Zomerverhaal

Per direct op te halen

Hij zei bijna niets meer en ging ook nooit meer naar buiten, daar begon het mee. Mijn zus was de eerste die het benoemde. Als ik me niet vergis gebeurde het tijdens ons kerstdiner, we zaten met zijn vieren gebogen over de gepofte aardappels en stukken kalkoenfilet, mijn moeder roerde in een schaal cranberry’s, uit de woonkamer echode de Phil Spector-verzamelaar die mijn vader elke december afstofte en wekenlang weigerde uit de platenspeler te halen.

Traditie, zeiden we op zulke momenten zachtjes tegen elkaar, vooral mijn moeder gebruikte dat woord vaak, met iets tussen vergoelijking en ergernis in. Traditie, traditie, ja, het klopte, bijna alles wat mijn vader tijdens deze dagen uitvoerde was traditie, eigenlijk vrijwel alles wat hij deed in het algemeen – het kwam voort uit gewoonte, elke handeling was een ritueel geworden. Hoe we hier zaten, hoe we zoekend en daarna toch vertrouwd inhaalden wat we de maanden ervoor hadden gemist van elkaars bestaan, hoe mijn vader zoals elk jaar kaarsen in een kandelaar perste en midden op tafel zette. Weet je trouwens wat dat is, een kandelaar, een kaars? Heb jij ooit kalkoen gegeten?

We zaten in de vaste opstelling, mijn vader aan het hoofd, ik als enige met mijn gezicht richting de voordeur, we bleven onszelf maar eten opscheppen en gaven het jaar een samenvattend cijfer – ook traditie. Mijn zus was voor haar doen mild met haar zeven-en-een-half, ik kwam niet verder dan een zesje, mijn moeder begon te vertellen over een religieuze cursus die ze onlangs had gevolgd op een Italiaans schiereiland en waarvan snel een vervolg zou plaatsvinden, ‘een acht!’ riep ze door de keuken, ‘zo leuk dat ik voor zulke dingen nu tijd heb’, waarop mijn vader mompelde dat hij het huis wel weer zou ‘bewaken’ tijdens haar volgende ‘expeditie’.

‘Cijfer?’ vroeg ik.

‘Wat? O. Tja. Wat deed jij? Een zes. Ik ook.’

Dat had hij het jaar ervoor ook gegeven en het was een stuk beter dan het jaar daarvoor, toen het einde van zijn delicatessenwinkel voor een vier-plus had gezorgd.

Generatie op generatie had zijn familie buurtbewoners bediend, cadeautjes ingepakt, gekookt en eeuwige kletspraatjes gemaakt, tot alleen nog vaste klanten kwamen – en op den duur weken die zelfs uit naar de grotere, goedkopere alternatieven in de buurt. Misschien begon het bij nader inzien daar wel mee. Misschien ontstond met dat noodgedwongen einde van de winkel al sluimerend het verlangen waar we vandaag eindelijk naar handelen: toen mijn vader ’s ochtends nergens meer verwacht werd, toen hij geen wekker meer hoefde te zetten, niet ’s ochtends vroeg naar het magazijn diende te gaan en verse broodjes moest smeren, toen niemand het nog door had als hij een dag of week in bed bleef liggen.

Voor mijn moeder betekende het wegvallen van de winkel alleen maar opluchting: voor haar was ‘werkloos’ een veredeld synoniem voor vrijheid, ze gebruikte het als excuus om al haar opgespaarde geld op te maken, ze maakte reizen met groepen gepensioneerde leeftijdgenoten en liet zich pamperen in restaurants, ‘daarvoor hebben we al die jaren zo hard gewerkt’. Mijn vaders wereld was gekrompen tot het formaat van zijn werkkamer – uren zat hij achter zijn bureau, niemand wist precies wat hij deed, volgens mij las hij stapels oude kranten. Vroeger had hij week in, week uit gefoeterd op het harde werken en de stress van een eigen zaak, toch miste hij alles ervan, hij zei het niet maar we merkten het aan de stiltes, aan zijn plotseling aardige woorden over klanten en werknemers die hij vroeger aan de eettafel altijd bekritiseerde, aan de somberte die zich als een onweerswolk door het huis verspreidde. Eén keer verzuchtte hij, nadat hij met een kreun de overlijdensbrief van een vroegere medewerkster had geopend: ‘Volgens mij heb ik nu echt meer dode dan levende vrienden.’

Boodschappen liet hij tegenwoordig bezorgen, lopen deed hij alleen nog maar als het strikt nodig was en dan ging het uitermate traag, plotseling was er een vreemde stroefheid in zijn motoriek geslopen. Ik wist nooit helemaal zeker of hij vooral niet meer kon of niet meer wilde. Soms als ik langskwam en hem door de kamers zag scharrelen had ik de neiging hem een ondersteunende hand aan te bieden, of zachtjes tegen zijn rug te duwen – maar ik wist dat ik het daarmee alleen maar erger zou maken en deed dus niets, ik keek alleen maar. Naar zijn voorover gebogen houding boven zijn bureau, zijn wat ineengedeukte lichaam op de bank. Wie hem zo zag, zou ervan overtuigd zijn dat hij ergens op wachtte, dag in, dag uit.

‘Ik zat te denken hè, pap’ – mijn zus sprak terwijl ze zichzelf nog meer cranberry’s opschepte, elk woord aftastend, ze wilde duidelijk polsen wat ze wel en niet kon zeggen. ‘Altijd hooguit een zes is toch wel vrij mager. Het is me opgevallen dat je eigenlijk nooit meer buiten komt en ook heel weinig, tja, zegt, meemaakt. Je bent gezond, je hebt tijd, je hebt geld. Je kunt een reis maken. Een nieuwe winkel oprichten, misschien online. Naar een andere stad gaan.’

‘Wat heb ik in een andere stad te zoeken?’

‘Dat zeg ik ook vaak’, zei mijn moeder, ‘gewoon erop uit gaan, we kunnen dat echt nog wel betalen. Een mooie reis maken. Alleen, met mij, met vrienden.’

‘Welke vrienden?’

‘Jullie hadden toch laatst dat leuke uitstapje naar Maastricht?’ vroeg ik. ‘Nog een keer zoiets, voor je verjaardag binnenkort?’

‘Dat was alweer anderhalf jaar geleden’, zei mijn vader. ‘En dat beviel niet zo. Zullen we het hier niet nu over hebben? Wie kan ik nog wat kalkoen geven, die heeft veel smaak, hè, zo maakte ik hem op de zaak ook altijd.’

Toen hij even later naar de wc was, fluisterde mijn moeder: ‘Dat uitje naar Maastricht was eerlijk gezegd een fiasco. Hij wilde nergens heen en vond alle trappen zwaar. We zijn bijna niet samen geweest. Ik liep door de stad, hij zat op terrasjes.’

‘Zullen we het hier niet nu over hebben? Wie kan ik nog wat kalkoen geven, die heeft veel smaak, hè, zo maakte ik hem op de zaak ook altijd’

‘Kunnen we niet toch iets proberen om hem weer wat vrolijker te maken?’ fluisterde mijn zus. ‘Er zit zo nauwelijks leven meer in, dit kunnen wij toch ook niet nog twintig jaar volhouden?’

In hoog tempo begonnen mijn zus en ik mogelijkheden te opperen, plotseling ontstond de sfeer van een crisisoverleg. Zouden we voor zijn verjaardag tuingereedschap kopen, kon hij daarmee uit de voeten? Hem een of andere zingevingscursus geven? Een abonnement op Nieuwe Revu, op Donald Duck desnoods? Een box met alle Breaking Bad, een reis naar een tropisch oord, een nieuwe auto?

Bij vrijwel alles wat we zeiden, antwoordde mijn moeder: ‘Dat heb ik al voorgesteld, hij wil het niet.’ Toen ze hem hoorde naderen, logge voetstappen verderop in de gang, pakte ze onze beide handen vast: ‘Hij wil niks meer.’

Ik bekeek mijn vader terwijl hij aan tafel neerplofte. De grijze plukjes haar bij zijn slapen, de rimpels onder zijn wenkbrauwen, de doffe glans in zijn ogen, de blik die volgens mijn vriendin precies hetzelfde was als hoe ik soms keek.

De rest van de avond voerden we inwisselbare, teleurstellend onpersoonlijke gesprekken. Recente voetbaluitslagen, de nieuwe vriend van de overbuurvrouw, Trump die weer iets stompzinnigs had geroepen. Toen mijn vader naar de keuken liep voor extra kalkoen – hij was de enige die nog wilde – veerden mijn zus en ik op en gingen fluisterend verder waar we gebleven waren.

Een sportschoolabonnement? Een nieuwe televisie? Een Pathé Unlimited-pas? Jij werd het.

Ze hebben je Jasmine genoemd, naar de prinses uit Aladdin. Maar de streng kijkende, kortgeknipte vrouw die jouw geboorte heeft meegemaakt en die vier weken lang je brokjes heeft klaargezet, je kom water bijgevuld, je bak verschoond, de vrouw die zichzelf op Marktplaats ‘AllesKan’ noemde en die vanochtend in Breukelen overduidelijk geen afscheid van je wilde nemen, zei zoals je hebt kunnen horen: ‘Naar die naam luistert ze toch niet. Verzin gerust zelf iets.’

Ik knikte kalm, dat probeerde ik althans, en ritste de reismand open: kom maar, zei ik, kom maar bij mij en dan neem ik je mee naar je nieuwe huis. Ik probeerde je te lokken met sussende geluidjes, ik stak mijn armen uitnodigend uit, maar je sprintte weg. AllesKan stond er sowieso op dat we niet meteen weggingen, drie koppen koffie lang hoorde ze mijn vriendin en mij uit: wie we waren, wat we gestudeerd hadden, welk werk we deden. Het leek of we kwamen solliciteren en ze elk moment kon beslissen jou toch niet mee te geven. Onze antwoorden leken haar vreemd genoeg nauwelijks te bereiken, ze reageerde er in elk geval niet op en bleef voortdurend herhalen hoe bijzonder jij was, dat ze je een maand terug achter in de tuin hadden gevonden bij een verder uitgestorven nestje, een ineengedoken, piepend bolletje witrood pluishaar, geen moeder te bekennen, ook jij op sterven na dood. Sindsdien was iedereen in huis zo op je gesteld geraakt, ook dat zei ze zeker vier keer, ‘maar ja, Jos is allergisch’.

Het klonk verwijtend. Ik kreeg de indruk dat ze het liefst niet jou maar Jos het huis uit wilde doen.

Herhaaldelijk vroeg ze of je wel in een goed nestje zou terechtkomen. ‘Jasmine heeft een gebruiksaanwijzing, je moet veel tegen haar praten, ze moet nog steeds een beetje wennen aan mensen en menselijke geluiden.’

‘Veel tegen haar praten’, herhaalde ik. ‘Dat moet lukken, dat ga ik doen.’ En daarna zei ik, geen idee of je dat meekreeg, na mijn contactpoging liet je je een tijdlang niet meer zien: ‘Het is afwachten, ik heb geen idee of mijn vader het trekt. Hij weet van niks, daarom kan het ook helemaal verkeerd uitpakken.’

‘Het komt vast goed’, zei mijn vriendin, kort keek ze me aan. ‘Niet altijd dat pessimisme, jij.’

AllesKan schoot in de lach, het was onduidelijk waarom, vlak voor mijn gezicht kwam een reeks nicotinetanden te voorschijn. ‘Als jullie haar niet willen, dan moet ze binnen een dag terug. Anders raakt ze helemaal onthecht.’

En Jos dan, schoot het door me heen, hoe doen jullie dat? Ik hield het voor me en dacht aan mijn vader, gisteravond klokslag twaalf uur had ik hem opgebeld. ‘Gefeliciteerd. Ben je iets leuks aan het doen, iets feestelijks?’

Niet ontsnappen. Ik hoor je gemiauw en gepiep heus wel, ik zie hoe je met je hoofdje de rits probeert te openen

‘Ik lees een Volkskrant van vorige maand.’

Mijn moeder sliep ongetwijfeld al, die ging altijd uren eerder naar bed dan mijn vader.

‘Heb je voor morgen een plan?’ vroeg ik. ‘Iets leuks? Wensen?’

‘Nee. Weer een jaar ouder, dat hoeft van mij niet zo nodig gevierd te worden. Tja, jullie komen lunchen. Toch?’

Die onzekerheid in zijn stem. Alsof wij elk moment konden afzeggen en ervoor konden zorgen dat hij ook die dag grotendeels alleen doorbracht, met alleen mijn moeder af en toe in zijn buurt.

Natuurlijk, zei ik. Natuurlijk komen we.

Ik stelde me voor dat hij ons cadeau in ontvangst zou nemen, ongetwijfeld aarzelend, zoals hij op alles reageert wat hij niet verwacht. Ik sloot niet uit dat hij je niet zou willen, eerlijk gezegd houd ik daar nog steeds serieus rekening mee. Toch kan ik me inmiddels geen beter cadeau meer voorstellen. Eindelijk weer wat leven in mijn ouderlijk huis, leven om mijn vader heen – waarom zijn we hier niet eerder op gekomen? Voor jouw aanwezigheid hoeft hij niks te veranderen of af te zeggen, zolang je eten krijgt zal je je gang gaan, je zal snuffelen, rondrennen, krabben, je zal al die kamers in dat veel te grote, rommelige huis verkennen en de bank bestormen waarop mijn vader bewegingloos ligt.

Sinds het kerstdiner hebben mijn moeder, mijn zus en ik nog enkele voorbereidende mails naar elkaar gestuurd en met elk bericht ben ik het concreter voor me gaan zien. Alles is inmiddels geregeld, mijn zus heeft de kattenbak stiekem alvast klaargezet, mijn moeder verwijdert nu de giftige muizenkorrels zonder dat mijn vader het merkt – en ik heb jou gevonden, dat was mijn taak, met een zeker voor mijn doen zeldzame daadkracht spitte ik de Marktplaats-advertenties door, ik bekeek omschrijvingen vol taalfouten en zag hoe er biedingen werden gedaan op talloze nestjes, en al gauw kon ik mijn ogen niet meer van een pagina afhouden. Lieve speelse jonge kat per direct op te halen in Breukelen.

Niet ontsnappen. Ik hoor je gemiauw en gepiep heus wel, ik zie hoe je met je hoofdje de rits probeert te openen, die zowaar iets meegeeft. Sorry dat ik hem dichtdruk, sorry dat ik je weer de mand in duw, sorry dat ik de mand zo dicht tegen mijn buik houd – over een kwartier zijn we er, dan mag je eruit, we zullen je in mijn vaders armen drukken en hopen dat hij je niet loslaat, dat hij in elk geval iets van een reactie toont. Die eerste paar seconden zullen cruciaal zijn, daar komt het straks op aan, als hij afwerend reageert zullen we je meteen weer naar Breukelen brengen, terug naar alles wat je kent.

Kun je me door het gaas zien? Zie je dat we over de snelweg rijden, zie je mijn vriendin, naast me achter het stuur? Ik heet Luciën. Zij heet Ingrid. Ze heeft de mand meegenomen waarin je nu opgesloten zit, ze is de enige in mijn familie die iets weet van katten, de enige ook met een rijbewijs.

‘Ik zou wel een kat willen zijn’, zei ik vanochtend vroeg tegen haar.

‘Echt? Ik niet. Dan vergeet je zo veel, dan verwacht niemand iets van je en lig je gewoon thuis.’

‘Daarom juist.’

‘Is het echt een goed idee dat je vader van niks weet?’ vroeg ze ineens. ‘Is dat niet te riskant?’

‘Anders zegt-ie zeker nee. Hij valt stil hoor op deze manier, we hebben er alle drie last van. Hij komt ook echt nooit meer buiten.’

Hardop uitgesproken klonken de woorden niet zo alarmerend als in mijn hoofd. Mijn vriendin keek strak voor zich uit, stroken asfalt, honderden auto’s hijgerig dicht op elkaar. ‘Maar jij komt ook bijna nooit naar buiten’, mompelde ze toen.

Lang kijken jullie elkaar aan, allebei lijken jullie te wachten op een teken van leven, een signaal dat aangeeft hoe nu verder, waar nu heen

Dat is anders, wilde ik zeggen, ik wilde benadrukken dat ik haar opmerking beledigend vond, dat ik zelfs op mijn mindere dagen wel dingen probeerde te ondernemen, dat ik nooit zo zou stilvallen, maar toen vroeg ze welke afslag we moesten nemen, het moment verdween, een paar minuten later al deed AllesKan de deur voor ons open en begon direct tegen ons te praten; als het aan haar lag hadden we daar nu nog gezeten, toen ik haar zelfgemaakte appelvlaai weigerde en zei dat we maar eens moesten gaan, riep ze prompt twee zonen, slungelige pubers die met tegenzin uit hun kamers kwamen en door de moeder gedwongen werden voor een afscheid van ‘ook jullie Jasmine’. Voelde je je daar thuis? Hoelang duurt het voor je die plek vergeten bent, onthoud je hem wellicht langer dan ik, blijf je hem straks missen en beweeg je daarom nu zo onrustig in de mand, op zoek naar een opening, een kier om uit te vluchten?

Toen we eindelijk weg konden uit Breukelen – Ingrid hield je vast, haar was het vrij makkelijk gelukt je in de mand te krijgen – gaf ik de op Marktplaats gevraagde vijftig euro aan AllesKan. Zo veel ben je blijkbaar waard, gratis gevonden, met winst doorverkocht. ‘Een beetje gek om daar iets voor te vragen, maar dan weet je tenminste dat iemand het echt wil.’ Ze boog zich voor een laatste keer over jou. ‘Dag lief beestje. Als je het niet leuk vindt daar in de hoofdstad moet je maar gewoon terugkomen.’ Hoorde je dat door het gaas heen? Ja, hè? Voor de eerste keer probeerde je uit de mand te klimmen, voor de eerste keer hoorde ik hoe hard je miauwde. Terwijl ze mijn biljetten in haar broekzak propte keek AllesKan me lang aan, opgetrokken wenkbrauwen, lippen zuinig op elkaar geperst. Alsof het beschamend was dat ik geld gaf voor zo’n transactie, alsof ik hiermee alvast wilde afkopen wat er allemaal kon misgaan.

Op de stoep staat mijn zus al te wachten. Ze heeft een Albert Heijn-tas bij zich, tot de rand gevuld met Whiskas, kattenmelk, korrels voor in de bak, bovenop twee blikjes tonijn. ‘Is het allemaal gelukt?’

‘Ik denk het’, zeg ik.

‘Ja’, zegt mijn vriendin. ‘Zeker.’

Rustig maar, je hoeft niet langer te slaan met je nageltjes, echt niet, er is geen reden om zo te blijven kermen en krassen, over een paar minuten mag je eruit. Nee, rustig, ik til je alleen even op, geen paniek, je moet de auto toch uit? Hier, kijk, dit wordt je nieuwe huis, ja, die woning daar, niet heel groot maar wel prima, en in die tuin kan je lekker gaan spelen, ja, dit is de voordeur, dit is de gang, de kapstok, hier achter wil je straks misschien wel liggen, een heel fijn hoekje voor een mand. En kijk daar, door het glas zie je hem al staan, je nieuwe baasje, niet schrikken, ik houd je even achter mijn rug zodat hij je nog niet ziet. ‘Gefeliciteerd’, roepen mijn zus en mijn vriendin, min of meer in koor, en ik roep het daarna ook: ‘Gefeliciteerd.’

In de keuken hangt een slinger, ik vermoed dat mijn vader hem zelf heeft opgehangen, dat doet hij elk jaar. GUTE GEBURTSTAG, iedere letter een andere kleur. Mijn vader komt naar ons toe geslenterd, wij lopen hem tegemoet, mijn moeder verschijnt vlak achter hem. Ze knipoogt naar me. Ik knik, ja, het is gelukt, en precies op het moment dat mijn vader een hand op mijn schouder legt, en zich naar me toe buigt om met zijn andere hand een stevige handdruk te geven, klinkt er een miauw. Kort, aarzelend, maar duidelijk hoorbaar. ‘Goed’, zeg ik snel, ‘we hebben een cadeau voor je, met zijn allen. We weten niet zeker of je het wilt, hopelijk geef je het een kans. We vonden het in elk geval wel tijd hiervoor, dit huis heeft soms wel behoefte aan wat meer, tja, actie.’

‘Daar kan ik het moeilijk mee oneens zijn’, zegt mijn vader.

Ik haal de mand van achter mijn rug te voorschijn en probeer hem te openen, maar je beweegt weer zo wild heen en weer dat het niet lukt, mijn vriendin schiet te hulp, met een hand pakt ze je vast en overhandigt je aan mijn vader, die je onwennig in zijn armen neemt.

‘Van wie is deze?’ is het eerste wat hij zegt.

‘Van jou’, zegt mijn moeder.

‘Wat? Hoe komen jullie hieraan? Hier heb ik toch helemaal niet om gevraagd?’

Niemand reageert. We kijken alle vier zwijgend naar jou, in mijn vaders armen, ter hoogte van zijn borst. Jij kijkt naar hem. Grote zwarte pupillen, een druk bewegende staart, je draait van je buik naar je rug en weer terug. Uit het niets krab je aan zijn hand, een korte uithaal, geen bloed of snee te zien. ‘Au, idioot!’ Zoals hij mensen in het verkeer terechtwees toen hij nog buiten kwam, dezelfde toon, een levenslust die ik al tijden niet heb gehoord. Een moment ben ik ervan overtuigd: dit is zijn reactie op ons cadeau, op jouw aanwezigheid, we stappen over een paar minuten alweer in de auto en rijden terug. Maar hij zegt verder niets meer en laat je niet los, ook jij verroert je verder niet. Lang kijken jullie elkaar aan, allebei lijken jullie te wachten op een teken van leven, een signaal dat aangeeft hoe nu verder, waar nu heen.

‘En?’ vraagt mijn moeder. ‘Wat denk je ervan? Wil je haar?’

Nu is het mijn vader die zwijgt. Ik probeer iets van zijn houding af te lezen, van de blik in zijn ogen, van de slinger aan de muur, de keukentafel waaraan we de komende Kerst weer zullen zitten, de voorgedrukte Duitse vreugde die bij elke verjaardag van stal wordt gehaald. Ik kijk naar mijn moeder om na te gaan hoe zij erover denkt, naar mijn zus, naar mijn vriendin wier gezicht me ineens vreemd voorkomt in dit onveranderlijke decor, naar jou natuurlijk, en ik vraag me af hoe lang jij je dit moment zal herinneren, hoe jaloersmakend makkelijk je Breukelen waarschijnlijk zal vergeten en in een nieuw leven zal opgaan, mits het je wordt toegestaan.

Wanneer heeft mijn vader voor het laatst iets of iemand geaaid? Weet hij nog hoe dat moet? Niemand maakt geluid. Het is me onduidelijk wat dat betekent, of het een kortstondige oprisping is of iets wat een nieuw begin wordt genoemd – ineens lijkt het allebei te kunnen, van het ene op het andere moment voelt het alsof vrijwel alles mogelijk is en kan veranderen.

We blijven daar met zijn vijven staan, op de overloop van de keuken. Iedereen kijkt naar jou, iedereen wil zien wat er nu met jou gebeurt, en niemand durft de stilte te doorbreken.


Thomas Heerma van Voss (1990) is schrijver van onder andere de verhalenbundel De derde persoon en de roman Stern. Zijn meest recente boek is Plaatsvervangers, persoonlijke beschouwingen over muziek, bewondering en schaamte