Michael Jackson en zijn aap

Perfecte tafelmanieren

Chimpansee Bubbles was voor Michael Jackson een goede surrogaat voor mensen, met wie de in zijn jeugd beschadigde zanger geen wezenlijke relaties kon hebben. De aap als enige vriend, in smoking soms.

22 december 1987, Los Angeles. Michael Jackson en Bubbles de chimpansee tijdens het maken van de video Moon Walker © Polaris / HH

Wat je ook vindt van Michael Jackson, het is belangrijk te onthouden dat Joe Jackson zijn vader was.

Stel je Gary, Indiana voor, ergens in de vroege jaren zestig. Als tiener wilde Joe Jackson bokser worden, maar hij was niet goed genoeg. Als twintiger wilde hij het als muzikant maken in Motown, maar hij had geen talent genoeg. Zijn middelbare school heeft hij niet afgemaakt. Dus werkt hij in een van de vele staalfabrieken in Gary. Langzaam begint de industrie minder te worden, uit het buitenland komt goedkoop staal binnen. Met zijn vrouw Katherine, zijn tweede, heeft Joe negen kinderen. Negen hongerige monden, negen kinderen die elke dag naar school gebracht moeten worden, die niet op slechte plekken terecht mogen komen, drie meisjes, zes jongens – een tiende kind stierf kort na de geboorte. Iedereen staat ’s ochtends vroeg op, iedereen doet mee in het huishouden. De kinderen mogen na schooltijd niet met andere kinderen spelen. In de winter zit het gezin ’s avonds rond de oven in de keuken, om warm te blijven.

Als het geld op is, heeft Joe een tweede baantje bij een aardappelverwerkingsbedrijf. Hoe het logistiek mogelijk is, is onduidelijk, maar alsnog heeft hij tijd voor een hele rits buitenechtelijke affaires.

Op een dag wordt er aangebeld, Katherine doet open, en tegenover haar staat een duo dat haar graag iets wil vertellen: het goede nieuws. De boodschap komt bij haar aan: de armoede, het harde werken, Joe’s overspel, Joe’s agressie, al dat lijden wordt in het hiernamaals beloond. Vanaf dat moment is Katherine lid van de Jehova’s getuigen, ze begint ook langs de deuren te gaan. Ze sleurt haar oogappel mee, Michael.

Joe gelooft niet in God, hij gelooft in hard werken en discipline. En zoals zijn vader uitdeelde, deelt hij uit. Later zou hij in interviews zeggen dat zijn kinderen zich niet moeten aanstellen; hij sloeg nooit met de vuist. Alleen maar met een riem of een lat.

Dan komt de dag dat de legende begint; in de autobiografieën van alle familieleden wordt de dag beschreven. De jongens houden van de nieuwe hippe soulmuziek die ze op de radio horen en Tito, de op één na oudste zoon, pakt stiekem zijn vaders oude gitaar en begint wat te spelen. Hij breekt een snaar. Joe breekt bijna Tito’s neus. Michael, de op één na jongste zoon, springt ertussen, Katherine ook. Tito zegt dat hij echt kan spelen. Joe zegt: ‘Okay, lemme see what you can do, smart guy.’

En verdomd. Tito kan spelen. En nog beter: Jackie, Jermaine en Michael beginnen mee te zingen. En ergens in Joe’s hoofd begint zijn droom uit te komen, by proxy. Zijn kinderen zullen zijn Motown-ambitie gaan vervullen. Hij zal ze managen. Later zegt Michael bij Oprah dat zijn vader toekeek hoe hij en zijn broers oefenden – met zijn riem al in zijn hand. Zit er een noot naast, vergeet een danspasje, let even niet op, en Joe slaat toe.

In een ideale situatie zouden de kinderen van Joe elkaar steunen, een front vormen, samen staan ze sterker tegenover hun vader. Maar dit is niet het ideaal; ze verraden elkaar, spelen elkaar tegen hun vader uit, zijn competitief. Michael is veruit de meest getalenteerde en zijn broers vergeven dat niet. Ze pesten hem, kraken hem af, geven hem nare bijnamen. ‘Big Nose’, vindt hij de ergste. Zie verder onder: plastische chirurgie.

Wat niet wegneemt dat de broers avond aan avond tegen elkaar aan slapen op de achterbank van Joe’s auto. Hij neemt ze mee naar talentenwedstrijden, naar open mic-avonden. Ze treden op in nachtclubs, tussen stand-upcomedians en strippers door. Gaandeweg belanden ze in de voorprogramma’s van Gladys Knight and the Pips, Jackie Wilson, The Temptations, en natuurlijk ‘the hardest working man in showbusiness’ James Brown. Al valt er iets voor te zeggen dat Michael, zeven, acht, negen, tien jaar oud, misschien wel een stuk harder werkt.

Ze pesten hem, geven hem nare bijnamen. ‘Big Nose’, vindt hij de ergste. Zie verder onder: plastische chirurgie

Philip Larkin dichtte (in april 1971, toen The Jackson 5 een hit had met Never Can Say Goodbye): ‘They fuck you up, your mum and dad/ They may not mean to, but they do.’ Maar wat nu als ze het wel menen? Joe zal later zeggen: doordat ik ze aan het werk zette kwamen ze niet in aanraking met armoede, misdaad en geweld. Je kunt ook zeggen: ze kwamen niet in aanraking met vriendjes, spelen en school. Michael heeft het het zwaarst. Hij deelt hotelkamers met zijn oudere broers die meisjes meenemen en naar hem snauwen dat hij onder de dekens moet gaan liggen met zijn handen op zijn oren. ‘Niet spieken!’ Vele jaren later zal Michael erover vertellen dat hij dat de ergste ervaring uit zijn leven vond. Seks. Twee van zijn zussen rebelleerden wel tegen Joe door van huis weg te lopen en sekssymbolen te worden: Janet door veel over seks te zingen, La Toya door voor de Playboy te poseren. Ook daar gruwde Michael van.

Dit is wat je kunt leren van de Jackson-familie: geld maakt niet gelukkig, talent maakt niet gelukkig, plastische chirurgie verandert je zelfbeeld niet of nauwelijks, ouders hebben niet het beste met hun kinderen voor, broers niet met hun zussen, en broers onderling niet met elkaar (wanneer Michael zijn eerste kind Prince noemt, noemt Jermaine zijn eigen zoon Jermajesty).

In augustus zou Michael Jackson zestig zijn geworden; hij overleed in 2009. Een paar jaar terug nog werd Joe Jackson opgenomen in de R&B Music Hall of Fame en kreeg hij een prijs voor zijn humanitaire werk. Hij overleed vorige maand, 88 jaar oud.

Het bekendste kunstwerk dat er van Michael Jackson is gemaakt is niet te zien in On the Wall, de zomerblockbuster-tentoonstelling die net in de National Portrait Gallery in Londen is geopend.

Dat kunstwerk is van Jeff Koons: een bijna levensgroot keramieken beeld van Michael die ontspannen achterover leunt op een bloemenbed, met op schoot zijn tamme chimpansee, Bubbles. Ze dragen allebei hetzelfde generalissimo-achtige uniform van goud en wit. Michaels haar is ook wit met goud, Bubbles’ vacht is goud. Hun monden zijn gek rood, getuit, gestift. Bubbles kijkt bijna schalks uit zijn ooghoeken.

Het werk maakte deel uit van Koons’ Banality-serie uit 1988, waarin hij een aantal beelden uit de Amerikaanse popcultuur nam en die als christelijke iconen afbeeldde; Michael en Bubbles stelden een piëta voor. Het kitscherige keramiek was een knipoog naar de massaproductie die op plekken als Lourdes in enorme hoeveelheden aan (goed)gelovigen wordt gesleten. Het was volgens Koons – zoals alles van Koons – een parodie op de mediacultuur waarin popsterren als goden worden behandeld. Koons maakte drie versies van het beeld, eentje staat er in het museum voor Moderne Kunst in Oslo, eentje in dat van San Francisco en het derde werd in 2001 aan een particulier verkocht op een veiling, voor 5,6 miljoen dollar. Het zal nu een veelvoud daarvan waard zijn.

Michael Jackson and Bubbles staat niet op de tentoonstelling in Londen omdat het te kwetsbaar zou zijn om te vervoeren, maar het is wel in gedachten aanwezig. Koons was duidelijk een voorloper van een legioen andere kunstenaars die iets met Jackson wilden doen. Er hangen twee muurgrote foto’s van glamourfotograaf David LaChapelle, waarbij Michael 1) op een knalrode satan staat, met een zwaard in zijn hand en vleugels op zijn rug en 2) in de armen van een behoorlijk afgetrainde Jezus Christus ligt. (‘We persecuted him. Every person who ever bought a tabloid or watched the news, we all contributed to his death by taking in that form of gossip.’) Er hangt een schilderij van Kehinde Wiley zo groot als een garagedeur, waarop Michael op een paard zit, cherubijntjes zweven boven zijn hoofd, hij heeft een zwaard, een cape en een gouden harnas waar zelfs Louis Quatorze zich een petit peu opgelaten in zou hebben gevoeld. Er is een zaal met verschillende kunstwerken waarin je alleen de ogen van Michael ziet (je herkent hem alsnog). Uiteraard hangen Andy Warhols replica’s van Jackson er.

Vorige week bezocht Madonna de tentoonstelling. Zij en Michael scheelden dertien dagen, zij wordt volgende maand wél zestig. Ze had een foto meegenomen van zichzelf, hand in hand met Michael, ergens uit de jaren tachtig: zij verkleed als Madonna, hij verkleed als zichzelf, met een pilotenbril op en een gouden cavaleriepakje aan. Ze stralen allebei op de foto, de wereld aan hun voeten.

Bubbles was Michaels beste vriend. Dat is vast gechargeerd om te zeggen, maar toch. De Amerikaanse cultuurcriticus Hilton Als schreef dat Michael wel andere vrienden had, zoals Diana Ross, maar eigenlijk waren zij geen vrienden; Ross was zijn ‘beard’, zijn dekmantel die moest verhullen dat hij geen wezenlijke relaties met mensen kon hebben.

Maar Bubbles was een goed surrogaat. Toen Michael Bubbles kreeg in 1983 was die acht maanden oud: hij was eerder dat jaar geboren in een onderzoeksfaciliteit in Austin, Texas. Meteen waren ze onafscheidelijk. Bubbles ging mee op wereldtournee, dronk thee met de burgemeester van Osaka, zat in de studio toen Bad werd opgenomen. Hij sliep in een kribbe in Michaels slaapkamer, droeg speciaal op maat gemaakte kleren, at mee aan tafel.

Tot dan toe was Michael Jackson nog redelijk normaal, voor Hollywoods doen, maar met de komst van Bubbles veranderde er iets in hoe hij door de media werd gezien. Uit die tijd, halverwege de jaren tachtig, stamt de hardnekkige bijnaam Wacko Jacko (toen Michael stierf was de kop van een Britse tabloid ‘Wacko Jacko Heartattacko’). Van excentriek veranderde hij in wereldvreemd.

Elizabeth Taylor schreef dat als Bubbles met Michael mee naar een feest kwam, Bubbles ‘the life of the party’ was

In showbizzmemoires van die tijd duikt Bubbles steevast op. Countryzanger Kenny Rogers schreef dat Bubbles ‘zo menselijk [was] dat het bijna beangstigend was. Hij nam mijn zoon bij de hand, nam hem mee naar de koelkast, opende de koelkast, pakte een banaan en gaf hem aan mijn zoon. Het was geweldig.’ Muziekproducent Quincy Jones zei: ‘Bubbles is leuker dan heel veel mensen die ik ken. Ik zat ooit bij hem aan tafel bij een huwelijk. Hij droeg een smoking. Hij heeft perfecte tafelmanieren.’ Elizabeth Taylor schreef dat telkens als Bubbles met Michael meekwam naar een feestje, Bubbles ‘the life of the party’ was.

Nu kan het zijn dat die artiesten simpelweg het spel meespeelden en ze hun lezers wilden vertellen wat die wilden horen, maar Michael hield altijd vol. Tijdens de grote rechtszaak over vermeend kindermisbruik in 2005 verklaarde Michael onder ede dat Bubbles zijn beste vriend was en hem hielp met het huishouden. (Zijn huishoudsters werden tijdens de rechtszaak ook geïnterviewd; die zeiden niet onder de indruk geweest te zijn van Bubbles’ huishoudvaardigheden.)

In het geweldige essay On Michael Jackson, dat voor de tentoonstelling opnieuw is uitgegeven, schrijft Margo Jefferson dat Michael van kinds af aan een ‘adolescent en een volwassen impersonator’ was. Vanaf het moment dat Joe Jackson ontdekte dat zijn jongste zoon kon zingen en dansen, had Michael geen jeugd meer, geen puberteit, geen privacy. Opgroeien voor het oog van de camera is onmogelijk. Jefferson schreef haar essay-op-boeklengte toen Michael nog leefde en voor kindermisbruik werd aangeklaagd. Het boek neemt zo nu en dan de vorm van een apologie aan: ‘We praten erover hoe we denken, geloven, en vermoeden dat Michael Jackson kinderen behandelt. We praten nooit over hoe wij kindsterren behandelen.’

Vanuit die verpeste jeugd wordt vaak verklaard dat Michael aan een Peter Pan-syndroom zou hebben geleden, dat hij nooit wilde opgroeien; zijn ranch heette nota bene ‘Neverland’. Bubbles zou daar een uiting van zijn, een levend knuffeldier.

De werkelijkheid is waarschijnlijk net iets anders. Inmiddels weten we dat Michael onder ede loog. In 2005 had Michael Bubbles al lang weggedaan, naar een centrum in Californië gespecialiseerd in grote aapachtigen. Bubbles was inmiddels wat ouder en opstandiger en Michael durfde de chimpansee niet onbewaakt in de buurt van zijn kleine kinderen te laten komen. Jarenlang was hij met andere apen gefotografeerd; hij deed net alsof die apen Bubbles waren.

Vóór alle grandeur die Michael wilde uitstralen was hij een man die – je ziet het in de schaarse interviews die hij gaf – oogcontact bijna niet kon verdragen. Hoewel hij hoeden droeg, gouden pakken, alles zo extravagant mogelijk, was zijn verlegenheid absoluut. Een aap was daarom het beste alibi. Chimpansees hebben een goed geheugen. Hun vermogen gezichten te herkennen is verbluffend, hun vermogen stemmen te herkennen nog beter. Ze kunnen gedrag kopiëren en toneelspelen: als sociale zelfbewuste dieren begrijpen chimpansees hoe ze moeten overkomen op anderen om sympathie te winnen. Er zijn talloze voorbeelden van apen die zich in het zicht van andere apen zieliger, gewond of zwakker voordoen, en wanneer de apen niet kijken vrolijk rondspringen. Bubbles kon socialer zijn dan Michael zelf.

Freud schreef dat we sommige angsten niet kunnen overwinnen of relativeren; het beste wat we kunnen doen is die angsten te onderdrukken, maar ze zullen altijd terugkeren in andere gedaantes. Daarom was Freud ook zo geïnteresseerd in kunstenaars, omdat hun kunst zoveel onthulde. Wie naar de videoclips van Michael kijkt ziet eindeloze weggedrukte fantasieën. Michael verkleedt zich als macho (Bad, Beat It, Smooth Criminal), als monster (Thriller), als minnaar (Remember the Time, You Are Not Alone) – allemaal dingen die hij niet was. Het hele oeuvre van Michael Jackson draait om maskers, om make-up, om gekke outfits, om buffers tussen hemzelf en de wereld, om dingen die afleiden van de werkelijkheid; Bubbles was de perfecte bliksemafleider, het ene gezelschap dat gekker was dan hij ooit zou zijn.

Bubbles zit nog steeds in het centrum voor aapachtigen. Hij is pas 35; chimpansees kunnen zestig worden. Volgens de website houdt hij van schilderen en van fluitmuziek.

In de National Portrait Gallery hangen twee kunstwerken van Bubbles. Eentje is van de Amerikaanse Louise Lawler. Het is een grote foto van mensen die zich vergapen aan het kunstwerk van Koons op de Sotheby’s-veiling van 2001. Het moet een commentaar zijn op hoe kunst wordt omgezet in geld. Het andere werk is van de Amerikaanse Paul McCarthy. Het beeld is nog grover, grotesker dan dat van Koons. De hoofden van Michael en Bubbles zijn kolossaal, gifgroen, gemaakt van piepschuim.

Als je door de tentoonstelling loopt verdwijnt Michael. Ervoor in de plaats komt de King of Pop. Dat wil zeggen: sommige werken zijn camp, andere mooi, onderzoekend, maar geen van de kunstenaars heeft Michael menselijker gemaakt, kleiner, intiemer. Geen kunstwerk is cynisch, maar zelfs in hun pogingen hem te verdedigen tegenover wat de wereld van hem vond, maken de kunstenaars hem abstracter, symbolischer, nog meer een icoon dan hij al was.

Het mooiste werk hangt in een zaal apart, helemaal aan het einde van de tentoonstelling. Het werd gemaakt door de Zuid-Afrikaanse kunstenares Candice Breitz. In de zaal hangen zestien grote tv-schermen, waarop zestien mensen zijn te zien. Via oproepen in Duitse kranten zocht Breitz mensen die zichzelf identificeerden als ‘de grootste Michael Jackson-fans’ en vroeg hen, op camera, a capella het hele album Thriller mee te zingen. Dat doen ze. Sommigen vol overgave, met danspasjes, anderen kijken bijna apathisch voor zich uit terwijl ze zingen.

Als toeschouwer hoor je hen allemaal tegelijk zingen, maar je hoort niet de muziek. Je ziet alleen de mensen, verbluffend intiem. Je hoort ze hijgen, tussen de coupletten door, hoort ze vaak onzeker de talloze ‘yeah’s!’ eruit persen en de karakteristieke ‘hihihi’s’ meezingen als in: Billy Jean Is Not My Lover, hihihi. Het is geen aapjes kijken (no pun intended), hun passie voor Michael Jackson is volkomen oprecht. Ze staan daar heel kwetsbaar voor je, Breitz toont hen op hun menselijkst. Zo kan Michael blijkbaar alleen dienen als geleider voor de menselijkheid van anderen; die van hem is definitief verloren.


On the Wall is tot 21 oktober te zien in de National Portrait Gallery in Londen