Robert Anker, Oorlogshond

Permanent opgefokt

Robert Anker, Oorlogshond, € 18,95
Robert Anker, Oorlogshond, € 14,95 (e-book)

De cover van Robert Ankers laatste roman zou een wegwerpthrillertje niet misstaan: onder de militante titel Oorlogshond is de loop van een vuurwapen afgebeeld die een kogel en een oranje steekvlam uitspuwt. Was ik een argeloze lezer geweest die niet bekend is met het satirisch werk van Robert Anker, dan had ik op basis van dit omslag een dom werkje verwacht dat volgens een formule is geschreven, het soort boeken waar boekwinkels op vliegvelden op draaien. Jammer, zo'n valse start, want Oorlogshond is allesbehalve een gemakzuchtig flodderwerkje waarmee je niet veel meer mee aankunt dan het doden van de reistijd op een intercontinentale vlucht.

Medium 9789021440163

Oorlogshond beschrijft de energieke levenswandel van Michiel de Ruyter, niet de mythische zeeheld, maar zijn naamgenoot die leeft in een griezelige toekomst die Anker als ons onherroepelijk voorland presenteert. Zijn naam geeft al weg dat het een larger than life-karakter is; het is een vechtjas die in een permanente staat van opgefoktheid leeft en een fabelachtige reputatie in bed heeft. Maar het is ook een man van brede bespiegelingen, hij is afgestudeerd in de filosofie (cum laude) en richt zijn leven in naar stoere nietzscheaanse idealen (kracht, strijd).
Dat fysiek en intellectueel dynamisch leven van Michiel de Ruyter valt uiteen in drie delen en is opgetekend door een naamloze biograaf die De Ruyter op de voet volgt. In het eerste deel van dit drieluik is De Ruyter een charismatische leraar klassieke talen op het Heinsius College. Wie ander werk van Robert Anker las (Hajar en Daan) weet dat de schrijver uitgesproken ideeën heeft over de staat van het onderwijs in Nederland.
Ook in Oorlogshond worden de vernieuwingen en de holle ambtenarenpraat gehekeld die de klassieke, inspirerende leraar terugbrengen tot niet veel meer dan een ordebewaker in de klas. De Ruyter trekt zich niets aan van de nieuwerwetse flauwekul en accepteert geen enkel compromis wat betreft zijn taak als bron van inspiratie en verheffing. De leerlingen die hij onder zijn hoede krijgt lopen weg met de charismatische De Ruyter en stijgen onder zijn begeleiding boven zichzelf uit, ze breken met het geldende egalitarisme en leren dat hun levenspad omhoog moet voeren naar de intellectuele aristocratie.
Maar Michiel de Ruyter is ook grenzeloos - om niet te zeggen ronduit nihilistisch en amoreel - in zijn opvatting van het leraarschap. Hij heeft seks met net meerderjarige leerlingen, biedt ze alcohol en harddrugs aan tijdens orgieën die bij hem thuis of op schoolexcursie worden aangericht. En buiten het leraarschap om zet De Ruyter zijn leven als ‘man van de daad’ voort in roekeloze autoracepartijen met grote terreinwagens, en in freefightwedstrijden die niet zelden eindigen in een genadeloze kloppartij voor zijn tegenstanders.
Deze man hoort niet thuis in het onderwijs. Dat lijkt De Ruyter zelf ook te begrijpen als hij in het tweede deel van het drieluik opduikt als soldaat in een huurleger dat schietend door een fictief Afrikaans land (Malewe) trekt. De Ruyter vindt zijn natuurlijke bestemming in de anarchie van een oorlog die door onduidelijke facties met huichelachtige motieven wordt uitgevochten. Niet dat de motieven om ten strijde te trekken De Ruyter iets kunnen schelen. De strijd heeft genoeg aan zichzelf: 'De tomeloze ambitie om te vechten, ergens voor of nergens voor, dat maakt niet uit, het gaat om de beweging, de strijd, die in diepste wezen een lege strijd is.’
Deze nihilistische honger naar actie brengt hem er in het derde deel toe om een volksopstand op gang te brengen in Saumerland, een bestuurlijk autonome provincie in het oosten van Nederland. Dit slotdeel van het boek is ook een wrangkomische satire op de politieke en culturele regressie die Nederland en de rest van Europa steeds meer in haar greep krijgt. Den Haag geldt nog steeds als domicilie van wereldvreemde plucheklevers en intellectualisme is ook in de nabije toekomst synoniem voor volksvijandige arrogantie. Anker vangt dit benepen populisme in een hilarisch boerentaaltje dat druipt van provincialisme en rancune. Maar daarmee is dit slotdeel niet meteen een simpele antipopulistische hekeling, want in enkele vlijmscherpe passages krijgen de elites net zo goed onder uit de zak omdat ze, eenmaal volgevreten en comfortabel, telkens vergeten hun relevantie in de maatschappij te echten.
Voor De Ruyter doet de staat van het land er op dat moment al lang niet meer toe. Hij is de cynische uitbuiter van populistische sentimenten die hij zo ver opstookt dat hij zijn gewenste strijd krijgt. Hij weet Saumerland in conflict te brengen met Den Haag en een oorlog breekt uit die niemand heil brengt behalve De Ruyter. En de lezer.
Natuurlijk zijn er parallellen te trekken met de huidige afgoderij van anti-intellectualisme in Nederland, en natuurlijk kun je uit dit boek concluderen dat de populistische roep om een charismatische leider een uitnodiging kan zijn voor onmetelijke ellende. Maar gelukkig laat Oorlogshond zich niet zo eenduidig lezen. Het is uiteindelijk een portret van een man die groter en roekelozer durft te zijn dan de kleinburgerlijke moraal ons dicteert te zijn. Maar ergens verliest hij de maat der dingen uit het oog en hij eindigt als de perversie van zijn eigen hooggestemde idealen en filosofische vergezichten. Hij wordt een woesteling die vooral wil strijden, en pas later, veel later aan de moraal wil denken. Het is een redeloze uitkomst, maar het was hoe dan ook fijn optrekken met hem, en dat is niet in de laatste plaats te danken aan Ankers beukende, jongehonderige stijl.

ROBERT ANKER
OORLOGSHOND
Querido, 280 blz., € 18,95