeerde Van Eeden de onzekerheid van het bestaan voortdurend het hoofd te bieden door, vaak radicaal, te kiezen voor een bepaald hoogdravend ideaal. Van Eeden schuwde dan ook niet het utopisch experiment. Hij stichtte de commune Walden in Bussum en de Van Eeden Colony in North Carolina in de Verenigde Staten. Met deze plannen en opvattingen was de schrijver in de woorden van de redactie secretaris van De Amsterdammer C.F. van Dam dan ook enigszins «een vreemde eend in dit liberale kamp».

In de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog werd Van Eeden, die zelden gehinderd werd door enige bescheidenheid, in beslag genomen door het idee een bond van genieën te vormen. Het oprichten van internationale clubjes van intellectuelen was aan het begin van de twintigste eeuw een trend. De bond die Van Eeden wilde oprichten moest bestaan uit «koninklijke individuen» die een voorhoede moesten vormen van een ophanden zijnde maatschappelijke omwenteling. Van Eeden deed zijn uiterste best om zoveel mogelijk contacten te leggen met buitenlandse schrijvers en kunstenaars. Na een mislukte poging slaagde hij er in de loop van 1914 in een aantal vooraanstaande intellectuelen te interesseren voor het vormen van een Blut-Bund. Betrokken bij deze bond waren de joodse schrijver en theoloog Martin Buber, de geleerde Erich Gutkind, de journalist en anarchist Gustav Landauer, de dichter Theodor Däubler, de Nederlandse sinoloog en eveneens Amsterdammer-redacteur Henri Borel, de Pruisische Regierungsrat Florens Rang, de schrijver, politicus en industrieel Walther Rathenau en de Zweedse psychiater Poul Bjerre.

In juni 1914 kwam deze Blut-Bund of Forte Kreis voor het eerst bijeen in Potsdam. De stemming was euforisch. Met veel spijt namen de leden na een aantal dagen afscheid. Afgesproken werd om elkaar in september weer te ontmoeten in Forte dei Marmi aan de Italiaanse kust. Van Eeden meende dat de Forte Kreis een eenheid vormde die niet meer te vernietigen was en de kracht bezat om de wereld te schokken.

Het pakte anders uit. De Eerste Wereldoorlog brak ruim een maand later uit en haalde een streep door Van Eedens droom.

De leden van de — grotendeels Duitse — Forte Kreis bleken de oorlog heel verschillend te beoordelen en partij te kiezen voor het eigen vaderland. Kort na de oprichting viel de Kreis door ruzies uiteen. Rathenau was nu hoofd geworden van de Kriegs-Rohstoff- Abteilung van het oorlogsministerie en meende dat de oorlog voor het keizerrijk een strijd om het bestaan was. Rang meldde zich zelfs aan als vrijwilliger voor het leger. Hij schreef aan Van Eeden: «Ich bin mobil gemacht, hurrah! Und darf in diesem Kampf des edelsten und friedenfertigsten Volkes gegen Neid und Rachesucht die ihm die Kehle zuschnüren wollen, im Felde mittun — Gott sei gedankt!» Rangs brief, die verder nog allerlei beledigingen aan het adres van Engeland bevatte, vormde het begin van een polemische correspondentie tussen hem en Van Eeden, die vond dat Duitsland alle schuld had aan de oorlog en dat Rang in een «patriottischer Rausch» verkeerde. Van Eeden beschouwde de Eerste Wereldoorlog namelijk als een strijd tussen autocratische monar chieën en de moderne democratie, waarbij de laatste onherroepelijk zou zegevieren.

Het meest ontdaan was Van Eeden door de reactie van zijn beste Duitse vriend Gutkind. Gutkind schreef hem dat de oorlog een heilige strijd was tussen het materialistische Engeland en het geestelijke Duitsland en dat hij daarom altijd partij zou kiezen voor Duitsland. Verbitterd antwoordde Van Eeden: «In Deutschland könnte ich jetzt nicht frei leben.» Hoewel niet alle Duitse Forte Kreis-leden zo nationalistisch reageerden — Landauer nam bijvoorbeeld radicaal afstand van de politiek van het keizerrijk — werd de Kreis, na een paar vruchteloze pogingen om de groep toch bijeen te houden, in de zomer van 1915 definitief opgeheven.

Van Eeden uitte zijn frustratie over het nationalisme en het uiteenvallen van de Kreis in een open brief in De Amsterdammer en gaf hiermee de aanzet tot een uiterst boeiende internationale discussie. In het nummer van 6 september 1914 stond prominent op de voorpagina een Offener Brief an unsere deutschen Freunde. Hoewel Van Eeden het stuk niet ondertekende, was de brief van zijn hand. Dit in het Duits gestelde artikel begon mild met het benadrukken van de hechte vriendschap tussen Nederland en Duitsland, vervolgens werden de Duitse inval in België en de verwoesting van Leuven scherp veroordeeld: «Das bringen Sie trotz tausend Spitzfindigkeiten nie ins reine mit Ihrem bessern Gewissen, sobald sich das wieder hören läszt.» De toon van het stuk is er een van een belerende schoolmeester, die toch beter van zijn «leerling» had verwacht. Van Eeden besloot de brief met: «Unsere lieben guten deutsche Freunde, wir weinen um das wundervolle Löwen, wir weinen um die Belgier, aber wir weinen noch mehr um Sie.»

De Offener Brief sloeg in als een bom. Lezers verspreidden het artikel in Duitsland, waar het door verschillende kranten werd overgenomen. De brief veroorzaakte nogal wat beroering, want in de daaropvolgende weken ontving De Amsterdammer een «Flut» van reacties uit Duitsland. Waarop de redactie weer met een nieuwe serie artikelen reageerde. De Amsterdammer wees hierin alle pogingen van de Duitse briefschrijvers om de oorlog te rechtvaardigen van de hand en benadrukte, niet gespeend van enig moreel superioriteitsgevoel, het verschil tussen het autocratische Duitsland en het «vrijheids lievende» Nederland.

Sommige van de Duitse antwoorden waren vriendelijk van toon, andere bevatten vele vijandigheden. De Amsterdammer plaatste een aantal zeer nationalistische reacties, waarin het Duitse optreden in België en het executeren van Belgische francs-tireurs met hand en tand werd verdedigd. Zo schreef A. Mairich, directeur van een ingenieurs- en architectenbureau in Chemnitz, die de Offener Brief had gelezen in het Chemnitzer Tageblatt: «Das Blut eines einzigen Deutschen Soldaten ist doppelt mehr Wert als alle Bauten, Kunstdenkmäler und all die gesamte Einwohnerschaft des Dorfes oder der betreffenden Stadt.»

Het commentaar van De Amsterdammer onder Mairichs brief luidde: «Als men de brief hardop voorleest, met de stemverheffing van een politiechef, Feldwebel of Pruisisch generaal-majoor is het een zeer mooi nummer voor soirées en intieme avondjes.»

Een andere briefschrijver, Richard Zoozmann uit Berlijn-Friedenau, vond dat niemand zich met het Duitse Kulturvolk kon meten en vervolgde: «Ein Schlug von Sankt Michaels eisengepanzerter Faust — und wo bliebe Holland? Der träge Mijnherr soll ruhig seine Tulpen begiessen, seine Tonpfeife schmauchen und seinen Blooker trinken, soll sich aber ja immer mit Deutschland auf guten Fuss stellen!»

Ook de brief van Adolf Lasson, een hoogleraar filosofie uit Berlijn, bevatte vele hatelijkheden jegens Nederland. Blijkbaar had Lasson het wel erg bont gemaakt, want in december 1914 vaardigde de Berlijnse Academie van Wetenschappen een verklaring uit waarin 41 geleerden, onder wie Albert Einstein, hun afkeur uitspraken over de «particuliere brief van een professor van de Berlijnsche universiteit welke voor Nederland beledigende uitdrukkingen bevatte».

Ook van Nederlandse lezers kreeg De Amsterdammer kritiek. Verschillende briefschrijvers verweten het blad «onedel gedrag» en relativeerden de Duitse toorn. Niettemin hield De Amsterdammer het laatste woord, de redactie benadrukte meermalen dat ze met het plaatsen van de boze brieven Nederland wilde waarschuwen voor het vermeende Duitse gevaar.

Deze discussie in De Amsterdammer, waarvoor de teleurgestelde Frederik van Eeden de aanzet had gegeven, past goed binnen een groter debat dat in de Europese pers tussen enerzijds Franse en Engelse en anderzijds Duitse intellectuelen werd uitgevochten. Het persoonlijke drama van Van Eeden en het uiteenvallen van de Forte Kreis weerspiegelden op kleine schaal de verhoudingen binnen de Europese intelligentsia. Bestond er voor de oorlog nog een uitgebreid netwerk tussen schrijvers, kunstenaars, politici en geleerden uit verschillende landen, de Eerste Wereldoorlog verbrak veel van deze contacten. Na augustus 1914 gingen de eens bevriende intellectuelen elkaar met de pen en soms ook met de bajonet te lijf. Tegelijkertijd bracht de oorlog ook nieuwe contacten «binnen het eigen kamp» tot stand. Voor Van Eedens vriendschappen met Duitse intellectuelen kwam bijvoorbeeld de vriendschap met de Franse auteur Romain Rolland in de plaats. De twee schrijvers besloten samen een internationale beweging tegen oorlogsmisdaden te beginnen. Ook publiceerde Rolland de correspondentie tussen Van Eeden en het Forte Kreis-lid Rang in zijn Journal 1914, omdat hij vond dat Rangs brieven goede verslagen waren van de Duitse oorlogswaan.

Een van de belangrijke redenen waarom veel intellectuelen plotseling de eigen natie boven de internationale vriendschappen verkozen, was dat zij sociaal prestige verwierven door een voortrekkersrol te spelen in het rechtvaardigen van de oorlog. Duitse geleerden deden dit bijvoorbeeld door de oorlog voor te stellen als een strijd tussen de Duitse Kultur en de westerse civilisatie, het Angelsaksische materialisme en het Franse rationalisme en individualisme. Deze intellectuele legitimatie was van levensbelang. Het was immers noodzakelijk de bevolking ervan te overtuigen dat de soldaten ten strijde trokken voor een goede zaak. De Eerste Wereldoorlog vereiste een volledige mobilisatie van de samenleving; voortdurend moest er vers kanonnenvlees worden aangevoerd naar de loopgraven. Veel intellectuelen, die traditioneel min of meer buiten de maatschappij stonden, voelden zich geroepen een bijdrage te leveren aan het nationale gemeenschaps gevoel en de oorlogspropaganda. Vooral degenen die te oud waren om zelf dienst te nemen, susten hun geweten door uit te blinken in nationalistische oorlogsretoriek. Veel schrijvers en kunstenaars hoopten daarnaast dat de oorlog een bevrijding zou zijn van de dagelijkse sleur van de industriële samen leving.

Al spoedig resulteerde deze extreem nationalistische benadering van cultuur in een controverse tussen enerzijds Duitse en anderzijds Franse en Engelse academici. In september 1914 vielen verschillende Franse en Engelse hoogleraren hun Duitse collega’s aan, omdat zij geen afstand zouden nemen van het «barbaarse optreden van het Pruisische militarisme» in België. Op al deze protesten reageerden de Duitse intellectuelen op 4 oktober met het manifest Aufruf an die Kulturwelt, waarin 93 vertegenwoordigers van het Duitse culturele leven alle beschuldigingen van de hand wezen en het Pruisisch natio nalisme verdedigden als het enige middel om de Duitse Kultur tegen de Russische barbarij en de westerse civilisatie te beschermen. Het is ook tegen de achtergrond van deze onstuimige controverse in het najaar van 1914 dat de open brief van Van Eeden in De Amsterdammer en de discussie die daarop volgde, begrepen moeten worden.

Ondanks de heftige pennenstrijd heeft Van Eeden geprobeerd zoveel mogelijk vriendschappen gedurende de oorlog in stand te houden. Hij voerde een vlijtige correspondentie en wist verschillende bevriende intellectuelen te bewegen een artikel voor De Amsterdammer te schrijven waarin zij hun eigen visie gaven op de oorlog. Aan De Internationale Tribune, de rubriek waarin deze artikelen verschenen, leverden onder anderen Romain Rolland, Sigmund Freud, de Amerikaanse socialist Upton Sinclair, de Oostenrijkse schrijver Jakob Wassermann en de Duitse dissident Hermann Fernau een bijdrage.

Aanvankelijk hoopte Van Eeden nog dat de oorlog snel voorbij zou zijn en dat de vroegere vriendschappen weer konden worden hervat. In januari 1917 nam hij zelfs deel aan een geheime vredesmissie samen met zijn Zweedse Forte Kreis-vriend Poul Bjerre. Van Eeden moest proberen de kersverse Britse premier Lloyd George over te halen deel te nemen aan een vredesconferentie. In het diepste geheim en met knikkende knieën vanwege de U-boten maakte Van Eeden de overtocht over het Kanaal. Hij slaagde erin een afspraak te maken met Lloyd George, die echter aangaf dat hij de tijd nog niet rijp achtte voor een vredesconferentie. Ook Frankrijk en Duitsland lieten het afweten. Andermaal teleurgesteld keerde Van Eeden terug naar Nederland.

De vrede zou nog twee jaar op zich laten wachten. Acht dagen na de wapenstilstand in november 1918 ontving Van Eeden een telegram van Gutkind en Rang met de tekst: «Friede. Liebe. Kreis, und baldiges Sakraments des Händendrucks.» Een wederoprichting van de Forte Kreis bleek echter een illusie; de Groote Oorlog in de Europese Republiek der Letteren had ook zijn weerslag gehad in het neutrale Nederland en op de burelen van De Amsterdammer.

Marjet Brolsma kreeg bij de uitreiking van de Scriptieprijs 2004 een eervolle vermelding voor haar afstudeerscriptie geschiedenis over de rol van De Amsterdammer bij de opinievorming over Duitsland in het neutrale Nederland