Persbericht

In het Kasteel exposeert komende maand Pargje Tuin. Tuin wil vooral inhoudelijk bezig zijn en werkt het liefst met een thema. Het Kasteel is volgestort met een dikke laag zwart kolengruis. In deze zwarte massa zijn bloedrode tulpen geplant en verschillende objecten aangebracht. Elke kasteelkamer heeft een ander thema.

De wereld van Pargje Tuin is altijd al een binnenwereld geweest. Ook in het vroege werk. Toen maakte zij kamers met naast de abstracte partijen, herkenbare zaken erin. In zo'n interieur kan zich een opening bevinden, meestal een venster, soms een deur, die uitzicht biedt op een buitenwereld. Vaak ook is die opening een spiegel en dat is problematischer. Want een spiegel bij Pargje Tuin spiegelt nooit wat je zou verwachten. Wat opvalt is de erotisch-sensuele lading in die interieurs. Niet het erotische in seksuele zin - die implicatie is in de vroege werken niet uitgesloten - maar in de erotische zin van drang naar versmelting, eenwording in ruimere zin. Pargje Tuin: ‘Zo kan dat in mijn werk spelen tussen figuratie en abstractie, materie en geest, verstand (bijvoorbeeld de man) en gevoel (bijvoorbeeld de vrouw). Mijn kunst is één zoektocht naar synthese.’ Tuins streven naar synthese is zeker geen zoetelijke aangelegenheid. Altijd speelt een of andere dreiging. Die komt van buitenaf en veroorzaakt verwarring, schrik of angst. Tuin: 'Het aantrekkelijke en het weerzinwekkende zijn in mijn werk zo vermengd dat het moeilijk is het een van het ander te scheiden. Als iets ronduit weerzinwekkend is, is het makkelijk om het af te wijzen. Als het ook nog aantrekkelijk is, wordt de zaak complexer.’ Opvallend is hoe in elk van deze video’s in de ogenschijnlijk naturalistische weergave van de werkelijkheid juist een andere (mentale, fysieke, mystieke, etc.) realiteit gevonden wordt. Steeds weer wordt de realiteit zodanig vastgelegd dat zij zichzelf ondermijnt of versterkt. 'Voor mij is de tulp primair een plastische vorm in een verder plat vlak, een “associatieve” vorm. Zwart kolengruis zie ik in de eerste plaats als een vorm van ervaren, denken. De idee staat voorop. Inderdaad, je zou me dus ook hedendaags symbolist kunnen noemen. De abstracte idee die in een concrete zichtbare vorm weergegeven wordt, zij het zo dat er altijd nog iets te raden overblijft. De dingen suggereren, zodat je aan het denken wordt gezet. Mijn tulpschiksels zijn vertellingen, waarin mijn obsessie voor tulpen en zwart kolengruis tot uitdrukking komt. Ik wil de bezoeker confronteren met voorgeprogrammeerde fantasie. Nee, het zijn geen installaties. Ook geen environments. Mijn werk moet je zien als installironments. Met happening-trekjes.’