De gelukkige schrijver

Permanent onder stroom

Schrijvers zijn per definitie ongelukkig, anders zouden ze niet schrijven. Alsof dat schrijven namelijk zo’n lolletje is. Schrijven is lijden, luidt het cliché. Dat cliché komt niet uit de lucht vallen. Ooit een gelukkige schrijver ontmoet? Schreef zeker héél slechte boeken? Stel je voor dat schrijvers gelukkig zouden zijn. Waarover moeten ze het dan nog hebben? Schrijvers mogen hoogstens tevreden zijn als ze aan het werk zijn en het een beetje wil vlotten. De rest van de tijd zijn ze gekweld en gaan gebukt onder de loden last van het moeten schrijven, of de nog lodener last van het geschreven hébben en weten dat het niet genoeg is. Sla de schrijversdagboeken er maar op na.

Vanuit een zenuwinrichting belooft de negentiende-eeuwse Franse (reis)schrijver Gérard de Nerval aan zijn beste vriend verstandig te worden, en af te zien van het treurige beroep van schrijver.

Als Virginia Woolf – we weten allemaal hoe het met haar is afgelopen – haar romans aan het schrijven is, rept ze van het «langgerekte, pijnlijke proces waarvan men onbeschrijflijk graag wil dat het achter de rug zal zijn».

Gerard Reve vraagt zich af of er ook schrijvers bestaan die «zonder duizelingen, zonder bijvoorbeeld de plotseling uitbrekende, woeste kriebelingen, bovenop de kop vooral» kunnen werken. Reves afkeer van het «gaan zitten schrijven» is zo groot dat zonder de meest overdreven zelfdiscipline en de verschrikkelijkste dreigementen jegens zichzelf hij nooit aan het werk komt.

Annie M.G. Schmidt, ogenschijnlijk vrolijk aan de lopende band producerend, is voortdurend bezig wasjes te doen: «Schrijven is een hoop getob en een heleboel uitstellen.»

Thomas Rosenboom krijgt naar eigen zeggen al een zwaar gevoel in zijn schouders als hij zijn bureau alleen maar ziet.

Oek de Jong denkt op een bepaald moment in zijn loopbaan het schrijven alleen nog maar vol te kunnen houden als hij speed zal gaan gebruiken.

AFTh noteert dat hij schrijven zo’n krampachtig beroep vindt dat ontspanning alleen nog maar met drank of andere middelen bereikt kan worden. Om er cynisch aan toe te voegen: «Zo blijft het ook na gedane arbeid een uiterst ongezond beroep. Een omslachtige zelfmoord – maar een die wat oplevert, dat wel.» Hele bibliotheken zijn vol geschreven over het niet-kunnende-schrijven, complete gedichtencycli handelen over het eeuwig schrijverstekort.

Een mooie anekdote over Martinus Nijhoff wil dat hij nét op het moment dat hij bij het uitbreken van de oorlog wordt getroffen door een granaatscherf een prachtige zin heeft bedacht. Vele gedichten worden geboren uit zijn frustratie dat hij die zin niet meer kan opdiepen uit zijn geheugen. Zonder dit oorlogsleed te willen banaliseren: welke schrijver kent niet dat hopeloze gevoel dat juist vlak voor het in slaap vallen de meest briljante ideeën zich aandienen? Opeens is daar dat glasheldere visioen: de ideale zin, de oplossing voor alles, het begin van een verhaal zoals het natuurlijk moet beginnen. Zachtjes murmelend, de woorden als een mantra herhalend – zo vaak dat hij zeker weet het zich morgenochtend nog te kunnen herinneren – valt de murwgestredene in slaap. Want om het licht nog eens aan te doen, pen en papier te pakken, daarvoor is hij net te moe. Is de nood heel hoog, dan krabbelt hij in het boek dat hij aan het lezen is een enkel steekwoord, vol vertrouwen dat dat voldoende zal zijn om zijn geheugen te activeren. En zo valt hij in slaap, gerustgesteld. De volgende ochtend ontcijfert hij met moeite zijn hanenpoten in de marge. Wat hij zich het scherpst herinnert is dat fel oplichtende geluksmoment, dat insloeg als de scherf van een granaat. Zaak wordt het vervolgens te proberen in heldere toestand dit moment terug te halen.

En dat kán, getuige opnieuw de schrijversdagboeken. Eindelijk heb ik mijn oliebron aangeboord, schrijft Virginia Woolf op 20 april 1925. Ze kan niet snel genoeg schrijven om het allemaal aan de oppervlakte te brengen. Minstens zes verhalen borrelen naar boven en eindelijk, eindelijk kan ze haar gedachten in woorden omzetten. Thomas Rosenboom vergelijkt dit fenomeen met een aggregaat die aanslaat, een motor die start en gaat lopen. Als hij over straat loopt, hoort hij innerlijk het ritme van de zinnen, de wendingen, de timing, waar hij verder moet gaan, waar hij moet stoppen. Hij hoort het hele boek, ziet het hele boek voor zich. Dat is een gelukkige tijd, zegt hij.

Vraag schrijvers waarom ze schrijven, en ze zullen met zo’n soort ervaring op de proppen komen, of met het verlangen daarnaar. Na diens overlijden schrijft Adriaan Roland Holst over zijn beste vriend Martinus Nijhoff dat hij «permanent onder stroom» stond, tussen enerzijds holle angst en anderzijds nabij geluk. Het feit dat schrijven gepaard gaat met angst, extreme angst – immers: je maakt iets van niets – betekent ook dat er geluk is, extreem geluk. Niet het geluk van een mooie recensie, een prijs of erkenning. Want of de schrijver zo gelukkig is op het moment dat zijn werk zich ergens bevindt in «die korte galmgang tussen loftrompet en boegeroep» (Nabokov) is een heel ander verhaal. Een beetje een saai verhaal ook, want iedere schrijver is een miskende schrijver. In tegenstelling tot gezinnen: alle ongelukkige schrijvers lijken op elkaar, elke gelukkige schrijver is gelukkig op zijn eigen wijze. Hij is gelukkig omdat er iets onder zijn handen is gegroeid dat er eerst niet was. Of omdat hij de mogelijkheid heeft geschapen, voor zichzelf en voor anderen, in een andere wereld te vertoeven. Hij is gelukkig omdat wat in het gewone leven rafelig is, hij op schrift aaneen heeft geknoopt. Of omdat wat in het gewone leven aaneengeknoopt zit, hij op schrift uiteen heeft gerafeld. Hij is gelukkig omdat hij opeens begrijpt waarom hij midden in de nacht in de marges van andermans boek in enorme letters heeft gekalkt: twee mud aardappelen. Schrijvers: het zijn de gelukkigste mensen die er bestaan.