Pentecôte à la campagne

Toen ik uitstapte in Anna Paulowna voelde ik dat het mis zou gaan, of misschien eerder al, tijdens de treinreis. Bij het naar buiten staren. Straffe oostenwind, felle zon, warm, een soort van ouderwets weer, dat ouderwetse gevoelens en herinneringen loswoelde, en daar kwamen vlak buiten station Anna Paulowna nog de geuren bij, van fluitekruid en half uitgebloeide meidoorn en vers gemaaid gras. Op de fiets, dwars door Anna Paulowna, over de Kerkweg, beukte vroeger aan de poort. Flitsen, beelden, herinneringen. Dat wil ik niet. Ik wil nu of toekomst. Ik ben niet voor niets in de Eifel gaan wonen: in niets mocht mijn nieuwe woonplek lijken op de Wieringerwaard. Niet dat er vreselijke dingen zijn gebeurd; ik heb zelfs een gelukkige jeugd gehad. Het is zijn puur de bijna aanraakbare herinneringen, beelden vooral, die ik niet blief. Die maken me zó weemoedig dat ik bijna omval.

Maar alles kwam goed. Omdat het fout ging. Ik had bedacht dat we een uitje zouden maken naar het Veeteeltmuseum in Aartswoud. Tenminste, zo noemde mijn vader het. Het bleek het Rundveemuseum te heten. Iemand zei op een bepaald moment: ‘Is dat eigenlijk wel open?’ Ik internet op. Geopend op dinsdag, zaterdag en zondag. ‘Maar vandaag is ook zondag’, zei ik, het was immers Tweede Pinksterdag. (Vandaar de titel van dit stuk, een ode aan de beroemde film Un dimanche à la campagne van Bertrand Tavernier uit 1984.) Toch belde ik even op en dan krijg je gewoon een man thuis. Potdicht. ‘Aanstaande zondag weer open’, zei hij. Ik word daar altijd tamelijk link van. Daar hadden we niks aan, we wilden vandaag naar het Rundveemuseum in Aartswoud! Dus ik kapte die op z’n Westfries gezellig doorkeuvelende kerel af en trok een ontevreden smoel. (Ik wilde er vooral graag heen omdat daar een Witrik loopt, het enige inheemse koeienras dat ik nog nooit in het echt zag.) Het waaide echt keihard, mijn vader en moeder en ik zaten naast het huis onder de zonneluifel die ze van ons voor hun zestigjarig huwelijk hadden gekregen. Het ding was te klein, merkte ik, ik zat half in de zon. Aan de overkant van de brede sloot staat de familieboerderij en stofwolken wervelden over het erf heen. Daar kwam Bep het erf op lopen, de nieuwe labrador van mijn broer. Bep blaft zich altijd een ongeluk, van angst. ‘Kom’, zei mijn vader, ‘we gaan naar de schilder van Piet.’ Piet is mijn broer. Ik negeerde de hond, die als een bezetene tekeerging. De schilder kwam van de steiger af. ‘Hallo’, zei hij, ‘ik ben Jaroslav.’ ‘Hallo’, zei ik, ‘ik ben Gerbrand.’ Jaroslav is een Oekraïner. Dat was heel vreemd, een Oekraïner op een twaalf meter hoge steiger aan de voorkant van de boerderij in de Wieringerwaard. Die ook nog eens gewoon aan het werk is op Tweede Pinksterdag. Waarom ook niet, Jaroslav is helemaal alleen hier, de rest van zijn gezin woont in Oekraïne. Een ontzettend leuke, voorkomende man. Hij had het over de corruptie en de armoede in zijn land, en over Poetin, maar vooral heb ik onthouden dat het jongste kind in een gezin thuis blijft om voor de ouders te zorgen. Altijd en overal. Het jongste kind is het bokje. Jaroslav klom de steiger weer op en omdat ik Bep dusdanig genegeerd had dat het beest inmiddels aan mijn hand likte, wat ze nog nooit eerder gedaan had, was ik helemaal naar het nu getrokken.

Tijd voor een nieuw plan. ‘We gaan naar Jeroen’, zei ik. Dat is mijn jongste broer, die woont twee kilometer verderop. Die bleek thuis te zijn. Na een rondje over zijn erf gedaan te hebben (is dat Noord-Hollands? Altijd maar overal rondjes doen, alles even bekijken?), stapte hij achter het stuur van de auto van mijn vader en reden we met z’n vieren richting Wieringen. Na camping Het bos roept! in het Robbeboordbos bezocht te hebben (‘Prachtig toch hier?’ vroeg mijn moeder. ‘Het blijft de Wieringermeer, moeder’, antwoordde ik. Zoals ik me als kind al met geen mogelijkheid kon voorstellen waarom mensen in godsnaam op camping De Pauwen in Wieringerwaard vakantie gingen vieren) reden we Wieringen op. We gingen de kluten bekijken in de kleiput van Vatrop. Kluten zie je niet veel, dus je moet altijd elke gelegenheid aangrijpen kluten te zien. Het wemelde ervan in de kleiput. Ook liepen er strandlopertjes (die noem ik even zo omdat ik ze niet preciezer kon determineren). Mijn vader en broertje dachten dat het jonge kluutjes waren. ‘Welnee!’ zei ik. ‘Dat zijn strandlopertjes.’ Mijn broertje keek moeilijk. ‘Drietenige?’ vroeg hij. Mijn broertje is de leukste thuis. Hij liep op zijn blote voeten de prut van de Waddenzee in om schelpen te zoeken voor mijn moeder. Die verzamelt namelijk schelpen.

Geen herinneringen, geen oude beelden meer. Ik was helemaal opgekalefaterd door Jaraslov, een eindelijk eens aanhaalbare Bep, die prachtige kluten. Toen we bij de vogels wegliepen, zei ik: ‘Kijk, hier kan ik best een weemoedige column over schrijven.’ ‘Wat zegt-ie?’ vroeg mijn moeder aan mijn vader. ‘Dat-ie er wel iets weemoedigs over schrijven kan’, zei mijn vader. Ik snapte niet waarom ik het zei, omdat ik daar nou juist geen last had van weemoed. De ramen van de auto stonden wijd open. Overal fluitenkruid, schapen, mooie koeien, tevreden fietsers, heel veel weidevogels en gierzwaluwen, prachtige te koop staande huizen en zuringweitjes. Dat zijn stukken land waar boeren niks mee doen. Die staan vol zuring, boterbloemen, smalle weegbree en allerlei soorten mooi gras. Prachtig. Ik was nu helemaal en volstrekt in het nu. Tijd voor ijs. Maar waar? Dat kon op verschillende plekken. Mijn broertje had het maar steeds over ‘De bomde Homd’. Dan kun je op een bepaald moment vragen: ‘Wat zeg jij nou de hele tijd?’ maar je kunt ook rustig afwachten en zien waar je uitkomt. Via zandpaden en half verharde wegen kwamen we uit bij De bonkte hongd, dat is Wierings voor ‘de bonte hond’. Daar aten we allemaal, gezeten in de schaduw, aan de rand van weer eens zo’n heerlijk zuringweitje en met uitzicht op het Amstelmeer, een softijsje. Die eet ik eens in de vijf jaar, en meestal ben ik een beetje misselijk als ik hem op heb, vandaar dat eens in de vijf jaar. Een Duitser kwam om servetten vragen. ‘On the table’, zei de jongen die achter het ijs stond. ‘Dat schiet niet op’, zei ik tegen hem. Mijn moeder en ik hadden nog even onenigheid over een bloeiende plant – ik dacht dat het een flox was, zij dacht van niet, maar wist niet wat dan wel – en toen reden we weer naar de Wieringerwaard. Het was een vrijwel perfecte Tweede Pinksterdag. Als nou de economische situatie in Oekraïne nog even verbetert en die verplichte zorg door het jongste kind voor батько en мама afgeschaft wordt, zou hij volledig geslaagd zijn geweest.