Performing poets

Sommige dichters zijn het zat. De standaardbriefjes van uitgevers, het eenzame geploeter. Ze zoeken de pop- en rappodia op. ‘Muziek en poëzie moeten uiteindelijk samenkomen tot een totale show.’
JE ZOU ER nostalgisch van worden. Of, erger nog, je zou je oud gaan voelen. Maar het is niet anders, en het moet maar gewoon gezegd: vroeger was het beter. Vroeger, dat is een jaar of tien, vijftien geleden, was de poëzie in Nederland een levendig, voortdurend veranderend festijn. Er werd gepolemiseerd, er werden manifesten geschreven en luidkeels gepresenteerd, kranten en tijdschriften gaven gul ruimte aan dichters en hun ideeën.

Het was niet alleen Maximaal wat in de tweede helft van de jaren tachtig voor opwinding zorgde. Talrijk waren de dichtersavondjes, schrijfcommunes, literaire tijdschriften en vurige debatten. Ja, men ging zelfs weleens op de vuist of gooide een bord eten in iemands nek - voor een of andere goede zaak, voor een of ander principe.
Het stierf van de jonge dichters en de hemelbestormende schrijftalenten. Er was permanent iets ‘aan de hand’ in de poëzie. Garagedichterscollectieven, eigen-beheeruitgeverijtjes, stencilkunst, tot diep in de nacht uitlopende performances, poëtische jamsessies, klankdichters bulderend in de buitenlucht… alles kon, alles mocht en alles gebeurde.
Het moet ergens zijn misgegaan. Nu, in 1996, is er nauwelijks nog iets over van die tijd vol dadendrang, opportunisme en ideeënrijkdom. Het klimaat van dit moment is niet te vergelijken met dat van tien jaar geleden. Er zijn maar weinig podia, waar nog minder (jonge) dichters op wensen te springen. Een verregaand pragmatisme heeft zich meester gemaakt van de schrijver. Hij is verzakelijkt en denkt wel twee keer na voor hij voor niks op een podium gaat staan.
OP EEN OF andere manier valt zijn naam steeds als het over 'jonge dichters’ gaat. Olaf Zwetsloot is inderdaad nog jong, en inderdaad dichter. Al jarenlang.
Zwetsloot: 'Ik identificeerde me helemaal met het dichterschap, al was het maar in mijn hoofd. Op een gegeven moment begon het me echter te frustreren, omdat ik niet de respons kreeg die ik verwachtte en waar ik op hoopte. Ik merkte dat ik zuur werd. Van uitgevers kreeg ik alleen een standaardbriefje, verder niks. Geen bemoedigend woord, geen inhoudelijke kritiek. Er kan niks af wat dat betreft. En omdat de kritische dialoog die ik meende nodig te hebben, ontbrak, stopte ik met het schrijven van poëzie.
Ik ben nu weer begonnen, en het gaat prima. Ik verwacht niet meteen dat een uitgever me zal bellen, dat komt vanzelf wel een keer. Of ik wil debuteren? Ja natuurlijk, daar ben ik ook al een tijd mee bezig, maar pas op het moment dat ik denk: dit is goed genoeg. Dan pas.
Ik ben muzikant, jazzsaxofonist. De optredens die ik als muzikant geef, en die als dichter, komen steeds meer in elkaars richting. Muziek en poëzie moeten uiteindelijk samenkomen tot een totale show, met muzikanten, met gedichten. En met mijn eigen muziek. Het gaat me erom een nieuwe definitie te vinden van het dichterschap.
Als dichter moet je iets van je optreden maken. Ik doe het het liefst zo min mogelijk van papier. Je moet proberen voor het publiek te staan alsof je het allemaal ter plekke verzint, dat wil ik bereiken. Ik ben erg voor het orale. Hoeveel optredens mislukken er niet doordat mensen naar de bladzijden staan te staren? Ik geloof erin om als een verhalenverteller voor de zaal te staan.
Wat die coup op de Nacht van de Poëzie betreft: ik ben echt niet tegen oude mensen, wel tegen hun alleenheerschappij. Tegen de starheid, de onwil om de grenzen van de dichtkunst op te rekken of te overschrijden. De sfeer in de Nederlandse poëzie is heel ontmoedigend. Ik heb sterk het vermoeden dat er een bastion is van oudere mensen die de deur gesloten houden en er genoeg aan hebben zichzelf te bevredigen. Veel te gemakkelijk roept iedereen dat er geen jonge dichters zijn. Je moet mensen ook eens een compliment geven, een steun in de rug. Het is goed als jonge mensen leren hoe het is om voor zo'n publiek te staan. Het is per slot van rekening de Nacht van de Poëzie, niet de Nacht van de Poëzie boven de 58 jaar.’
EEN VAN DE weinige interessante podia voor poëzie is op dit moment Hotel Winston, Warmoesstraat 123 in Amsterdam. Het is nota bene een Pool die het op zich heeft genomen de hoofdstad te verrijken met een dichtersclub. Jacek Nichs (1961), een zeer serieus en gedreven mens, organiseert elke maandagavond een poëzieavond. In The Kingdom, zoals het café heet, staan op een bescheiden podium een piano, versterkers, boxen en een microfoon. Wie wil, mag voordragen. Vrijwel altijd is het vol, zowel met dichters als met toeschouwers.
Nichs: 'Op mijn negentiende begon ik in Wroclaw een poëziegroep, Torpedo. Het ging ons om een nieuwe literatuur, we wilden een nieuwe taal ontwikkelen, als dichters anders communiceren. Toen kwam Jaruzelski met zijn oorlog, in 1981. Wij besloten dat in die omstandigheden poëzie niet het beste middel was om onze respons op de tijdgeest uit te drukken. We werden een filmgroep. Ik ging acteren, een andere dichter werd regisseur, weer een andere cameraman.
We waren onafhankelijk, en gebruikten overheidsgeld om anti-overheidsfilms te maken. In korte tijd waren we de underground-cinema van Polen en kregen we prijzen. Mijn vrienden van toen zijn verdergegaan in de film, maar ik ben dichter gebleven. Poëzie is voor mij het belangrijkste middel om artistiek te overleven, niet acteren. Een dichter creëert, in tegenstelling tot de acteur, die alleen maar herschept.’
Nadat hij in het begin van de jaren negentig naar Amsterdam was getrokken, begon Jacek Nichs als dichter een samenwerking met de componist Mark Poysden (1962). Hun project noemen ze 'technopoetry’, een synthese tussen poëzie en moderne geluidskunst. Nichs: 'Ik heb nooit veel gezien in lyrische poëzie, of de traditionele manier van dichten. Ik zoek het experiment. Voor mij is poëzie het middel, niet het doel. Aan de ene kant tot spirituele groei, aan de andere kant tot communicatie. En communicatie is een vorm van het goddelijke. De taal en literaire vormen zijn instrumenten, het doel ligt ergens anders. Dat is ook de sleutel tot een succesvolle performance.’
Mark Poysden is geen 'gewoon’ componist. Hij werkt voornamelijk met samples, dingen die hij opneemt en in een andere context hergebruikt. Met behulp van analoge en digitale middelen zoekt het tweetal naar een nieuwe manier om poëzie op de planken te brengen. Nichs en Poysden leggen zich toe op de defragmentering en vervorming van klanken, waaronder de menselijke stem, die van de dichter Jacek Nichs.
Ze hebben al veel optredens gegeven, ondermeer op het Crossing Border Festival. Ze willen iedere performance uitbouwen met nieuwe opnamen, technieken en nieuwe media, totdat er uiteindelijk een grootschalige techno-opera is geboren.
EEN ANDER tweetal dat een symbiose tussen moderne muziek en poëzie nastreeft: DJ Dano & Serge van Duijnhoven. Dano maakt dansmuziek, en Van Duijnhoven maakt in de voordracht dankbaar gebruik van de bloedstollende beats en opgeschroefde ritmes. Ook een nieuwe weg voor de poëzie?
Dano: 'Het is erg leuk. Veel van mijn collega’s vinden het raar wat ik met Serge doe, maar raar vonden ze me toch al. Ik denk dat er in zo'n samenwerking iets ontstaat dat meer is dan de som der delen. Voor mij is het spannend om te doen, en voor Serge ook. Kom maar eens kijken. We treden dit jaar op op Lowlands Paradise, het popfestival. Daar gaan we een hele show voor maken, speciaal voor die avond.
Vorig jaar hebben we op Poetry International een optreden van drie kwartier gegeven. In de studio hebben we met Mustafa Stitou, Pieter Boskma, Marieke Barnas, Ludo Blok en Serge teksten opgenomen. Daar heb ik samples van metrogeluiden en flipperkasten en zo bij gemaakt. Op het podium was het met een rookmachine, stemvervorming en dergelijke een geweldig spektakel.’
Vrijwel onzichtbaar voor de gevestigde orde bestaat er in Nederland een hele wereld van performing poets, dichters die van hun voordracht meer willen maken dan alleen een kwartiertje ingetogen voorlezen uit eigen werk. Rudolph Korsten heeft met de mensen van Rottend Staal uit Groningen de organisatie Performing Arts Foundation opgezet. Het doel is een catalogus van Nederlandse podiumdichters samen te stellen: die schrijvers die nog niet 'groot’ zijn, maar wel actief op de podia. Contacten, contracten en promotie kunnen dan voortaan centraal worden geregeld.