Filosoferen over corona #3: De uitzonderingstoestand en Giorgio Agamben

Permanente immobiliteit

Filosoof en jurist Martijn Stronks geeft de komende weken college aan zijn studenten in quarantaine over moderne mobiliteit. Hoe moeten we daar nu over denken, in tijden van corona? Een serie essays filosofie in actie. Deel 3: De Uitzonderingstoestand.

Zo’n twee maanden geleden verkondigde ik op een feestje aan collega’s dat het coronavirus waar iedereen zich steeds drukker om leek te maken toch niets meer was dan een gewoon griepje. Het was de avond waarop in Amsterdam de eerste coronapatiënt werd aangetroffen. Het kind van een van mijn collega’s bleek naar dezelfde opvang te gaan als die waar de kinderen van de Amsterdamse patiënt nul werden opgevangen. Ik weet nog goed dat ik daar erg lacherig over deed – wat een flauwekul allemaal, die hysterie, dit zal heus wel loslopen, dacht ik.

We gaan vast niet massaal in quarantaine, of iets dergelijks, de staat gaat onze vrijheden echt niet plots drastisch inperken vanwege een griepje. Sommige van mijn collega’s namen het al meteen ernstiger op, en berispten mij vriendelijk om mijn naïviteit. Ik kan inmiddels rustig toegeven dat ik me een paar maanden terug danig heb verkeken op de betekenis van het virus, gelukkig voor mij stond ik daarin niet alleen. Ach, wie maalt om een verkeerde inschatting van de loop der dingen?

Minder verbaasd over de gang van zaken was de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben. Op 26 februari – er waren op dat moment in Noord-Italië al zo’n vijfhonderd patiënten – opende Agamben een opiniestuk als volgt: ‘Geconfronteerd met de krampachtige, irrationele en volledig ongegronde noodmaatregelen die zijn genomen tegen de zogenaamde corona-epidemie…’ Om daar even later nog een schepje bovenop te doen: ‘De disproportionele reactie op wat volgens de Nationale Onderzoeksraad (CNR) niet veel meer is dan een simpele griep, zoals die ons ieder jaar treft, is nogal opvallend. Het is bijna alsof terrorisme heeft afgedaan als een bron van uitzonderlijke maatregelen, de uitvinding van een pandemie bood de ideale achtergrond voor het grenzeloos opvoeren van dergelijke maatregelen.’ De uitvinding van een pandemie om vrijheden van burgers te kunnen inperken, dat is nogal een boude stelling.

Welnu, ook een sterfilosoof kan zich vergissen, tenminste dat voegde de Franse filosoof Jean-Luc Nancy Giorgio Agamben vriendelijk toe. Om daar wel fijntjes op te laten volgen dat zijn goede vriend dertig jaar geleden ook al de enige was die hem een openhartoperatie had afgeraden. En daarmee was het filosofische moddergooien wel begonnen – een deel van het vermakelijke schouwspel kan gevolgd worden in deze arena. De ene na de andere filosoof was er als de kippen bij om de Italiaan een veeg uit de pan te geven of de handschoen van een oude woordenstrijd opnieuw op te nemen. ‘Moet de samenleving verdedigd worden tegen Agamben?’, ‘Vergeet Agamben’, ‘De corona-idioterie van Giorgio Agamben’: het moet gezegd, gevoel voor drama kan deze boze filosofen niet worden ontzegd. Deze woede onder filosofen raakt echter aan een bredere kwestie: moesten we de staat nu vertrouwen in zijn pogingen om de crisis het hoofd te bieden, of juist niet?

Agamben bleek ondertussen niet van plan zijn standpunt te matigen. In een volgend stuk kwam hij bijkans nog wat stelliger uit de hoek: ‘Het eerste wat de golf van paniek die het land heeft verlamd natuurlijk toont, is dat onze samenleving niet langer in iets anders gelooft dan in naakt leven. Het is overduidelijk dat Italianen geneigd zijn praktisch alles op te offeren – de normale levensomstandigheden, sociale verhoudingen, werk, zelfs vriendschap, affecties, en religieuze en politieke overtuigingen – aan het risico om ziek te worden.’

Maar heeft Agamben zich nu ook vergist in de betekenis van de coronacrisis? De maatregelen in de crisis lijken anders op het eerste gezicht nogal naadloos te passen in zijn denken over de verhouding tussen recht en politiek en de uitzonderingstoestand, dus waar maken de criticasters van Agamben zich zo druk over? Of toont de coronacrisis nu juist de beperkingen van het denken van Agamben over de vraag hoe nood wet breekt?

Vooropgesteld, het denken van Agamben leidde ook vóór de coronacrisis bij veel mensen al tot hevige gevoelens. Want wie haalt het nu in zijn hoofd om het concentratiekamp te benoemen tot de verborgen matrix, de verborgen wet van onze hedendaagse politiek? Toch is dat precies een van de centrale stellingen van het werk van Agamben over de verhouding tussen recht en politiek. ‘Het kamp is de structuur waarin de uitzonderingstoestand normaal wordt’, zo schrijft Agamben in Homo Sacer: De soevereine macht en het naakte leven. Om daaraan toe te voegen dat telkens wanneer er zo’n uitzonderingstoestand in het leven wordt geroepen, we moeten onderkennen dat we ons virtueel in aanwezigheid van een kamp bevinden. Wat kan dit te betekenen hebben?

De uitzonderingstoestand is juridisch gezien de situatie waarin bepaalde rechten worden opgeschort vanwege een noodsituatie, zoals oorlog of een natuurramp. Zo weet iedere rechtenstudent dat de meeste mensenrechten kunnen worden ingeperkt in het geval van een noodsituatie (zie bijvoorbeeld artikel 15 EVRM). Als de nood aan de man is, kan bijvoorbeeld worden afgeweken van het recht op vrijheid van beweging, de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van vereniging. Zo riep Spanje de noodtoestand uit op 14 maart. Producten gingen op rantsoen, de regering kon de controle overnemen van belangrijke industrieën en ondernemingen, ook konden besmette mensen verplicht worden om in quarantaine te gaan. Alles om de virusuitbraak in te dammen.

Maar het meest in het oog springende voorbeeld van een noodmaatregel is ongetwijfeld de drastische beperking van mobiliteit, zowel internationaal als lokaal. Social distancing, samenscholingsverboden, beperkingen van het vliegverkeer en het herinvoeren van grenscontroles binnen Europa: het zijn nogal stevige maatregelen die onder de vlag van de bestrijding van het coronavirus worden genomen.

Het vreemde is nu dat lang niet alle landen officieel de noodtoestand hebben uitgeroepen. Als we ons even tot Europa beperken, dan valt op dat veel landen in grofweg Zuid- en Oost-Europa de noodtoestand uitriepen, terwijl veel Noord-Europese landen dat niet deden. Dat is opmerkelijk, een land als Polen heeft immers net als Spanje de mobiliteit drastisch beperkt, de scholen gesloten en publieke bijeenkomsten verboden, maar dan zonder officieel de noodtoestand af te kondigen.

En ook in Nederland is de noodtoestand niet van kracht. Toen onze premier Rutte op een van de ingelaste persconferenties werd gevraagd of de regering naast alle ingrijpende maatregelen ook de noodtoestand afkondigde, antwoordde hij dat hij dat niet precies wist, dat was meer een vraag voor juristen. Onbedoeld raakt de premier hiermee aan de kern van Agambens analyse van de noodtoestand, want wat is nu precies de verhouding tussen de noodtoestand en het recht?

Kennelijk is het mogelijk om allerlei beperkingen van vrijheden in te voeren zonder de noodtoestand expliciet uit te roepen. In de ogen van Agamben behelst de vraag naar de noodtoestand dan ook een beduidend fundamentelere kwestie dan simpelweg de vraag waar in het recht een bepaalde bevoegdheid is geregeld om een uitzondering te maken op regels. ‘In werkelijkheid is de uitzonderingstoestand extern noch intern aan de juridische orde, het probleem om deze te definiëren betreft nu juist precies een drempel, of een zone van onverschilligheid, waar binnen en buiten elkaar niet uitsluiten, maar juist in elkaar overlopen’, schrijft Agamben. Is dat niet precies wat de onverschilligheid van Rutte toont? Er is een noodtoestand en er moet gehandeld worden, daarover is toch iedereen het eens? De vraag naar de legitimiteit van de maatregelen is typisch het soort beuzelarij waar juristen mee aankomen zetten, dat doen we wel weer als de crisis voorbij is.

Of dat nu is wat Rutte dacht of niet, het zou in de lijn liggen met de veel geciteerde uitspraak van de Duitse rechtsgeleerde Carl Schmitt, die stelde dat de soeverein moet worden gedefinieerd als degene die de noodtoestand kan uitroepen. Het mag dan wellicht zo zijn dat Rutte niet expliciet de noodtoestand uitriep, de maatregelen die hij neemt komen in veel opzichten wel degelijk neer op een opschorting van de normale orde. En juist met het feit dat de regering dit soort maatregelen simpelweg kan nemen, laat deze zien soeverein te zijn. De noodtoestand is, volgens Agamben, nu precies de situatie waarin de verhouding tussen staatsrecht en politiek feit, en die tussen de juridische orde en het leven schimmig begint te worden.

Maar, hoor ik de jurist opgewonden tegenwerpen, er zijn voor al de genomen maatregelen die zijn getroffen toch gewoon rechtsgronden aan te wijzen in de verschillende wetten en regels? Hoezo een noodtoestand, waarom brengt Agamben dit grove geschut in stelling?

Laten we de vraag naar de noodtoestand in de coronacrisis even parkeren en proberen te begrijpen waar het Agamben om te doen kan zijn met zijn theorie over de uitzonderingstoestand. Zijn analyse valt na te lezen in twee boeken die allebei onderdeel uitmaken van de zogeheten Homo Sacer-serie, een project van maar liefst negen delen en ruim dertienhonderd pagina’s. Het eerste boek is het al genoemde Homos Sacer, dat in 1995 verscheen als de naamgever van de serie, het tweede heet simpelweg De uitzonderingstoestand en is gepubliceerd in 2003. Die data zijn niet onbelangrijk; in het tweede boek gaat Agamben uitgebreid in op de maatregelen die zijn genomen na de aanslagen van 11 september 2001. De strijd tegen het terrorisme gebruikt Agamben als voorbeeld om zijn theorie verder over het voetlicht te brengen.

In de strijd tegen het internationaal terrorisme kregen staten wereldwijd vrijwel ongelimiteerde bevoegdheden toegemeten. De beruchtste voorbeelden van de uitoefening daarvan zijn de martelingen en onmenselijke behandelingen in de gevangenissen in Guantanamo Bay en Abu Ghraib. De verdachten in deze kampen zaten voor onbepaalde tijd vast, hadden meestal überhaupt geen proces gehad en waren overgeleverd aan de wrede wellust van de bewakers. Ze waren niet langer dragers van rechten, zo houdt Agamben ons voor, ze waren ‘naakt leven’. De schil van politieke, burgerlijke en mensenrechten was van ze afgevallen. Het object van machtsuitoefening was dit naakte leven, en Agamben noemt deze politiek die zich ent op het biologisch leven in navolging van de Franse filosoof Michel Foucault een vorm van biopolitiek.

Wie wil begrijpen wat de verhouding van deze mensen met de rechtsorde was, moet inzien dat ze niet zozeer buiten de rechtsorde stonden, maar dat ze daarin waren opgenomen als rechteloos naakt leven, zo stelt Agamben. In de handen van de bewakers verviel het onderscheid tussen feit en recht en waren ze overgeleverd aan hun macht. Het zijn in zo’n situatie niet de regels die bepalen wat is toegestaan, in tegendeel, het gedrag van de bewakers wordt op geen enkele wijze nog ingeperkt door het recht. Er werd ook niet zozeer een inbreuk gemaakt op bepaalde rechten, nee, niets minder dan het recht op rechten, zoals de Duitse filosoof Hannah Arendt dat noemt, was de gevangenen ontnomen. In dergelijke gevangenissen – of kampen, zoals Agamben ze noemt – is daarmee simpelweg alles mogelijk.

Cruciaal nu is dat deze uitzonderingstoestand volgens Agamben permanent is geworden. En wel omdat, plat gezegd, het soort gevaar waarvoor de uitzonderingstoestand in het leven wordt geroepen dermate ongedefinieerd is dat er nimmer een einde aan komt en de bescherming nooit voldoende is. Wie kan immers ooit stellen dat het terrorisme overwonnen is? En we moeten Agamben toch nageven dat veel van de maatregelen die zijn genomen om terrorisme te bestrijden inderdaad permanent zijn geworden. Zo bezien valt het wellicht beter te begrijpen wat Agamben bedoelt als hij zegt dat het kamp de ruimte is waar de uitzonderingstoestand een nieuwe en vaste ruimtelijke plaats krijgt. Het kamp vertegenwoordigt de ruimte waarin de ultieme macht waarop de politieke orde gestoeld is haar nietsontziende gezicht toont.

Wie durft – behalve Agamben zelf – nog met deze betekenis van de theorie van Agamben in het achterhoofd de brug te slaan naar de huidige coronacrisis? Het is knap lastig om een paar zinnen nadat we het over concentratiekampen hadden de behandeling van coronapatiënten in ziekenhuizen te gaan bespreken in het licht van deze analyse. Want de vraag dringt zich onmiddellijk op wat Agamben als kamp voor ogen heeft in deze analogie; wat is met andere woorden het equivalent van Guantanamo Bay? Zijn dat de gangen waarin de opgegeven patiënten in de overvolle ziekenhuizen van Noord-Italië naar verluid eenzaam stierven? Of is dat de eerste hulp waar door triage de patiënten in verschillende categorieën worden ingedeeld en daarmee in feite hun lot in handen van de artsen ligt, zonder dat duidelijke regels en rechten de uitkomst lijken te bepalen? Of zijn het de arme burgers opgesloten in de quarantaine van hun woningen, die hij in gedachten heeft?

Nee, over de precieze toepassing van zijn theorie zwijgt Agamben vooralsnog; de filosoof blinkt uit in de abstracte analyse en minder in de exacte toepassing daarvan. In zijn meest recente bijdrage – die tot dusver alleen in het Italiaans beschikbaar is en ik derhalve slechts door de oogharen van Google Translate vagelijk kon bekijken – lijkt hij met name te benadrukken hoe de crisis een schier eindeloze inperking van basale rechten met zich heeft meegebracht. En dat het maar zeer de vraag is of en wanneer deze inperkingen weer zullen worden opgeheven. Want net als met terrorisme lijkt het einde van de bedreiging door het virus vooralsnog in geen velden of wegen te bekennen.

Dat is ongetwijfeld waar, en we zullen moeten wennen aan de gedachte dat de inperkingen van onze bewegingsvrijheid ons voor onbepaalde tijd zullen vergezellen. Zonder twijfel wordt ‘anderhalvemetersamenleving’ hét woord van 2020. Agamben waarschuwt in zijn werk voor de machtstoename van de repressieve staat door middel van het permanent worden van noodsituaties op grond van georkestreerde crises. Wie volgt wat er in reactie op het virus in Hongarije plaatsvindt, of wie weet wat China aan extra surveillancemaatregelen heeft ingevoerd, ziet eenvoudige toepassingen van Agambens theorie. Maar is zijn theorie ook breder toepasbaar op de crisis?

Ik zou willen proberen met de analyse van Agamben in de hand het licht te werpen op een ander element van de coronacrisis, en wel de vraag of mobiliteit nu de norm is of de uitzondering. Wat mij aanspreekt aan de analyse van Agamben is hoe hij de onderlinge verbondenheid tussen de normaaltoestand en de uitzondering toont. Excessen en uitzondering zijn niet zozeer de anomalieën van een verder goed functionerende en normale rechtsorde; Agamben beargumenteert dat het tegenovergestelde het geval is. Het is in de uitzonderingstoestand dat de rechtsorde zijn ware gezicht laat zien, niet in de normaaltoestand.

Mensenrechten mogen dan van grote betekenis zijn voor burgers in het noorden, maar wat betekenen ze voor diegenen die expliciet worden uitgesloten van die normale orde, zoals de zuiderling? Agamben leert dat wie zicht wil krijgen op de meest fundamentele vormen van machtsuitoefening moet kijken naar die praktijken die permanent worden uitgesloten van de normaliteit. Wie zoekt naar de grond onder de normaliteit, kijkt naar de uitzondering en niet naar de regel.

Wat levert zo’n blik op moderne mobiliteit op? De moderniteit wordt in belangrijke mate gekenmerkt door mobiliteit. En deze mobiliteit is in de kern gespleten: de noorderling mag zich vrijelijk over de globe bewegen terwijl de mobiliteit van de zuiderling drastisch beperkt is. Mobiliteit is voor de noorderling de norm, en zo bezien is immobiliteit van de zuiderling de uitzondering. Vóór de coronacrisis lag de globe aan de voeten van de noorderling, terwijl de immobiele zuiderling als een Atlas de last van de wereld op zijn schouders droeg. Het virus toont niet alleen de onontkoombare verbondenheid van de wereld, maar ook dat immobiliteit van de een en de mobiliteit van de ander onmiskenbaar met elkaar verbonden zijn.

Zoals de jurist Thomas Spijkerboer heeft betoogd bestaat er zoiets als de ‘Global Mobility Infrastructure’, een structuur die mondiale mobiliteit reguleert. Deze maakt het voor sommigen ongelofelijk eenvoudig om zich te bewegen over de wereld, terwijl ze met dezelfde instrumenten de bewegingsvrijheid van anderen beknotten. Zo is het gebruik van biometrische gegevens voor de een de belofte tot snelle toegang tot de Privium Lounge op Schiphol, terwijl die voor de ander de garantie zijn dat men met geen mogelijkheid hetzelfde vliegtuig binnenkomt. Mobiliteit en immobiliteit zijn anders gezegd twee kanten van dezelfde mondiale munt.

Toont Agambens woede over corona niet dat hij als een goede moderne noorderling mobiliteit ziet als zijn onvervreemdbare recht om zich vrijelijk en onbeperkt te verplaatsen waarheen hij maar wil? Mobiliteit als de norm, en de grond waarop de moderne orde is gefundeerd. Is het niet denkbaar dat het juist de immobiliteit is die permanent aan het worden is? En dan niet alleen voor de zuiderling, niet alleen voor potentiële terroristen, maar voor iedereen? Met het virus zijn mobiliteit en beweging plots risico’s geworden: potentieel is ieders beweging een gevaar. Chili heeft al een immuniteitspaspoort ingevoerd, las ik.

Maar het virus toont ook met een grote luciditeit de risico’s van het klimaat, het vluchtige vloeibare kapitaal en de sociale zekerheid en de gezondheidszorg. Ook dat kunnen risico’s zijn om immobiliteit tot nieuwe norm te verheffen. ‘The sky is the limit’ krijgt in het licht van het werk van Agamben zo plots een geheel andere betekenis. Immobiliteit is de verzwegen wet van de moderniteit, de permanent geworden uitzonderingstoestand, en het vluchtelingenkamp is de ruimte waarin deze immobiliteit volledig aan het licht komt.

Het is het overdenken waard, zou ik zeggen.


Martijn Stronks studeerde rechten en filosofie en is als universitair docent werkzaam bij het Amsterdam Centre for Migration and Refugee Law van de Vrije Universiteit Amsterdam