Personagenamen

We weten allemaal hoeveel kinderen er wereldwijd geboren worden  vier per seconde  maar heeft iemand wel eens berekend hoeveel personages er elke seconde ter wereld komen? Een gemiddelde roman telt er al gauw vier. Tel daar alle bijfiguren bij op, alle karakters uit speelfilms, uit toneelstukken, series, stripverhalen, thrillers, streekromans, korte verhalen, kinderboeken en pornofilms, en je zult redelijk in de buurt komen van die vier per seconde.
Waar mijn hersens zich steeds meer over pijnigen wanneer ze zich weer eens bij die immense massa van barende hoofden scharen, zijn de namen die ik ze moet meegeven. Die moeten van het juiste koloriet zijn, zonder clichématig te klinken, zonder opzichtig symbolisch te zijn, en zonder dat ze je halverwege het boek gaan tegenstaan.
Daar komt nog een onderbelichte eis bij: ze moeten nog niet in de werkelijkheid bestaan. Alle voornamen uit je vrienden- en familiekring zijn dus op voorhand van deelname uitgesloten.
In Bernlefs Buiten is het maandag heet de held Harry Bekkering. Wat blijkt: die man bestaat, zonder dat Bernlef het wist, en is nota bene literatuurhoogleraar in Nijmegen.
Zelf gooi ik elke nieuwgeborene daarom eerst door Google en daarna door Hyves. Op die manier zijn al heel wat kandidaten van naam veranderd, en bestaande mensen ontsnapt aan een drama in de eeuwigheid.
Met veel pijn en moeite had ik een aantal maanden terug een meisjesnaam gevonden die het bijbehorende novelle-personage als gegoten zat. Totdat mijn vriendin iets op mijn computer wilde opzoeken en vluchtig een glimp van het manuscript opving, dat nog open stond.
Bedremmeld stapte ze terug de woonkamer in, en noemde de naam van mijn personage. ‘Dat is een heel mooie naam…’, begon ze.
‘Hm hm…’, bevestigde ik. Ik kon de opmerking nog niet als compliment incasseren, want boven haar hoofd pakten de donkere wolken van een ‘maar’ zich al samen.
‘Het is ook wel een mooie naam voor een kindje.’ Nu sprak ze de naam uit gevolgd door mijn achternaam. En halleluja, dat klonk inderdaad als muziek in de oren.
‘Maar we hebben toch al een meisjesnaam?’ protesteerde ik, me nu tevens tot haar buik richtend. Ik herinnerde me hoe ik laatst een avond niet in slaap kon komen, eindeloos met lettergrepen en klanken goochelend, totdat het ineens was alsof ik de juiste cijfercombinatie van een slot had gevonden, dat vol vreugde opensprong, waarna ik mijn vriendin onmiddellijk wakker had willen maken, maar toch de naam de nieuwe dag in had weten te tillen, waar ze aan het ontbijt nog niets aan kracht verloren had en bovendien op bijval van de aanstaande moeder kon rekenen.
‘Ja ja, maar voor een twééde kindje…’
Ik zuchtte. Hebben kinderrijke schrijvers als Thomas Mann of Jan Wolkers zich ook ooit over deze problematiek het hoofd gebroken? Wolkers gebruikte de naam Eric zowel voor zijn eerste zoon als voor zijn personage Eric van Poelgeest. Dat zou ik dus niet kunnen. Vroeg of laat gaat je nageslacht jouw werk lezen, en als hij of zij de hoofdpersoon lijkt, schept dat toch verwarring.
Personagenamen dien je zodanig te kiezen dat je ze nooit later voor eventuele kinderen wilt gebruiken. Ik ging terug achter mijn computer zitten, om de hele naamgevingsprocedure opnieuw te doorlopen, Google, Hyves… Ineens begreep ik waarom het universum van Frans Kellendonk bevolkt wordt door typen als Frits Goudvis, Latour van Uffel en Felix Mandaat.
Alhoewel, op het Acht-uurjournaal zie ik vaak de meest onwaarschijnlijke namen onder de geïnterviewde in beeld verschijnen, die rechtstreeks een roman in zouden kunnen. En waar haalde Bordewijk zijn achternamen vandaan? Whimpysinger, De Moraatz, Van der Karbargenbok, Surdie Finnis, Schattenkeinder: allemaal gewoon uit het telefoonboek.
Een groep van zestien Amerikaanse auteurs, onder wie Stephen King, Amy Tan en John Grisham, hield een paar jaar terug op eBay een veiling, waarbij mensen zichzelf als personagenaam in hun volgende boeken konden inkopen. De omgekeerde wereld: alsof Harry Bekkering zou willen betálen voor een plaatsje aan Bernlefs raampje, waar hij voor eeuwig naar die maandag buiten moet turen.
Nee, een veiling organiseren leek me onzinnig. Ik zocht verder. ‘What’s in a name?’ vraagt Romeo’s Julia retorisch bij Shakespeare. Maar had ze dat ook gezegd als Shakespeare haar Gonda had genoemd? Na lang puzzelen had ik een naam, eentje waarvan ik wist dat die als potentiële kindernaam al afgevallen was. Na een goddelijke interventie van Ctrl-F, zoeken en vervangen, voltrok de transformatie zich ogenschijnlijk pijnloos. De sidderende schim van mijn toekomstige tweede dochter haalde opgelucht adem in het hiervoormaals.