Pentatonisch palet

The Pentatonic Connection door Ananda Sukarlan (piano), Erasmus WVH 139.
Back to the roots! Hoe doe je dat? Waar de een (Carla Mulder in Ecstasy) een tijdlang in New York verbleef om, veilig ver weg, over haar jeugd te denken en schrijven, componeert de ander (Steve Reich in Different Trains) een strijkkwartet waarin hij als Amerikaanse jood zijn achtergrond verwerkt.

De mogelijkheden om iets van het eigen verleden in een kunstwerk te verwerken zijn legio. Op een minstens even originele manier verwijst de Indonesische pianist Ananda Sukarlan bij het samenstellen van zijn cd naar zijn afkomst. Zijn affiniteit met het gamelanorkest brengt hij tot uitdrukking door composities te kiezen die zijn gebaseerd op de pentatonische toonladder, die het orkest zijn karakteristieke kleur geeft. Of zoals Sukarlan het zelf omschrijft: ‘De pentatonische sfeer van gamelanmuziek is vervoerend en hypnotiserend.’ Daarnaast wijst hij op de universele kwaliteit van de pentatoniek, omdat deze toonladder is afgeleid van de eerste vijf noten van de boventoonreeks.
Hoewel Sukarlan zich beperkt tot de westerse gecomponeerde pianomuziek, laat de cd The Pentatonic Connection zien dat componisten uit alle tijden door de pentatonische toonladder geinspireerd raakten. Van de negentiende-eeuwse Amerikaanse klavierleeuw Leopold Godowski, die in Gamelan en Wayang Purwa (uit 1925) de nootjes als water uit de kraan laat stromen, tot de Engelse componiste Margaret Lucy Wilkins, die in Study in Black and White No.1 uit 1983 en No.2 uit 1992 pentatoniek als uitgangspunt neemt voor een Britse variant op de minimal music.
Een intrigerend werk is de Piano Sonata No.1 (1938) van Sir Michael Tippett. De sonate is geen meesterwerk, maar hij is intrigerend omdat Tippett een buitengewoon vreemde synthese van barokmuziek en romantische pianomuziek tot stand weet te brengen. De statige strengheid van het barokidioom laat zich moeiteloos combineren met een romantische verleidelijkheid in de vorm van een bedwelmende hoeveelheid nootjes, die als sluiers over de compositie liggen. Ondertussen is het geheel gebaseerd op een themaatje dat zo aan een Hollywood- score ontleend zou kunnen zijn. Zo heterogeen als dit eerste deel is, zo divers ontpopt zich ook de rest van de sonate: in het andante tranquillo wanen we ons op bezoek bij Skrjabin, in het presto lijken we in een etude te zijn verzeild, en in het rondo giocoso con moto neemt Tippett ons mee naar het Wilde Westen.
Vergeleken met Tippett is de fantasie van Geoffrey King minimaal. In zijn Pithecanthropus Variations (in 1992 geschreven in opdracht van de universiteit van Leiden) onderzoekt hij de potentie van een handjevol nootjes, wat leidt tot een bloedeloze en gekunstelde reeks configuraties.
Wat een verschil met de Piano Variations van Oliver Knussen, die in het voor hem zo typerende pietepeuterige idioom ontroerend mooie miniatuurtjes ontwerpt. Poezie van de bovenste plank.
Even speels, maar net een graadje minder abstract, is de compositie George Took The Wrong Plane (1991) van Jan Rokus van Roosendael. Het gebruik van de pentatonische reeks leidt bij hem tot een wat naief melodietje, dat een speeldoos niet zou misstaan.
Het hart van de cd wordt echter gevormd door het vijf minuten durende Pagodas (een deeltje uit Estampes) van Claude Debussy. Geschreven in 1903 weerspiegelt dit stukje de (Parijse) hang naar exotiek. Oosterse kleuren en geuren hadden een onweerstaanbare aantrekkingskracht op Europese kunstenaars, zonder dat zij enige sjoege hadden van de aard en inhoud van de chinoiserieen. Desondanks is het oeuvre van Debussy onlosmakelijk verbonden geraakt met de pentatonische kleurschakeringen.
Met dit palet aan composities toont Sukarlan tegelijkertijd zijn eigen pianistische kunnen. En dat is verbluffend groot: niet alleen heeft hij een kwikzilveren toucher, ook zijn visie op de stukken ademt een vanzelfsprekendheid uit alsof hij de muziek zelf bedacht heeft.