De wederopstanding van de cultuur van het narcisme

Permanent glimlachen

In 1979 drukte Christopher Lasch met een dreun een stempel op het leven van zijn Amerikaanse landgenoten. Hij hekelde hun hedonistische, materialistische zelfliefde. Anno 2014 is ‘narcisme’ opnieuw de grote zondebok. Iedereen schreeuwt op Facebook en Twitter om aandacht.

Ik begin met ik. Dat lijkt me wel passend als we het over narcisme en de huidige 24/7-mediacultuur gaan hebben. Ik fietste duizenden kilometers door het zuiden van Afrika, door de vlakke leegte van Botswana, door de nog legere woestijnen van Namibië, en de ongenaakbaar rotsige, kale landschappen van noordelijk Zuid-Afrika, tot Kaapstad aan toe, en vloog toen terug. Op Schiphol liep ik naar buiten. En voor het eerst in al die keren dat ik hier was, sloeg ik een arm voor de ogen, afwerend, zoals een celebrity die een paparazzo ontwaart. Maar het was een automatische afweer tegen het bombardement van de flikkerende beelden, en scherpe geluiden, van de videoschermen, en al die reclames eromheen.

Thuis vond ik op de mat onder meer een uitnodiging om te schrijven over The Culture of Narcissism, de bestseller van Christopher Lash uit 1979. En een meerdelige bbc-documentaire over ‘de religies van de wereld’. Ik deed de gordijnen dicht, zette de beamer aan, en bekeek de afleveringen over Jezus, Mohammed en Boeddha. Waarom? Narcisme is een term uit de psychoanalyse. Dus wat was hier de verborgen boodschap? Die lege woestijn? Dat sensorisch overdadige Schiphol? Zoeken naar een uitweg uit ‘de leegte’ van de overvolle mediamaatschappij van heden? Naar die niet eens zo verkapt religieuze behoefte aan een ander soort verlichting, aan gemeenschap, aan simpelheid ook?

Het opmerkelijke aan de grote goeroes van de afgelopen halve eeuw die zich met ‘de mediacultuur’ bezighielden, en er ook middenin stonden, is dat ze stiekem gelovig bleven of het later even stiekem werden, en niet protestants maar katholiek. De Canadees Marshall McLuhan (1911-1980) werd vanaf begin jaren zestig wereldberoemd met zijn boeken over ‘de media’, en vooral zijn slogans daarover zoals ‘The Medium is the Message’ en ‘The Global Village’. Zijn moeder was baptist, zijn vader methodist, hij bekeerde zich eind jaren dertig tot het katholicisme al liep hij daar niet mee te koop, slecht voor zijn lucratieve ‘business’ als goeroe in de antikerkse jaren zestig. Van kerkvader Augustinus had hij diens ‘engelentheorie’ overgenomen. Door de revolutie van de elektronische communicatie zouden de mensen op aarde engelen worden, altijd ‘alles’ wetend, en wel direct. Hijzelf was natuurlijk de engel Gabriël, de verkondiger. Maar dat ‘alles’ was niet veel, vreesde hij. Daarbij, wie moest er in dat nakende mondiale instant-communicatiedorp nog richting geven? Het antwoord gaf hij alleen aan intimi: het Vaticaan, dat moest toch de arbiter blijven van Gods woord en wijsheid.

Kunstenaar Andy Warhol (1928-1987) was de tweede held van de ongegeneerde mediaroem vanaf de jaren zestig. Zijn slogan: ‘In de toekomst zal iedereen beroemd zijn, vijftien minuten lang.’ Zijn eigen roem duurde langer dan twintig jaar. Hij liep altijd met een camera rond, schilderde, kiekte en filmde iedereen en alles. Maar zelf bleef hij, aldus de afgunstige Truman Capote, een ‘sfinx die geen geheim heeft’. Op één na. En dat hield hij lang goed verborgen, conform een van zijn slogans: ‘Als je je wilt verbergen, ga dan in de schijnwerpers staan.’ Pas tijdens de herdenkingsdienst na zijn dood sprak kunstcriticus John Richardson over Warhols katholicisme. Hij was ‘buitensporig devoot’ geweest. Bezocht elke dag de kerk van Saint Vincent Ferrer in Manhattan. Ofschoon fameus vrekkig, was hij in het geheim een weldoener. Volgens Richardson kwam dit niet voort uit een of ander sociaal bewustzijn of schuldgevoel, maar uit atavisme, belichaamd door zijn geliefde, heilige moeder Julia.

En Christopher Lasch (1932-1994)? Hij werd geboren in een intellectueel en streng seculier gezin, vader onderwijzer, moeder later filosoof én sociaal werkster. Lasch bewoog zich als intellectueel van bijna marxistisch links naar cultureel conservatief, altijd de wendingen in zijn denken openlijk besprekend. Daarom wordt zijn integriteit vaak geroemd.

Maar twee elementen bleven constant: zijn kritiek op het kapitalisme, en zijn kritiek op de ‘grenzeloosheid’, niet alleen van dat kapitalisme en zijn inherente eis van permanente groei, maar ook van de eisen die de eigentijdse mens stelde aan zichzelf en aan anderen. De mens was veranderd van ‘de economische mens’ in ‘de psychologische mens’. Eindeloos was die narcistische mens bezig met zichzelf, met zijn eigen ontplooiing en de instant-bevrediging van al zijn wensen, waar trouwens vooral anderen voor moesten zorgen: de winkels, de almaar in het dagelijkse leven verder doordringende staat en het groeiende leger van therapeuten.

Lasch wilde tegen het einde van zijn als gevolg van kanker tamelijk korte leven ontsnappen aan die eindeloze en destructieve en hebzuchtige zelfliefde van de Amerikanen – of het nu de linkse intelligentsia was of de Reagan-Republikeinen – door te pleiten voor een terugkeer naar een progressief populisme van de Mid-West waar hij was opgegroeid: eenvoud, gezin, werk, lokale gemeenschapszin, en vooral: geen luxe of genotzucht! Iemand zag hem in 1991 vlak voor een optreden, waar de door hem gehekelde radicale feministen en homoseksuelen hem opwachtten, buiten zenuwachtig een sigaret roken. Hij had nog nooit iemand dat met zó veel schuldgevoel zien doen. ‘We moeten het culturele conservatisme terughalen van de kapitalisten’, zei hij in die zaal. Boegeroep, zoals intussen gebruikelijk was bij de progressieve intelligentsia. De vraag die hem daarna kwelde was of daar niet een bezielend verband voor nodig was. In zijn werk vanaf de jaren zeventig was al een spirituele ondertoon te bespeuren.

In 1991, naar aanleiding van zijn laatste bij leven gepubliceerde boek, True and Only Heaven, werd hem in een interview gevraagd of hij überhaupt ergens nog ‘hoop’ zag, of een ‘morele visie’. Nou, luidde het antwoord, in de georganiseerde religie was er ‘niet veel’, maar ‘men vindt er wat lichtflitsen van in de katholieke traditie (…) Je zou zelfs kunnen zeggen dat de paus sommige van de beste inzichten geeft in de sociale kwestie.’ Hij doelde op paus Johannes Paulus II, dezelfde die in 1985 in Nederland met tomaten was bekogeld. Opmerkelijk voor een voormalige marxist met radicaal seculiere idealen.

In het openbaar liet Lasch zich nooit uit over de vraag of hij een gelovige was of niet. Na zijn dood bracht een vriend in herinnering dat Lasch als spreker op een evangelisch congres eens was gevraagd: ‘Bent u nou een gelovige of niet?’ Hij zou hebben geantwoord: ‘O, niet echt.’ Zijn vrouw, die de vraag hoorde, riep echter direct uit: ‘O, jazeker is hij dat!’ Het is echter niet iets waar hij beroemd om zou worden. Dat werd zijn op Marx en Freud gebaseerde cultuurkritiek, uitgedrukt in 1979 in dat etiket dat hem wereldberoemd zou maken, ‘de cultuur van het narcisme’.

Lasch schreef een zeer aanstekelijk, bijna agressief W.F. Hermans-achtig soort proza. Het werd een aanklacht, een ‘beschaafde hellepreek’
***

Narcisme is in de psychoanalyse een complex, want dubbelzinnig begrip, en tot de jaren vijftig een stiefmoederlijk bedeeld onderwerp. Freud had er maar één artikel aan gewijd, in 1914, ondergeschikt als hij het vond aan zijn theorie over drijvende krachten in de mens Eros en Thanatos, het libido en de doodsdrift. Het was de seksuoloog Havelock Ellis die in 1898 het woord ‘narcissus-achtig’ voor het eerst gebruikte, en wel om mensen aan te duiden die op hun kamertje excessief masturbeerden. De persoon werd hierdoor zijn/haar eigen seksobject. Paul Näche gebruikte het woord narcisme in 1899 als eerste in zijn studie naar seksuele perversieën. Otto Rank publiceerde in 1911 het eerste psychoanalytische artikel over narcisme, dat hij verbond met ijdelheid en zelfbewondering.

In de kunst is Narcissus een geliefd onderwerp geweest sinds deze figuur opdook in de Griekse mythologie. Bij de schilder Caravaggio zien we een jongeling naar een op hemzelf lijkend beeld in het water kijken. Oscar Wilde’s Dorian Gray wilde de eeuwige jeugd. Maar het is vanaf de Oudheid altijd onduidelijk gebleven wie die Narcissus, de jongeling die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld in het water, nu eigenlijk was, en wat er precies was voorgevallen.

Het beeld van overdreven zelfliefde en egoïsme overheerste in de geschiedenis. En zo gebruikte Daniel Boorstin het woord ook in zijn bestseller uit 1962, The Image: Or What Happened to the American Dream, een boek waaraan Lasch veel ontleende als het ging om ‘de mediacultuur’, net als aan On Photography uit 1975 van Susan Sontag. Boorstin hekelde de verwording van de Amerikaanse cultuur van echte faam en echte helden tot een cultuur van ‘pseudo-events’ en afgoderij van nep en namaakroem, mediaberoemdheden in het bijzonder. ‘As individuals and as a nation, we now suffer from social narcissism. The beloved Echo of our ancestors, the virgin America, has been abandoned. We have fallen in love with our own image, with images of our making, which turn out to be images of ourselves.’

Marshall McLuhan zou McLuhan niet zijn als hij twee jaar later, in Understanding Media, niet een heel andere uitleg van narcisme gaf. Zijn slogan ‘The Medium is the Message’ zou later volstrekt verkeerd begrepen worden, namelijk in deze zin: ‘Als je maar met je kop op televisie komt, de boodschap doet er niet toe.’ McLuhan bedoelde ermee dat de verandering van medium zijn boodschap was. Elk nieuw medium krijgt uiteindelijk niet alleen een andere inhoud dan het vorige, belangrijker is dat elk nieuw medium de hele maatschappij, en ook de mens zelf verandert.

En wat zou de blijvende werking zijn van de elektronische media? Verslaving. Volgens letterkundige McLuhan was Narcissus afgeleid van het Griekse woord narcosis. Narcissus werd niet verliefd op zichzelf, maar dacht dat de weerspiegeling in het water iemand anders was, en raakte daaraan verslaafd. De pointe: mensen worden meegezogen door elke extensie van zichzelf, in elk materiaal dat niet van henzelf is, slachtoffer van de afstomping waarmee de confrontatie met nieuwe media gepaard gaat.

***

Het geniale aan Christopher Lasch, die nog met de pen of op de typemachine schreef, was dat hij die hedonistische, materialistische zelfliefde van zijn tijdgenoten plaatste in een lange historische ontwikkeling, met als kern de vernietigende effecten van het moderne kapitalisme op mens en maatschappij. Hij combineerde de vervreemding van Marx met de neuroseleer van Freud, en herhaalde in 1979 wat zijn andere leermeesters van de Frankfurter Schule al vanaf de jaren dertig, toen ze op de vlucht voor Hitler in Amerika waren aangekomen, over de Amerikanen zeiden. Zo had socioloog Max Horkheimer, aldus Lasch veel later, de moed om zijn gedachten over de patriarchale familie – die hij in Duitsland had bestreden – bij te stellen toen hij naar Amerika emigreerde. Daar ontmoette hij namelijk ‘een type familie dat individuen leek te produceren die het ontbrak aan een gevoel voor doel of richting, niet in staat zich aan iets te binden of enige interesse op te brengen voorbij hun eigen directe genot, gedreven door slecht gevormde en tegenstrijdige verlangens, en ontbloot van enige band met het verleden of toekomst of de wereld om hen heen.’ Dat was toen al niet bijster origineel, maar Lasch nam deze visie over, en leerde van Horkheimer ook dat je je meningen kunt bijstellen als de empirische feiten anders worden.

In The Culture of Narcissism vatte Lasch veel samen wat al in vele decennia daarvoor tot een brede stroom van cultuurkritiek op Amerika was uitgegroeid. Romantici als Henry David Thoreau (Walden, or Life in the Woods, 1854) hadden midden negentiende eeuw al het materialisme en vooruitgangsdenken gekritiseerd. De puriteinse socioloog en econoom Thorstein Veblen hekelde in 1899 de ‘conspicious consumption’ in zijn klassiek geworden The Theory of the Leisure Class. Walter Lippmann bepleitte in 1922 in Public Opinion de inschakeling van ‘experts’ om de regering te controleren omdat de mensen geen tijd, puf of intelligentie genoeg hadden om ‘de politiek’ te doorgronden, en ‘de media’ hier ook niet toe in staat waren. Na de oorlog volgde de ene bestseller de andere op: The Lonely Crowd van David Riesman (1950), The Organization Man van William H. Whyte Jr. (1956), The Hidden Persuaders van Vance Packard (1957), The Affluent Society van John Kenneth Galbraith (1958), The Presentation of Self in Everyday Life van Erving Goffman (1959), The End of Ideology van Daniel Bell (1960) – kritiek op Amerika is altijd het grootste exportproduct van de Amerikaanse intelligentsia geweest. En van Hollywood trouwens ook.

Daniel Boorstin en Marshall McLuhan gaven begin jaren zestig een media-draai aan al deze kritiek op de verwording van het ‘positieve’ Amerikaanse kapitalisme uit de negentiende eeuw tot een consumptiekapitalisme van de twintigste eeuw. Lasch borduurde hierop voort.

De kritiek op Lasch in 1979 was dat het hier wel veel ging om opgewarmde Marx en opgewarmde Freud. Maar juist die samenvatting van al zijn voorgangers, en de toevoeging eraan van vooral Herbert Marcuse (Eros and Civilization: A Philosophical Enquiry into Freud, 1955, en One-Dimensional Man: Studies in the Ideology of Advanced Industrial Society, 1964) en ook Richard Sennetts The Fall of Public Man (1974) maakten The Culture of Narcissism tot zo’n beststeller. Lasch was belezen, origineel in de nieuwe mix en interpretatie van al het voorgaande. En vooral: hij schreef zeer aanstekelijk, een soms bijna agressief W.F. Hermans-achtig soort proza. Het werd een aanklacht, een ‘beschaafde hellepreek’ als van een bijbelse profeet uit het Oude Testament. Of, zoals een criticus zei: ‘Lasch zoekt geen kaarsen om aan te steken, maar vervloekt liever permanent de duisternis.’

Lasch hekelde het leven in het nu, ontworsteld aan het verleden, bang voor de toekomst. Maar ik zie andere signalen
***

Eind jaren zeventig verkeerde Amerika in een diepe crisis, vandaar de ondertitel: American Life in an Age of Diminishing Expectations. En het pessimisme van Lasch zelf was op zijn hoogtepunt. Nauwelijks een kwart eeuw nadat Henry Luce ‘de Amerikaanse eeuw’ had uitgeroepen, was het Amerikaanse vertrouwen tot een dieptepunt gedaald, zo begint hij zijn voorwoord. De tweede zin luidt: ‘Zij die nog onlangs droomden van wereldmacht wanhopen nu over de vraag hoe ze de stad New York moeten besturen.’ Nederlaag in Vietnam, economische stagnatie, energiecrisis, Watergate – het leidde tezamen tot een diep wantrouwen over de leiders en over de toekomst. Resultaat: een geestelijke crisis, en die narcistische mens die niet meer geloofde in de toekomst, alleen in ‘overleven’.

De lange ontstaansgeschiedenis van dit narcisme schetste Lasch kort: dat was het kapitalisme die ‘de arbeider’ naar de fabriek had gesleurd, hem vervolgens tot consument had gemaakt. En de staat die vanaf 1900 de autonomie van het gezin ontmantelde door de sociale dwang over te nemen. En toen al die autonomie was verruild voor ‘slavernij aan consumptie’ konden de therapeuten het ingestorte zelfrespect gaan herstellen. Met averechts resultaat. Want het idee dat het enige dat overbleef het ik was – of het Zelf, dat vaak met een bijna goddelijke hoofdletter wordt geschreven – en dat je dat als een bouwpakket kon en moest vormgeven was volgens Lasch een illusie. Al die ‘lifestyle’-eisen kwamen namelijk naadloos overeen met de eisen van het postmoderne kapitalisme: wij geven Jou wat Jij nú wilt, en we hebben héél veel in de aanbieding. De seksuele revolutie paste hier ook naadloos in: het was een commerciële uitruil van behoeften, die vooral nadelig zou uitpakken voor ‘de gewone man’, Lasch’ lievelingsmens.

Lasch formuleerde een nieuw soort narcisme. Psychiaters zagen vanaf de Tweede Wereldoorlog zelden nog patiënten die, zeg maar, handenwassend binnenkwamen, of last hadden van de klassieke neurosen van Freud. De borderline-patiënt was in opkomst. Die had geen fobieën of zenuwtics, maar gevoelens van leegte en doelloosheid, en een heftig slingerend zelfrespect. Dat zelfrespect kon hij alleen opvijzelen door zich te verbinden aan sterke, bewonderde figuren wier acceptatie hij verlangt. Maar dat geluk ontsnapt hem, daarom komt het leven hem als waardeloos voor. Als bescherming cultiveert hij een oppervlakkigheid in relaties. Narcisten kunnen niet rouwen, zijn seksueel promiscue en chronisch verveeld. Ze zijn uiterlijk vaak succesvol, zeker in de wereld van politiek, zakenleven en de podiumkunsten, want ze zijn toneelspelende charmeurs – zonder echte interesse in de ander. De ‘gewone man’ echter moet zich behelpen door zich te verbinden aan een beroemd iemand, daarop bijna terend als een parasiet.

Naast het verderfelijke kapitalisme, de almachtiger staat en de therapeuten die de autonomie van het gezin en de autoriteit van de vader hadden aangetast, waren het de media die volgens Lasch dat narcisme sterk bevorderden. Hier leunde hij bijna geheel op Boorstin en Sontag. ‘Veel van het leven krijgt het karakter van een enorme echoput, een spiegelzaal. Het leven presenteert zichzelf als een opeenvolging van beelden of elektronische signalen, van indrukken die opgenomen en gereproduceerd worden door middel van fotografie, film, televisie en geavanceerde opnameapparaten. (…) “Lach, je bent op candid camera!” (…) We hoeven er niet meer aan te denken om te glimlachen. Een glimlach is permanent in onze gelaatstrekken gegraveerd (…) De werkelijkheid lijkt steeds meer te worden wat de camera’s ons tonen. We wantrouwen onze eigen waarneming.’ De camera versterkt de narcistische trek van ‘zelfbewaking’. De therapeutische cultuur versterkt opnieuw dat permanente, angstige zelfonderzoek. Conclusie: ‘De ideologie van persoonlijke groei, die oppervlakkig optimistisch is, weerspiegelt een diepe wanhoop en afhaken. Het is het geloof van hen zonder geloof.’

Ook in deze bestseller kwam het woord ‘geloof’ dus al voor, al ging Lasch hier niet verder op in, en droeg hij geen concrete remedies aan tegen al deze ‘malaise’. Dat maakte het anderen gemakkelijk om er met dit etiket van narcisme vandoor te gaan. Zoals president Jimmy Carter. Wat Lasch nog helemaal niet zag, die religieuze of pseudo-religieuze reactie op al die leegte als gevolg van al die materiële overvloed, dat had journalist Tom Wolfe al in 1976 uitvoerig beschreven in zijn even hilarische als briljante ‘longread’ van twintig pagina’s, The Me Decade and the Third Great Awakening. De kern van de bevrijding van de jaren zestig en de bewustzijnsbewegingen van de jaren zeventig was deze overtuiging: ‘The most fascinating subject on earth: me.’ Maar achter al die zelfobsessie en al die dweperij met sensitivity training, Transcendente Meditatie ™, biologisch-dynamisch voedsel, joggen, zen, et cetera ontwaarde Wolfe een verlangen naar het Hogere, het Spirituele. Dat zag hij ook in twee van de presidentskandidaten van 1976, Jerry Brown (‘die jezuïtische zen-monnik’) en Jimmy Carter, een gelovige methodist van de zwaarste soort. Carter won, en bakte er vervolgens niet veel van.

***

Begin 1979 werd Lasch’ boek binnen enkele maanden een bestseller, ook in Nederland. De energiecrisis was op z’n ergst, Carter faalde keer op keer in het Congres. En zo riep hij in mei 1979 een groep intellectuelen, voorgangers en kunstenaars naar het Witte Huis voor een ‘diner pensant’, om van hen te horen wat er met de natie aan de hand was, zoals Daniel Bell, Jesse Jackson en Christopher Lasch. Carters adviseur vatte Lasch’ boek voor de president samen: een geestelijke ‘malaise’ lag aan de wortel van de praktische problemen van de natie. Op 15 juli 1979 hield Carter een tv-toespraak die bekendstaat als zijn ‘malaise-speech’. De vertrouwenscrisis dreigde het sociale en politieke weefsel te verscheuren, ‘velen van ons neigen ertoe genotzucht en consumptie te aanbidden’, ‘tweederde gaat zelfs niet meer naar de stembus. De productiviteit van de Amerikaanse arbeiders daalt, we sparen niet meer, er is geen respect meer voor de regering’, en zo meer. ‘Dit is geen boodschap van geluk of geruststelling, maar het is de waarheid en een waarschuwing.’ De Amerikanen moesten weer ‘het pad van een gezamenlijk doel en het herstel van Amerikaanse waarden’ zien te vinden. Lasch was niet blij met deze uitleg van zijn boek en klaagde dat zijn verfijnde intellectuele concept van narcisme nu werd gebracht als simpelweg ‘zelfzucht’ en ‘egoïsme’.

Carters moralistische toespraak pakte desastreus voor hem uit. Ronald Reagan won in 1980 de verkiezingen met zijn slogan ‘New Dawn in America’, ook al was het volgens zijn critici nog steeds half elf ’s avonds. Reagan bracht het optimisme terug waar de Amerikanen zo naar snakten, en dat Lasch hen ook niet had gegeven. Het geniale van Reagan was de combinatie van heimwee naar het verleden en een groot, ja bizar, geloof in de toekomst. Het was ‘reactionair-modernisme’ (de term is van Jeffrey Herf): vooruit naar ‘Star Wars’, en terug naar de code van de cowboy, naar het ideale gezin van de jaren vijftig, nostalgie naar ‘the way things never were’.

Lasch was ook zelf debet aan die eenzijdige opvatting van narcisme. Dit heeft Elizabet Lunbeck goed uiteengezet in haar dit jaar verschenen boek The Americanization of Narcissism. De twee grote navolgers van Freud in Amerika inzake narcisme waren Heinz Kohut en Otto Kernberg, die echter tegengestelde opvattingen hadden. Over een paar dingen waren ze het eens. Iedereen begint als Narcist, aan de borst, als middelpunt van de wereld. En: daarna kan het narcisme het beste maar ook het slechtste in de mens naar boven halen. Kohut noemde in de jaren zestig en zeventig het narcisme een wenselijke, zelfs gezonde, dimensie van het rijpe zelf: het voedde de ambitie, de creativiteit en het gevoel van kameraadschap. Al die leegte die zijn collegae in hun spreekkamer signaleerden was niet het gevolg van te véél maar juist van te weinig narcisme.

De jeugd heeft een enorme behoefte iets te zien of te ervaren dat langer meegaat dan een minuut, dag of maand

Lasch citeerde echter vooral Otto Kernberg omdat die een narcistische dystopie schetste: de woedende, agressieve narcist, altijd ontevreden en oppervlakkig, die anderen als een limoen uitperst en de restanten op de grond laat vallen. Voor wie ‘de anderen’ slechts ‘levenloze schaduwen’ zijn. Die, als er geen snoep meer in zit, tegen de automaat begint te schoppen. Maar over één ding waren Kohut en Kernberg het eens: narcisme wordt gevormd in de vroege kindertijd.

Lasch had vooral oog voor de vernietigende effecten van het kapitalisme op de samenleving, en zo op de individuele mens. Hoe dat ontspoorde kapitalisme dan hervormd zou kunnen worden, dat gaf hij niet aan. In zijn latere werk wel, maar dat werd minder bekend. Tegen het einde van zijn leven wendde hij zich tot het geïdealiseerde plattelandsleven uit zijn jeugd: kleinschalig, lokaal, spaarzaam, hard werkend, met veel gemeenschapszin. Hij noemde dit ‘progressief populisme’. Om vlak voor zijn dood daar te eindigen waar de andere goeroes van ‘de mediacultuur’ McLuhan en Warhol al veel eerder waren aanbeland: in een al dan niet stiekem geloof dat er toch uiteindelijk een soort echt geloof aan te pas moest komen om zichzelf rustig te houden, en de samenleving eveneens.

***

Als Christopher Lasch de mediacultuur van heden zou zien zou hij zich waarschijnlijk omdraaien in zijn graf. Maar evenzeer bij het zien van de verdere verwording van het kapitalisme tot ‘de utopie van de vrije markt’, zoals filosoof Hans Achterhuis het ongeremde neoliberale kapitalisme van Reagan en Bush heeft betiteld. Descartes’ adagium ‘ik denk, dus ik ben’ lijkt te zijn veranderd in ‘ik ben, dus mobiel’. Tot in alle uithoeken van de wereld staart de mensheid verslaafd in haar smartphone, precies zoals McLuhan voorspelde, pratend, swipend, of driftig tikkend op de twitter- en whatsapp-functie. De aarde is een zichzelf fotograferende ster geworden, druk met zichzelf chattend.

Na de dood van Lasch is de stroom van cultuurpessimisme niet afgenomen. Bowling Alone van Robert Putnam (2000) is er slechts één uit de immens grote hoop: er is een ware ‘Narcissistic Epidemic’ uitgebroken. De oorzaak lijkt simpel: de wereldwijde democratisering van ‘de media’, en opnieuw een ‘Life in an Age of Diminishing Expectations’. En wederom staan ‘het Kapitaal’ en ‘de media’ centraal, deze keer de digitale nieuwe media.

Bij die digitalisering van mens en mensheid is de altijd aanwezige dichotomie tussen optimisme en pessimisme groter dan ooit. Bizarre euforie over elk nieuw gadget tegenover een wederom inktzwart pessimisme over ‘what Internet is Doing to Our Brains’. In Nederland voert hoogleraar geschiedenis van uitgeverij en boekhandel Arianne Baggerman de strijd aan tegen die digitale ‘bibliotheek van Babel’ waar Jorge Luis Borges in de jaren vijftig over schreef. Alles is daarin al geschreven, ook al het ongeschrevene, want digitaal kun je alle letters in alle talen onbeperkt combineren. ‘De conclusie is dat intensieve internetgebruikers sponzen zijn voor irrelevante informatie’, schrijft Baggerman, slecht voor het geheugen en de verbeeldingskracht. Daarmee schaart zij zich in een hele rij van nieuwe onheilsprofeten als Andrew Keen, Nicholas Carr en Evgeny Morozov. Zij waarschuwen voor de vervlakking in ‘de cultus van de amateur’, voor de ‘bewakingsstaat’, en voor de aantasting van geheugen en fantasie. Hun advies is: minder is meer, kwaliteit boven kwantiteit. Spoelde Robinson Crusoë tenslotte niet op dat onbewoonde eiland aan met maar enkele boeken waaronder de bijbel, het enige boek dat hij vervolgens las en herlas?

***

Ik wil met ik eindigen. Ik ben over dat huidige narcisme dubbel. Ja, de toestand is tamelijk ernstig. De arbeid, ook de ‘noeste arbeid’ waar Lasch zo’n fan van was, is goedkoop, soms zelfs ronduit waardeloos geworden in het huidige turbokapitalisme. Ja, in de horizontale Global Village is een pijlsnelle rehiërarchisering gevolgd in naties, bedrijven en instellingen, inclusief de universiteiten en de media. Overal heeft ‘de baas’ zich een autoritaire macht aangemeten zoals het Vaticaan in het ideaalbeeld van McLuhan. En ja, we zijn emotioneel het Amerika geworden waarover Arlie Hochschild schreef in The Managed Heart: The Commercialization of Human Feeling uit 1984. Allemaal stewardess: de boel rustig houden door kalm te blijven en altijd te glimlachen. Het ‘Have a Nice Day’ is plotseling naar Nederland overgewaaid. Overal waar je een winkel verlaat klinkt het: ‘Fijne dag!’

En toch, ik zie ook andere signalen. Lasch vond, als marxist, dat de economie de mens vormde, en dat deze hulpeloos stond tegenover al die grote krachten. Het zal. Misschien is er ter bestrijding van het huidige tina-syndroom – There Is No Alternative! – een revolutie nodig. Maar in tegenstelling tot de jaren rond 1980 – toen de kernwapenwedloop ook existentiële angst veroorzaakte in Europa – is er nu geen ‘No Future’-punk met paars haar en veiligheidsspelden in het oor (zelfs het tatoeëren lijkt op zijn retour). En die vervreemding van Marx? Die lijkt ook dankzij die verslavende media en de fun-fun-fun-cultuur ten dele te worden gecompenseerd. Als ik nu door Amsterdam fiets, hoor ik links en rechts mensen bellen. Maar met wie? Met hun naasten, vriend of vriendin, familie en soms een collega. De beelden gaan de hele wereld over. Het Nieuws van een minuut geleden is de godin van deze tijd die de mensen een gevoel van saamhorigheid moet geven. Maar intussen communiceert men in een steeds kleiner kringetje.

Lasch hekelde het leven in het nu, ontworsteld aan het verleden, bang voor de toekomst. Ook op dit voor hem cruciale punt zie ik andere signalen. Ik ging naar Pinkpop met een van mijn dochters, omdat ook zij die ouwe rockers wel eens wilde zien die bezig zijn sinds 1962, hetzelfde jaar van Boorstin, nog vóór McLuhan, Warhol en Lasch. De jeugd heeft een enorme behoefte iets te zien of te ervaren dat langer meegaat dan een minuut, dag of maand. Daar stonden zeventigduizend mensen, jong, middel en oud, alle generaties eigenlijk, bij de Rolling Stones. En ja, ze maakte selfies en ik kreeg veel commentaar op Twitter en Facebook: ‘Wat zie je er gelukkig uit met je dochter!’ Er lijkt dus een toenemende behoefte te zijn zich onderdeel te voelen van een kleiner en groter geheel, en ook een onderdeel van de permanente generationele getijdenwisseling die het leven is.

Thuis kent de populariteit van lang lopende dvd-series geen grenzen meer. Men wil blijkbaar iets jarenlang kunnen volgen, zoals je je lang kon verliezen in de grote negentiende-eeuwse romans van duizend bladzijden. Dit lijkt meer dan ‘overlevingsdrang’. Het besef lijkt te groeien dat de wereld niet begonnen is met de eigen geboorte, en dat je gek wordt van al dat getwitter de hele dag door.

Ik kan het hedendaagse narcisme dus niet anders dan dubbelzinnig beoordelen. Want ja, bij al die zogenaamde vrijheid is de sociale dwang – door kapitalisme, staat en burgers – enorm toegenomen, tot een extreme vorm van conformisme. Dit geldt zeker ook voor het exhibitionisme in de nieuwe media. Iedereen lacht, inderdaad. In een variant op Freud zou ik het zelfs ‘aanpassingsdrift’ willen noemen: elke afwijking van de norm wordt als abnormaal gezien. Tegelijkertijd is er veel creativiteit, en ook geloof in de toekomst, meer in elk geval dan rond 1980.

Zo fatalistisch als Lasch in 1979 was hoeven we niet te zijn, maar het idee van kabinet-Rutte dat iedereen zich vanaf nu als de Baron von Münchhausen aan zijn eigen haren uit het moeras zal kunnen trekken, dat lijkt mij – na die utopie van de Global Village en de utopie van de Vrije Markt – een nieuwe utopie: de Utopie van de Zelfredzame Mens.


De 10 boeken die ons denken veranderden

Het gebeurt één à twee keer per decennium. Er verschijnt een boek waar werkelijk iedereen het over heeft. Alles lijkt op zo’n moment samen te vallen: een schuivende tijdgeest, een scherpe denker die aanvoelt wat de grote vragen van het moment zijn en een hongerig publiek op zoek naar nieuwe inzichten. Op dit moment is de beurt aan de Franse econoom Thomas Piketty. De vertaling van zijn Le capital au XXIe siècle is nu het grote afzetpunt in het publieke debat.

Wat waren de afgelopen decennia de andere boeken die onze blik op de samenleving deden kantelen? De komende weken gaat De Groene Amsterdammer op zoek naar de recente werken die insloegen als een bom. Boeken als Edward Saids Orientalism en Francis Fukuyama’s The End of History and The Last Man. Deze week verschijnt deel 3: Christopher Lasch’ bestseller over narcisme: The Culture of Narcissism.