Percipi

Sommige mensen gaan naar Bommel om de brug te zien, anderen trekken naar Berlijn om de biënnale te bekijken. Zoals ik. En anders dan ze zeggen, is wat je van ver haalt niet per se lekker, of interessant.

Maar ik trok dus naar Berlijn en ging de biënnale bekijken. Want biënnales zijn altijd de moeite waard. Ze laten iets zien van wat er op dat moment gaande is in de kunst, en daarmee in de wereld. Dat hoop je, tenminste.

Zoals ik dat ook hoopte, toen ik naar het Haus am Waldsee toog, inderdaad een Huis aan een Bosmeer – tje. Een bosmeertje. Met water, steigers, trappetjes en waterfietsen. En nog meer Hauzen.

In dat ene Haus was de kunst, en het was misschien een goed idee om het maar één keer in de twee jaar te doen. Soms voel je het al voordat je naar binnen gaat: dit gaat ’m niet worden… In het Duits klinkt het weliswaar scherp – 16 schwarze MDF Platten mit einer gelb bemalten Seite, 20 schwarze MDF Platten mit biologischem selbsthärtendem Öl, 24 recycelte Plastikplatten, 60 Holzwirbel, die die Platten verbinden; jede Platte 29 x 18 cm, 113 x 162 x 20 cm – maar als je gewoon kijkt met je ogen zie je gewoon een geometrische constructie van een hoop rechthoekige stukken hout en plastic zonder enige uitstraling, zo dood als een pier en zo mooi als dood bier.

Natuurlijk is dat flauw, maar dit werk was exemplarisch voor het geheel. Nee, dit ging ’m niet worden, vandaag. Het ging niet verder dan voor de hand liggende monochromen, voorspelbare mozaïeken, onbegrijpelijke video’s en wat onduidelijke geluidswerken. Dezelfde dingen als altijd, dezelfde eeuwenoude shit.

Het was zo’n moment dat je je afvraagt waarom je niet ergens naartoe bent gegaan om iets anders te zien, een brug bijvoorbeeld.

In het oog sprongen ook nog vier boomachtige structuren die waren opgetrokken uit met zilververf bespoten toast. Jawel, toast. Want de kunstenaar had een ‘speciale band met toast als materiaal’ voor een sculptuur. Omdat toast het laatste stadium van brood is, zelfs te koop bij de benzinepomp. ‘Die Arbeit reflektiert das Verhältnis zu unserem Körper und unsere Seele’, meende het bordje oprecht.

Je vraagt je af waarom je er naartoe gaat. Maar gelukkig is Duits zo’n mooie taal dat je kunt lezen waarom je hier ook al weer bent. Want de biënnale brengt internationale kunstenaars bijeen, ‘die sich mit den Überschneidungen von grösseren historischen Narrativen mit dem individuellen Leben beschäftigen’. En dat is altijd leuk, natuurlijk.

Maar het was helemaal niet leuk. De schoenen gemaakt van damestasjes niet. De hamer van leer niet. De schilderijen waarvan de achterkant én de voorkant werden getoond evenmin. Gaap.

Maar uiteindelijk zag ik iets moois. Het hoorde dan ook niet bij de biënnale, maar bij de collectie van het Haus am Waldsee. Het was een site specific werk van Simon Faithfull. Een verlegen fontein. Zo heet het werk ook, Shy Fountain. Het werk bevond zich in het Bosmeer, vlak bij de oever. Recht tegenover de plek waar ik zat.

Ik keek naar het meer. En zag geen fontein. Dat klopte, want het was een verlegen fontein. En verlegen fonteinen, die zijn schuchter en bang voor mensen. Als ze mensen zien, trekken ze zich terug, verstoppen zich, ergens, onder water misschien. En als iedereen weg is, komen ze weer te voorschijn.

Het was mooi. Het werk bestond alleen als er niemand in de buurt was. Of als er niemand in de buurt leek te zijn. Als je heel stil en geduldig bleef wachten, zag je na een tijdje de fontein heel voorzichtig beginnen te werken. Maar zodra er iemand aan kwam lopen, of zodra je met je ogen knipperde, was het weer afgelopen.

Het was mysterieus. Vervreemdend. Verrassend. Poëtisch.

Bestaat iets als het niet wordt waargenomen? Esse est percipi, wist Berkeley al. Die vraag is nog steeds de fundamenteelste van alle zijnsvragen. Vraag maar aan de verlegen fontein.