Sport

Percipi

Binnen een week hebben we twee spirituele sportmomenten meegemaakt. Zondag maakte Klaas-Jan Huntelaar tegen Heracles een wereldgoal, en de woensdag daarvoor toonde Ruud van Nistelrooy zijn grote klasse door in blessuretijd het Nederlands elftal aan een overwinning op Albanië te helpen met een al even wonderschoon doelpunt.

Er waren overeenkomsten. Niet alleen dat ze plaatsvonden aan het einde van de wedstrijd, ook niet dat het uitwedstrijden waren, of dat het spitsen van grote klasse zijn. Zelfs niet dat de twee doelpunten werden gescoord met een indrukwekkende actie: bij Huntelaar een hele, klassieke, omhaal (een Fallrückzieher) en bij Van Nistelrooy een halve. Nee, het belangrijkste wat deze twee glorieuze momenten verbindt is het volgende.

Ajax en Oranje speelden een moeizame wedstrijd, waarin bijna alle aanvalspogingen strandden. Er werden nauwelijks kansen gecreëerd. De spitsen werden niet bediend vanaf de vleugels, en ook niet vanaf een andere kant. Ze kregen geen bruikbare bal en konden zich dus niet manifesteren. Ze leken niet aan het spel deel te nemen. Ze werden niet bereikt, niet ‘gevonden’, zoals dat heet. Ze waren, schreven de kranten, ‘onzichtbaar’. Tot het moment dat ze toesloegen, toen waren ze er wél. Vanuit de onzichtbaarheid scoorden Huntelaar en Van Nistelrooy. Om vervolgens weer onzichtbaar te worden.

Dat bewijst hun klasse. Twee wereldgoals. Vanuit de onzichtbaarheid.

Als Huntelaar nog tien minuten langer onzichtbaar was geweest, had zijn doelpunt nog mooier kunnen zijn. Want hoe intenser, groter, overrompelender de onzichtbaarheid, hoe grootser het moment van even, tóch, plots zichtbaar worden, dat bestaat uit het scoren van een wereldgoal.

Hoe trainen ze daar op?

Het is moeilijk om als spits onzichtbaar te zijn, en te blijven, maar als het lukt is het jouw dag. De tegenstander houdt steeds minder rekening met je, vergeet je, laat je vrijer en vrijer. Je medespelers twijfelen of je er nog wel bent. De coach telt de shirts op het veld: is Klaas-Jan er nog wel? De scheidsrechter overlegt met de vierde official: is er iets aan de hand?

Er is niets aan de hand. De spits is gewoon onzichtbaar. En dat is goed. Alleen de allergrootsten kunnen dat, en het zijn altijd spitsen; verdedigers beheersen de kunst van het onzichtbaar zijn – en blijven – niet of nauwelijks. Die zijn ook meer gebaat bij zichtbaarheid.

Om meer inzicht te krijgen in de betekenis van dit verschijnsel moeten we terug naar het Oude Testament. En God. De God van het Volk Israël is een onzichtbare God. Per definitie. Hoe graag Zijn Volk Hem ook wil zien, het kan niet, op straffe van de dood. (Exodus 33:20: ‘Gij zoudt Mijn aan-gezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.’) De aanhangers van Jahweh vinden het moeilijk om te blijven geloven in een God die ze niet zien maar die wel allerlei onheil over ze brengt. Die toornig kan zijn en straft. Toch doen ze het. De kracht van Jahweh is zo groot dat zijn volgelingen blijvend in Hem geloven.

De onzichtbare spits maakt de tegenstander onrustig (‘Jij dekt Huntelaar. Wie?’). De fotografen kunnen hem niet vastleggen. Supporters in verwarring. Die kwaliteit bezitten slechts weinigen. Ling had het. Cruijff in zijn beste dagen. Het is een grote asset. Iedereen wil een spits kopen die onzichtbaar kan zijn en van daaruit scoort.

Dan komt het Nieuwe Testament, met Jezus Christus. In hem krijgt God een gestalte, wordt zichtbaar. In zijn brief aan de Kolossenzen (1:15) schrijft Paulus over Jezus: ‘Beeld van God, de onzichtbare, is hij’. Waar de kracht van Zijn Vader juist lag in Zijn onzichtbaar- en onbeschrijfbaarheid, moest zoon Jezus het van andere dingen hebben. En het ging dan ook mis. Er waren wonderen en andere trucs nodig om de boel nog een beetje bij elkaar te houden. Een zichtbare God is een halve God.

De doelpunten van Huntelaar en Van Nistelrooy bevatten scherpe cultuurkritiek. Het zijn spirituele daden, die getuigen van een soort transcendentie die we bijna niet meer kennen. De spitsen houden ons een spiegel voor en spreken ons geweten aan. Ze zagen aan de fundamenten van onze cultuur, die is gebaseerd op zichtbaarheid, waar Zijn betekent zichtbaar zijn. Wij geloven in Berkeley en zijn Esse est percipi, ‘Zijn is waargenomen worden’. Wij moderne mensen vergeten dat er meer is dan de -zintuiglijk waarneembare realiteit. Of -interesseert het ons gewoon niet. Wat moeten we met zaken die we niet direct kunnen ervaren? Die leveren ons toch niets op?

Dus wel. Tegenover alle overschatte zichtbaarheid van het materialistische Westen plaatsen Huntelaar en Van Nistelrooy hun onzichtbaarheid. Niet waargenomen worden representeert een -toestand van niet-zijn, van on-zijn, van nietsheid. En van daaruit dus scoren.